Ik kijk rond en doe eene ontdekking.
Ik weet niet of ik blijde was, toen ik de school van doctor Strong
verliet, dan wel of het mij speet. Ik was daar heel gelukkig geweest,
hield zeer veel van den doctor en in die kleine wereld was ik een
persoon van gewicht. Om deze redenen speet het mij, maar om andere,
die ik toch niet zou kunnen noemen, was ik blijde, dat dit tijdperk
afgesloten was. Een geheimzinnig gevoel dat ik nu een jongmensch was,
die op zijn eigen beenen moest staan, dat zulk een jongmensch in staat
was de wonderlijkste dingen te zien en te doen, en zonder twijfel
een grooten invloed zou oefenen op de maatschappij, had zich van mij
meester gemaakt. Zoo machtig was de indruk, welke deze hersenschimmige
denkbeelden op mijn jongensgemoed maakten, dat ik, naar het mij thans
voorkomt, de school zonder eenig gevoel van leedwezen schijn te hebben
verlaten. De scheiding maakte niet zulk een indruk op mij, als bij
latere gelegenheden een afscheid wel gedaan heeft. Ik doe vergeefsche
moeite om mij te herinneren wat ik voelde en onder welke omstandigheden
ik heenging; ik kan mij dat op het oogenblik niet te binnen brengen.
Ik onderstel, dat het vooruitzicht op mijn nieuw leven mij te veel
heeft bezig gehouden. Ik weet wel, dat al de ervaring, die ik in mijne
jeugd had opgedaan, waardeloos was geworden, en het leven mij één lang
sprookje toescheen, dat ik nu zou beginnen te lezen.
Tante en ik voerden menig ernstig gesprek over het beroep, dat
ik kiezen zou. Een jaar geleden had ik reeds moeite gedaan om
een bevredigend antwoord te vinden op deze vraag, waarop tante
herhaaldelijk terugkwam. „Wat ik het liefst zou worden?” Ik had
echter geen bepaalde voorkeur voor iets. Indien ik echter door eene
ingeving plotseling bedreven ware geweest in de zeevaartkunst en met
het bevel ware belast geworden over eenige snelvarende schepen, om
er een zegevierenden tocht om de wereld mede te maken, nieuwe landen
te ontdekken, enz., dan geloof ik wel, dat ik mij daartoe geroepen
zou hebben gevoeld. Maar nu zulk eene wonderlijke bestiering achterwege
bleef, wilde ik mij toeleggen op een beroep, dat niet al te zeer drukte
op hare beurs, en was het mijn voornemen mijn plicht te doen, wat en
hoe dat beroep dan ook zou wezen.
Mijnheer Dick was altijd tegenwoordig bij onze overleggingen en trok
dan een zeer ernstig en verstandig gezicht. Hij maakte slechts eenmaal
eene opmerking en stelde bij die gelegenheid voor—hoe het in hem
opkwam is mij nog een raadsel—dat ik koperslager zou worden. Tante nam
zijn voorstel zoo euvel op, dat hij het niet waagde een ander maal zich
ongevraagd in ons gesprek te mengen, hij bepaalde zich tot geduldig
wachten op hetgeen tante zelve zou voorstellen, en rammelde intusschen
met zijn geld.
„Ik zal u eens wat zeggen, beste Trot,” zei tante op zekeren morgen,
omstreeks Kerstmis, nadat ik de school reeds verlaten had, „nu dit
ingewikkelde vraagstuk nog niet is opgelost, en wij, indien wij ons
overhaasten, wellicht kunnen mistasten, geloof ik dat het beter is nog
wat bedenktijd te nemen. Intusschen moet gij trachten de zaak uit een
ander oogpunt te bekijken dan uit dat van een schooljongen.”
„Dat beloof ik u, tante.”
„Het komt mij voor,” vervolgde tante, „dat een weinig afwisseling en
een kijkje in de wereld u behulpzaam zou kunnen zijn in het nemen van
een besluit. Als gij eens een reisje gingt maken. Als gij eens een
bezoek bracht aan die plaats, waar gij al meer geweest zijt en aan
dat rare mensch met dien onmogelijken naam.” Zij kon Peggotty nooit
volkomen vergeven, dat zij Peggotty heette.
„Er is niets, dat ik liever zou doen, tante.”
„Welnu, dat is gelukkig want ik vind het heel goed. Maar het is
natuurlijk en ook verstandig, dat gij het ook gaarne wilt. Ik ben
trouwens vrij wel overtuigd, Trot, dat alles wat gij doet natuurlijk en
verstandig zijn zal.”
„Dat hoop ik van harte, tante.”
„Uwe zuster, Betsey Trotwood,” hernam tante, „zou ook een natuurlijk
en verstandig meisje geweest zijn als zij ooit het levenslicht had
aanschouwd. Gij zult harer waardig zijn, nietwaar Trot.”
„Ik hoop dat ik uwer waardig zijn zal, tante. Dat zal steeds mijn
streven zijn.”
„Het is eigenlijk maar gelukkig dat uwe moeder, dat ongelukkige, lieve
kind niet meer in leven is”, zei tante, mij onderzoekend aankijkende,
„want zij zou zoo trotsch zijn geweest op haar zoon, dat haar arme
hoofdje geheel op hol zou zijn geraakt, als er tenminste nog iets in
was, dat op hol zou kunnen gaan. Goede Hemel, Trot, wat doet gij mij
aan haar denken!”
„Ik hoop dat u deze gelijkenis genoegen doet, tante!” antwoorde ik.
„Hij gelijkt sprekend op haar, Dick,” vervolgde zij opgewonden, „hij
lijkt op haar zooals zij er uitzag voor zij ongelukkig werd—als gij
mij zoo met beide oogen aankijkt, lijkt gij sprekend op haar.”
„Zoo, waarlijk?” zei mijn heer Dick.
„En hij lijkt ook op David!” zei mijne tante op beslisten toon.
„Hij lijkt zeer veel op David!” bevestigde mijnheer Dick.
„Wat ik vooral hoop, dat gij worden zult, Trot,” hernam tante, „—ik
bedoel geestelijk, niet lichamelijk; lichamelijk zijt gij goed genoeg
ontwikkeld—dat is: een ferme man. Een ferme man met een eigen wil. Een
vastberaden man” voegde zij er nog bij, terwijl zij het hoofd schudde
en de vuist dichtkneep. „Vastberaden, een man van karakter, Trot! Een
man, die zich niet laat influenceeren dan ten goede, door niemand,
door niets. Dat is het wat ik hoop, dat gij worden zult. Dat hadden
ook uw vader en uwe moeder kunnen zijn en dat zou hun geluk verhoogd
hebben—dat weet de Hemel!”
Ik zei te hopen aan hare beschrijving te zullen beantwoorden.
„Ten einde u te gewennen op uzelven te leeren vertrouwen en in
kleinigheden voor uzelven te zorgen, zal ik u dat reisje alleen laten
doen. Ik had er eerst over gedacht mijnheer Dick met u mede te laten
gaan, maar bij nader inzien is het beter, dat mijnheer Dick hier blijft
om voor mij te zorgen.”
Een oogenblik keek mijnheer Dick een weinig teleurgesteld, maar de eer
en de waardigheid om voor de bewonderenswaardigste vrouw van de wereld
te zorgen, brachten weder een zonnestraal op zijn goedig gezicht.
„Bovendien”, voegde tante er bij, „de memorie is nog niet af.”
„Ja juist”, zei mijnheer Dick haastig, „het is mijn plan, Trotwood,
de memorie nu onmiddellijk af te maken.... onmiddellijk! En dan zend
ik haar in, begrijpt ge.... en dan......” voegde hij er na eene kleine
pauze bij, „dan kan het goede leven beginnen.”
Ingevolge het lieve plan van tante, vertrok ik eenige dagen later,
met eene welgevulde beurs, een nieuw reiskoffertje en vele goede
raadgevingen. Bij mijn vertrek gaf tante mij menigen goeden raad
en een aantal hartelijke kussen mede en zeide, dat aangezien hare
bedoeling was dat ik eens in de wereld zou rondkijken en eens over
verdere plannen nadenken, zij mij aanbeval op de heen- of op de
terugreis eenige dagen in Londen door te brengen. In één woord, ik was
vrij om te doen en te laten wat ik wilde gedurende drie of vier weken,
zonder eenige bindende voorwaarde dan rond te kijken en na te denken en
minstens driemalen 's weeks een trouw verslag van mijn wedervaren in te
zenden.
Ik ging eerst naar Canterbury, ten einde afscheid te nemen van Agnes
en van mijnheer Wickfield—en van mijn oude kamertje, dat ik eigenlijk
nog niet voorgoed verlaten had—en van den goeden, ouden doctor Strong.
Agnes was blijde mij te zien en vertelde mij, dat het huis scheen
uitgestorven nadat ik weg was.
„Ik verzeker u, dat ik niet weet hoe ik het heb, nu ik hier weg ben,”
zei ik. „Ik heb een gevoel, alsof ik mijn rechterhand mis, als ik u
niet bij mij heb. Dit zegt wel weinig, want er is noch een hoofd, noch
een hart in mijn rechterhand. Iedereen, die u kent, Agnes, wint uw raad
in en wordt gaarne door u geleid.”
„Iedereen, die mij kent, bederft mij,” antwoordde Agnes, „geloof dat
maar.”
„Neen, dat komt omdat er geen tweede meisje bestaat zooals gij. Gij
zijt zoo goed en heb zulk een zacht humeur. Gij zijt zoo lief en zoo
zacht en hebt altijd gelijk.”
„Gij spreekt”, zei Agnes, in een schaterlach uitbarstend, „als ware ik
de oudste juffrouw Larkins.”
„Foei, het is niet mooi van u misbruik te maken van hetgeen ik u in
vertrouwen heb meegedeeld,” antwoordde ik, blozende bij de herinnering
aan mijn blauwe zielsvriendin. „Maar ik blijf u toch vertrouwen, Agnes.
Ik zal dat nooit kunnen laten. Wanneer ik ziek of verliefd ben, zal ik
het u altijd meedeelen, als ik het u ook mag laten weten wanneer ik
eens in ernst verliefd wordt.”
„Zijt gij dan niet altijd in ernst verliefd geweest?” vroeg Agnes
lachend.
„O, toen was ik nog een kind, een schooljongen!” antwoordde ik, op
mijne beurt lachend, maar toch ook een weinig beschaamd. „De tijden
zijn nu veranderd en ik onderstel op zekeren dag heel ernstig verliefd
te zullen zijn. Wat mij echter verwondert, is waarom gij nog niet
ernstig verliefd zijt, Agnes.”
Agnes schudde lachend het hoofd.
„O, ik weet zeker, dat gij niet verliefd zijt, anders zoudt gij het mij
wel hebben verteld,” hernam ik. „Of, tenminste,” ging ik voort, omdat
ik zag, dat zij een kleur kreeg, „gij zoudt het mij wel hebben laten
raden. Maar er is, voor zoover ik weet, niemand, die verdienen zou u
lief te hebben Agnes. Iemand, wien ik mijne toestemming zou geven,
moet een veel edeler karakter hebben en uwer veel waardiger zijn dan
een van de jongere heeren, die ik hier heb ontmoet. Ik zal voortaan
een waakzaam oog houden op alle aanbidders en voor dengene, wien het
geluk te beurt valt in uw smaak te vallen, zeer veeleischend zijn, dat
verzeker ik u.”
Zoo gingen wij eenigen tijd voort op dien vertrouwelijken toon, waarin
scherts en ernst elkaar afwisselden en die het natuurlijk gevolg was
van den gemeenzamen omgang, van onze kinderjaren af.
Plotseling keek Agnes mij met hare lieve oogen zeer ernstig aan en zei
op een geheel anderen toon:
„Trotwood, ik moet u nog iets vragen en zal daartoe waarschijnlijk in
langen tijd niet in de gelegenheid zijn—iets, dat ik zeker aan niemand
dan u zou willen vragen. Hebt gij niet opgemerkt dat papa in den
laatsten tijd veranderd is?”
Ik had reeds lang verandering bij haar vader opgemerkt en mij verbaasd,
dat zij het ook niet deed. Ook moet ik dat getoond hebben, want zij
sloeg hare oogen neer en ik zag, dat zij hare tranen niet kon inhouden.
„Zeg mij dan eens wat gij daarvan denkt?” vroeg zij zacht.
„Zal ik heel openhartig zijn, Agnes? Gij weet, dat ik veel van uw vader
houd.”
„Ja,” antwoorde zij.
„Ik geloof, dat hij verkeerd doet door toe te geven aan de slechte
gewoonte, die, sinds ik hier ben, hoe langer hoe sterker is geworden.
Hij is dikwijls erg zenuwachtig—of verbeeld ik mij dat?”
„Dat verbeeldt gij u niet,” zei Agnes hoofdschuddend.
„Zijne handen beven, zijne spraak is eenigszins belemmerd en zijne
oogen dwalen rond. Ik meen ook opgemerkt te hebben, dat hij altijd
geroepen wordt, juist wanneer hij het minst geschikt is om zaken te
doen.”
„Door Uriah,” zei Agnes.
„Ja en het gevoel van ongeschikt te zijn om zaken te behandelen, van
ze niet begrepen te hebben, of van zich in dien toestand te hebben
vertoond, schijnt hem dan zoo te vervolgen, dat het den volgenden dag
nog erger is en den daarop volgenden weer erger, zoodat hij hoe langer
hoe meer verslapt en vermagert. Schrik niet van hetgeen ik u vertel,
Agnes, maar ik zag hem laatst 's avonds in dien toestand achter zijn
lessenaar zitten, met het hoofd op zijne handen en schreiend als een
kind!”
Zacht legde zij hare hand op mijn mond, toen ik nog meer wilde
zeggen, en in het volgende oogenblik liep zij haar vader te gemoet,
die de kamer inkwam. Beiden keken mij aan en de uitdrukking, die op
dit oogenblik in haar gelaat lag, trof mij diep. Er lag zulk eene
teederheid in voor hem, zulk een dankbaarheid voor al zijne liefde en
zorg, zulk eene dringende bede aan mij, om hem zelfs in mijne geheimste
gedachten met verschooning te behandelen en niet hard voor hem te zijn;
zij was op eens zoo trotsch op hem en zoo in aanbidding van zijn goede
hart en toonde daarbij zooveel medelijden en verdriet en zooveel
vertrouwen op mijn medegevoel, dat zij met woorden geen dieperen
indruk op mij had kunnen maken of mij meer had kunnen ontroeren.
Wij gingen theedrinken bij den doctor op het gewone uur en vonden
doctor Strong met zijne jonge vrouw en haar moeder om den haard
zittende. De doctor, die over mijn heengaan sprak, alsof ik naar China
ging, ontving mij als een hooggeachten gast en liet nog een blok hout
op het vuur werpen, ten einde het gelaat van zijn oudsten leerling nog
eens te zien gloeien.
„Ik zal in Trotwood's plaats niet veel nieuwe gezichten meer zien,
Wickfield,” zei de doctor, terwijl hij zijne handen warmde: „ik word
lui en verlang naar rust. Over een half jaar zeg ik al mijn jongelui
vaarwel en ga stil leven.”
„Dat hebt gij tien jaar geleden ook al gezegd doctor,” antwoordde
mijnheer Wickfield.
„Maar nu meen ik het en zal het gebeuren. Mijn oudste onderwijzer zal
mij opvolgen—het is mij nu ernst—zoodat gij spoedig ons contract zult
dienen op te maken, ten einde ons te binden, alsof wij de grootste
schelmen zijn.”
„En zorg te dragen,” voegde mijnheer Wickfield er bij, „dat gij niet
bedrogen uitkomt, nietwaar? En dat zoudt gij zeker bij elk contract,
dat gij zelf zoudt opmaken. Welnu, ik ben tot uw dienst. Er worden mij
wel onaangenamer bezigheden opgedragen.”
„Ik behoef dus aan niets te denken,” zei de doctor, „dan aan mijn
dictionnaire en.... aan dit lastpostje”—hij wees op Annie.
Toen mijnheer Wickfield glimlachend naar haar keek—zij zat bij Agnes
aan de theetafel—kwam het mij voor, dat zij zijn blik met zulk eene
ongewone schroomvalligheid vermeed, dat het zijn aandacht trok, alsof
hij zich iets moest te binnen brengen.
„Zooals ik zie, is er een post aangekomen uit Indië,” zei hij na een
oogenblik van algemeene stilte.
„Ja, ja,” antwoordde de doctor, en ook een brief van Jack Maldon.
„Wel zoo!”
„Arme Jack!” zei mevrouw Markleham hoofdschuddend. „Dat ellendige
klimaat! Men heeft mij verteld, dat het daar is als woonde men onder
een brandglas op een zandhoop! Hij zag er wel sterk uit, doch was het
niet. Het was niet zijn gestel, dat hem zoo vermetel deed schijnen,
beste doctor, maar zijn sterke geest. Gij zult u nog wel herinneren,
Annie, dat uw neef nooit sterk was, niet wat men forsch zou kunnen
noemen,” voegde zij er met nadruk bij, terwijl zij ons een voor een
aankeek.... „gij herinnert u dat zeker nog wel uit den tijd, toen gij
beiden nog kinderen waart en den ganschen dag samen speeldet.”
Annie gaf geen antwoord.
„Moet ik uit hetgeen gij daar zegt tot het besluit komen, dat mijnheer
Maldon ziek is, mevrouw?” vroeg mijnheer Wickfield.
„Ziek?” riep de oude Overste. „Mijn waarde heer, hij is van alles!”
„Behalve gezond?”
„Behalve gezond, ja waarlijk zoo is het,” antwoordde mevrouw Markleham.
„Hij heeft zeker reeds meer dan eenmaal een hevigen zonnesteek gehad
en dan plagen hem de moeraskoortsen en allerlei andere kwalen, die gij
maar bedenken kunt. En wat zijn lever aangaat, och, daarvan deed hij
reeds afstand nog eer hij wegging!”
„En schrijft hij u dat alles?” vroeg mijnheer Wickfield.
„Schrijven? Maar, mijn waarde heer,” riep de oude Overste, met haar
hoofd en haar waaier schuddende, „gij kent mijn armen Jack Maldon niet
als gij zulk eene vraag kunt doen! Schrijven? Eerder zou hij zich door
vier wilde paarden in stukken laten scheuren!”
„Mama!” riep mevrouw Strong.
„Annie, lieve”, hernam hare moeder, „eens voor altijd verzoek ik u
mij niet in de rede te vallen dan om hetgeen ik zeg te bevestigen.
Gij weet zeer goed dat uw neef Maldon zich liever door vier wilde
paarden—maar waartoe zou ik mij bepalen tot vier? Ik _wil_ mij niet
bepalen tot vier—door acht, zestien, twee-en-dertig wilde paarden in
stukken zou laten scheuren, dan zich te beklagen over hetgeen de doctor
over hem besloten heeft.”
„Het geschiedde op voorstel van Wickfield”, zei de doctor, terwijl hij
zijn raadgever berouwvol aankeek. „Dat wil zeggen, wij hebben eigenlijk
samen het plan opgemaakt. Ik heb gezegd: hier of buitenslands.”
„En ik heb gezegd,” voegde mijnheer Wickfield er op plechtigen toon
bij, „buitenslands. Ik achtte het beter, dat hij buitenslands ging. Ik
draag dus alle verantwoordelijkheid.”
„O! verantwoordelijkheid!” zei de oudste Overste. „Alles is gedaan tot
zijn bestwil, mijn waarde heer Wickfield; alles is gedaan met de beste
en vriendelijkste bedoelingen, dat weten wij wel. Maar indien de arme
jongen daar niet leven kan, dan kan hij daar ook niet leven. En indien
hij er niet leven kan, zal hij er sterven, liever dan de plannen van
den doctor in de war te sturen. Ik ken hem,” zei de oudste Overste,
al waaiende en met een aandoenlijken profetischen blik herhaalde zij
nogmaals: „liever zal hij sterven dan de plannen van den doctor in de
war sturen.”
„Wel, mevrouw,” zei de doctor op blijmoedigen toon, „ik ben niet zulk
een vereerder van mijn eigen plannen, dat ik ze niet zelf in de war
zou kunnen sturen! Ik kan er immers andere voor in de plaats stellen.
Indien mijnheer Jack Maldon terugkeert, omdat hij ziek is, mag hij niet
meer daarheen gaan; wij zullen dan trachten hier eene betrekking voor
hem te vinden, die beter voor hem geschikt is.”
Mevrouw Markleham was zoo ontroerd door deze edelmoedige woorden—die
zij, ik behoef dat niet te zeggen, noch voorzien noch uitgelokt
had—dat zij alleen de verklaring kon afleggen, dat de doctor weder
alleen zijn goede hart liet spreken, waarbij zij eenige malen een kus
op haar waaier en dezen op de hand van den doctor drukte. Daarna wendde
zij zich tot hare dochter en beknorde haar op vriendelijken toon,
omdat zij niet meer vreugde aan den dag legde, nu men, ter wille van
haar, haar ouden speelmakker zooveel welwillendheid bewees; eindelijk
onthaalde zij ons nog op eenige bijzonderheden aangaande sommige
verdienstelijke familieleden, die nog op hunne verdienstelijke beenen
geholpen moesten worden.
Gedurende al dien tijd sprak hare dochter Annie geen woord en sloeg
zelfs hare oogen niet op. Gedurende al dien tijd bleven mijnheer
Wickfield's oogen onafgewend op haar gevestigd. Het scheen mij toe dat
hij meende door niemand te worden gadegeslagen, want hij was zoo in
gedachten over haar verdiept, dat hij nergens anders acht op sloeg.
Eindelijk vroeg hij wat Jack Maldon over zich zelven geschreven had en
aan wien de brief was gericht?
„Wel, hier is hij!” zei mevrouw Markleham, over het hoofd van den
doctor heen een brief van den schoorsteen nemende, „de beste jongen
schrijft aan den doctor zelven.... waar staat het? O, hier.... ‚Het
spijt mij u te moeten mededeelen, dat mijne gezondheid volstrekt niet
goed is en ik vrees genoodzaakt te zullen zijn voor eenigen tijd naar
het vaderland terug te keeren zijnde dit voor mij de eenige hoop op
herstel!’ Dit is nog al duidelijk! De arme jongen! Zijn eenige hoop
op herstel! De brief van Annie is nog duidelijker! Geef mij dien eens
Annie!”
„Nu niet, mama”, sprak Annie, bijna op smeekenden toon.
„Lieve kind, in sommige dingen zijt gij het zonderlingste schepsel dat
ik ken”, zei de oude Overste, „en handelt gij onnatuurlijk tegenover
de leden uwer familie. Ik geloof, dat wij nooit een woord van dezen
brief vernomen zouden hebben, als ik er niet naar gevraagd had. Noemt
gij dat vertrouwen stellen in doctor Strong? Het verbaast mij zeer. Gij
behoordet beter te weten.”
De brief werd met tegenzin te voorschijn gehaald en toen ik dien aannam
om hem aan mevrouw Markleham over te reiken, zag ik hoe haar handje
beefde.
„Laat ons nu eens zien,” zei de oude Overste, terwijl zij haar lorgnet
opzette, „waar staat het ook? ‚De herinnering aan vroegere dagen....
neen.... dat is het niet. En hoe maakt onze beminnelijke oude proctor
het?’... Goede Hemel, Annie, wat schrijft hij onleesbaar en wat ben
ik dom! ‚Doctor’, natuurlijk! Ja, wel beminnelijk!” Zij hield even
op, kuste den waaier nogmaals en wuifde er mede in de richting van
doctor Strong, die stil en vergenoegd naar ons zat te kijken.... „Nu
heb ik het: ‚Het zal u niet verbazen te vernemen, Annie!’.... neen,
zeker niet, want zij wist altijd dat hij niet sterk was; waar ben
ik ook gebleven?.... ‚dat ik genoeg heb uitgestaan in het afgelegen
land om te besluiten het hoe eerder hoe beter te verlaten, kan het,
met een verlof wegens ziekte, is dit onmogelijk, dan moet ik mijn
ontslag wel nemen. Hetgeen ik hier heb uitgestaan en nog uitsta, is
met geen pen is beschrijven!’ En zonder de welwillendheid van den
besten aller menschen,” voegde mevrouw Markleham er bij, terwijl zij
weder op dezelfde wijze naar doctor Strong telegrapheerde en den brief
dichtvouwde, „zou mij de gedachte aan zijn lijden geen oogenblik rust
laten.”
Mijnheer Wickfield sprak geen woord, ofschoon de oude dame hem aankeek,
alsof zij zich gereed hield alle opmerkingen die hij op den inhoud van
den brief maken wilde, te wederleggen; zwijgend en met eene gestrenge
uitdrukking op zijn gelaat keek hij naar den grond. Lang nadat dit
onderwerp en nog vele andere, die er niets mede te maken hadden, waren
afgehandeld, bleef hij zoo zitten; nu en dan sloeg hij de oogen eens
op en keek dan met peinzend gefronste wenkbrauwen den doctor of diens
vrouw of beiden eenige oogenblikken aan.
De doctor hield veel van muziek en Agnes zoowel als mevrouw Strong
hadden lieve, zachte stemmen. Zij zongen en speelden eenige duetten,
zoodat wij een klein concert hadden. Ik merkte echter twee dingen op:
ten eerste, dat, hoewel Annie weder volkomen kalm was, er tusschen
haar en mijnheer Wickfield eene klove scheen te zijn, die hen geheel
van elkander scheidde; ten tweede, dat de vriendschap tusschen zijne
dochter en mevrouw Strong mijnheer Wickfield scheen te mishagen en hij
die met eene zekere ongerustheid scheen gade te slaan. En thans moet ik
bekennen, dat hetgeen ik had waargenomen op den avond van het vertrek
van Jack Maldon in mijne herinnering eene beteekenis kreeg, die ik er
nooit aan gehecht had. Annie's mooi, onschuldige gezichtje was niet
zoo mooi en onschuldig meer in mijne oogen als vroeger; ik begon de
aangeboren aanvalligheid in hare manieren te wantrouwen en wanneer ik
aan Agnes dacht, die naast haar zat, en bedacht hoe goed en trouw Agnes
was, kwam het vermoeden in mij op, dat de vriendschap van Agnes voor
het jonge vrouwtje misplaatst was.
Annie scheen echter zoo gelukkig en Agnes ook dat zij den avond
deden voorbijvliegen. Er gebeurde nog iets, dat ik mij herinner.
Toen wij afscheid namen en Agnes hare vriendin wilde omhelzen en
kussen, drong mijnheer Wickfield als bij toeval tusschen haar in en
nam Agnes haastig mede. En toen zag ik dezelfde uitdrukking op het
gelaat van mevrouw Strong als dien avond van Jack Maldon's vertrek,
toen ik het echtpaar verraste en zij haar gelaat tot den doctor had
opgeheven. Ik kan niet zeggen welken indruk dit op mij maakte of hoe
onmogelijk het mij later was, wanneer ik aan haar dacht, haar in mijne
herinnering terug te roepen zonder dien blik, mij haar gezichtje in al
de frissche bekoorlijkheid van hare jeugd voor den geest te brengen.
Naar huis gaande vervolgde het mij langs den geheelen weg. Het scheen
mij toe alsof het huis van den doctor in eene donkere, sombere wolk
was gehuld. De eerbied, dien ik had voor zijne grijze haren, ging
thans gepaard met medelijden met het vertrouwen, dat hij stelde in hen,
die hem verrieden, en met weerzin aan hen, die hem onrecht aandeden.
Als een dreigende onweerswolk zag ik een groote ramp naderen, zag ik,
zonder dat ik er een bepaalden vorm aan kon geven, schande komen over
het stille plekje, waar ik gewerkt en gespeeld had als jongen. Ik kon
niet langer met genoegen denken aan de reusachtige, breedgekroonde
aloë's, die alle een tijdperk van een honderd jaren vertegenwoordigden,
noch aan het gladde, keurig onderhouden grasperk en aan de steenen
vazen en aan het doctorspad en aan het eentonig geluid van de klok
in de domkerk, dat over alles heenzweefde. Het was alsof het
heiligdom uit mijn knapentijd was bestormd en uitgeplunderd in mijne
tegenwoordigheid, en de vrede, die daar steeds had gewoond, de goede
naam, dien het altijd had gehad, naar alle winden verstrooid waren.
De morgen brak aan en daarmede mijn afscheid van het oude huis, dat
Agnes onvergetelijk voor mij had gemaakt, hiermede was mijne ziel
geheel vervuld. Zonder twijfel zou ik, spoedig zelfs, daar nog eens
terugkomen, wellicht nog meermalen op mijn oude kamertje slapen; maar
de dagen, waarin ik het bewoonde, waren voorbij; _die_ goede oude tijd
behoorde tot het verleden. Toen ik mijne boeken en kleederen, die nog
naar Dover gezonden moesten worden, inpakte, greep mij dit meer aan dan
ik aan Uriah Heep wilde laten blijken, hij was zoo vriendelijk mij te
helpen, maar ik kon toch de booze gedachte niet onderdrukken, dat hij
blijde was mij te zien vertrekken.
Ik slaagde er echter in bij het afscheid van Agnes en van haar vader
een zekere onverschilligheid ten toon te spreiden en nam plaats op den
bok van de diligence op Londen. Toen ik door de straten van het oude
stadje reed, was ik zoo zachtmoedig en vergevensgezind gestemd, dat ik
op het punt was om tegen mijn ouden vijand, den slager te knikken en
hem vijf shillings toe te werpen om op mijne gezondheid te drinken.
Hij keek echter zoo stuursch, terwijl hij in zijn winkel het groote
hakblok stond af te schrappen, en had nog altijd zulk een onaangenaam
uiterlijk—nadat ik hem een voortand had uitgeslagen was dit niet
verbeterd—dat ik het maar beter vond hem niet in zijn werk te storen.
Toen wij eenmaal op weg waren, dit herinner ik mij zeer goed, was het
mijn voornaamste zorg mij tegenover den koetsier zoo oud mogelijk voor
te doen en mijne stem grover te doen schijnen dan zij was. Dit laatste
vooral viel mij uiterst moeilijk, maar ik hield het vol, omdat ik
begreep dat hij mij dan voor volwassen zou houden.
„Rijdt gij door, mijnheer?” vroeg de koetsier.
„Ja, William,” antwoordde ik op vertrouwelijken toon—ik kende hem zeer
goed—„ik ga naar Londen. Later reis ik door naar Suffolk.”
„Op de jacht, mijnheer?” vroeg hij.
Ik wist evengoed als hij dat men in dien tijd van het jaar met
denzelfden ernst kon beweren in Suffolk op de walvischvangst te gaan;
maar dat deed er niet toe, ik voelde er mij toch door gestreeld.
Ik deed het voorkomen alsof ik nog niet vast besloten was en zei: „ik
weet niet of ik nog zal gaan jagen.”
„De patrijzen moeten bijzonder schuw zijn dit jaar,” zei William.
„Ja, dat heeft men mij ook verteld,” antwoordde ik.
„Zijt gij in Suffolk geboren, mijnheer?”
„Ja, Suffolk is mijn graafschap,” gaf ik met eene zekere deftigheid
ten antwoord.
„De appelkoeken moeten daar zoo lekker zijn, heb ik wel eens hooren
zeggen,” hernam William. Ik was er mij niet van bewust, doch vond het
noodzakelijk de eigenaardigheden van mijn graafschap in eere te houden
en mijne bekendheid daarmede te veinzen; ik schudde daarom het hoofd
alsof ik wilde zeggen: „Nu dat zou ik denken!”
„En paarden!” vervolgde William. „Een goed Suffolksch paard is zijn
gewicht in goud waard. Hebt hij ooit paarden gefokt in Suffolk?”
„N....een,” antwoordde ik! „zelf niet.”
„Hier, achter ons zit een heer, die ze bij honderdtallen gefokt heeft.”
De heer, dien hij bedoelde, was ontzettend scheel, had een ver
vooruitstekende kin, droeg een lagen witten hoed met een smallen,
platten rand en de pijpen van zijne nauwe, grijsachtige broek waren
van de schoenen tot de heupen, bij wijze van slobkousen, met knoopjes
vastgemaakt. Hij keek over den schouder van den koetsier en was met
zijn gezicht zoo dicht bij mij, dat ik zijn adem tegen mijn achterhoofd
voelde en toen ik mij omwendde om naar hem te kijken, knipoogde hij
heel vertrouwelijk met het oog, dat niet scheel was.
„Hebt gij niet?” vroeg William.
„Of ik wat heb?” zei de vreemdeling achter mij.
„Honderde paarden gefokt in Suffolk?”
„Nu, dat zou ik meenen,” antwoordde de schele heer. „Er is geen
soort van paarden, dat ik niet gefokt heb, en geen soort van honden
ook. Paarden en honden worden door sommige menschen uit liefhebberij
gehouden; maar voor mij zijn ze eten en drinken..... woning, vrouw en
kinderen.... lezen, schrijven en rekenen.... snuif, tabak en slaap.”
„Dat is eigenlijk geen man om achter den bok te zitten, is hij wel?”
fluisterde William mij in, terwijl hij de teugels een weinig aantrok.
„Ja, als gij gaarne hier zoudt willen zitten,” zei ik, „dat is wellicht
beter.” Ik begreep dat deze opmerking den wensch in zich sloot, dat ik
mijn plaats zou afstaan, hetgeen ik met deze woorden blozend deed.
Ik heb dit altijd beschouwd als de eerste misstap in mijn leven. Toen
ik aan het diligencekantoor plaats genomen had, had ik den boekhouder
een halve kroon in de hand gestopt om een plaats op den bok machtig
te worden. Ik had deze plaats ingenomen, gedost in eene bijzonder
lange jas, ten einde mij deze onderscheiding waardig te toonen, ik
had er mij op laten voorstaan en gevoeld dat ik aan de diligence een
zekere deftigheid gaf. En ziet, nog vóór het eerste station, werd ik
verdrongen door een slecht gekleeden, scheelzienden man, wiens eenige
verdienste was, dat hij naar den stal rook en die, terwijl de paarden
in galop waren, meer gelijk een vlieg dan als een menschelijk wezen
langs mij heen stapte!
Een gevoel van wantrouwen in mij zelven, dat mij in mijn leven bij
kleinigheden meermalen heeft vervolgd, vooral dan wanneer het beter
achterwege zou zijn gebleven, werd door dit kleine voorval op de
diligence van Canterbury naar Londen zeker niet in zijne ontwikkeling
gestuit. Het was te vergeefs of ik al mijn toevlucht zocht in eene
grove stem. Mijne stem kwam gedurende het overige gedeelte van de reis
uit het diepst van mijn maag, maar ik voelde mij toch achterafgezet
en vreeselijk jong. Hoe het zij, het was ook een eigenaardig gevoel
daar welopgevoed, goed gekleed, en met volop geld op zak achter die
vier paarden te zitten en te kijken naar de plaatsen, waar ik op
mijn vermoeienden tocht geslapen had. Ik had gelegenheid genoeg om
mij alles voor den geest te brengen, bij elk kenteeken op den weg.
Terwijl ik van mijne verheven plaats neerkeek op de landloopers die
wij voorbijreden, en dezelfde verloopen tronies herkende, voelde ik de
zwarte hand van den ketellapper weder tegen mijne borst. Toen wij door
de nauwe straten van Chatham reden, kon ik een vluchtigen blik werpen
in de steeg, waar dat oude monster woonde, die mijn buis had gekocht,
en strekte ik den hals uit om naar de plek te kijken, waar ik in de zon
en in de schaduw op mijn geld had zitten wachten. En toen wij eindelijk
dicht bij Londen, voorbij Salem House reden, waar mijnheer Creakle mij
zoo menigmaal zijne zware hand had doen voelen, zou ik al wat ik bezat
gegeven hebben voor het verlof, om daar af te stappen, naar binnen te
gaan, hem flink af te ranselen en aan al de jongens de vrijheid te
geven, als aan eene kooi vol musschen. Wij reden naar het Gouden Kruis
bij Charing Cross, in die dagen een herberg van den tweeden rang in
een dichtbevolkte buurt. Een bediende wees mij de koffiekamer en een
kamermeisje bracht mij naar mijn kleine slaapkamertje, waarin een lucht
heerschte als in een muffe huurkoets en het uitzicht zoo vroolijk was
als in een grafkelder. Ik werd—dit ter loops—telkens herinnerd dat ik
nog heel jong was, want niemand scheen eenig ontzag voor mij te hebben:
het kamermeisje toonde zich zelfs onverschillig voor alles wat ik
waagde op te merken en de knecht was familiaar en wilde mij met goeden
raad te hulp komen.
„Wel?” vroeg hij op vertrouwelijken toon, „wat verlangt gij te eten?
Jongeheeren houden gewoonlijk veel van kippen; er zijn hoentjes!”
Ik vertelde hem op eenigszins hoogen toon dat ik geen trek had in
hoentjes.
„Zoo?” vroeg de knecht. „Jongeheeren hebben gewoonlijk genoeg van
ossen- en schapenvleesch; ik heb een kalfskarbonade voor u!”
Ik nam met dit voorstel genoegen omdat ik niets anders wist te bedenken.
„Zijt gij gesteld op aardappelen?” vroeg hij weder met een familiaren
glimlach en het hoofd eenigszins op zijde. „Jongeheeren laten de
aardappelen gewoonlijk staan.”
Ik beval hem met een zoo grof mogelijke stem een kalfskarbonade met
aardappelen en wat daar verder bij behoorde voor mij te bestellen en
tevens aan het buffet te vragen of er ook brieven waren voor Mijnheer
Trotwood Copperfield, hoewel ik zeer goed wist dat er geen konden zijn.
Ik deed echter of ik een heel pak verwachtte.
Hij kwam spoedig terug met het bericht dat er geen waren—ik legde
de grootste verbazing aan den dag—en begon een tafeltje voor mij te
dekken bij den haard. Terwijl hij daarmede bezig was, vroeg hij mij wat
ik drinken zou en op mijn antwoord: „een glas sherry”, achtte hij het,
naar ik vrees, eene gunstige gelegenheid om uit de verschraalde klieken
in eenige karaffen een glasvol voor mij bij elkander te zoeken. Ik kwam
tot dit vermoeden, omdat ik hem, terwijl ik de courant las, achter een
laag, houten beschot bezig zag met den inhoud van verscheiden karaffen
in ééne te gieten, evenals de apothekers en de drogisten doen, wanneer
zij een recept gereed maken. Toen hij mij den wijn gebracht had, vond
ik dien flauw en ongetwijfeld was er meer Engelsch water in dan in een
buitenlandschen wijn verwacht kon worden; ik was echter te bedeesd om
er iets van te zeggen en dronk er twee glazen van ledig.
Eenmaal in eene genoegelijke stemming gekomen, waaruit ik opmaak,
dat een vergiftigings-proces in sommige stadiën niet onaangenaam is,
besloot ik naar de komedie te gaan. Ik koos Covent Garden Theatre
uit en daar woonde ik, achter in een middenloge, de voorstelling bij
van Julius Caesar, gevolgd door de nieuwe Pantomime. Al die edele
Romeinen daar voor mij te zien leven en voor _mijn_ genoegen daar
te zien komen en gaan, in plaats van, zooals op de school, hunne
namen en heldendaden van buiten te moeten leeren, was een nieuw en
ongekend genot voor mij. Maar deze mengeling van werkelijkheid en
geheimzinnigheid, de invloed van de schoone verzen, van de muziek, van
de menschen om mij heen, van de verbazingwekkende snelheid, waarmede
de schitterende decoraties elkander afwisselden, dat alles was zoo
overstelpend en opende mij zulk een onafzienbaren hemel van genot, dat
ik, te ongeveer middernacht op straat in den regen staande, een gevoel
had, alsof ik, na eenige eeuwen achtereen een romantisch leven in de
wolken geleid te hebben, regelrecht was neergedaald in een joelende,
plassende, modderige, ellendige wereld, vol natte parapluies, klotsende
klompen en tegen elkander botsende huurkoetsen.
Ik was door een andere deur buiten gekomen en bleef eenigen tijd
op straat staan, alsof ik werkelijk een vreemdeling op de aarde
was; maar de menigte stooten en duwen, die mij onophoudelijk werden
toegediend, riepen mij spoedig tot de werkelijkheid terug en deden mij
den weg inslaan naar mijn logement, waar ik, na met oesters en porter
gesoupeerd te hebben, tot over éénen in de koffiekamer bij den haard
bleef zitten en al het genotene in stilte overdacht.
Ik was zoo vervuld van het spel en van mijn verleden—want het geheele
tooneel leek mij een chassinet toe, waarin ik al de episodes uit mijn
vroegere leven zag voorbijtrekken—dat ik niet weet, wanneer een zeker
net gekleed, slank gebouwd jongmensch, dien ik zeer goed kende, de
kamer was binnengetreden. Ik herinner mij echter, dat ik nog steeds
bleef zitten peinzen, nadat ik zijne tegenwoordigheid reeds had
opgemerkt.
Eindelijk stond ik op om naar bed te gaan, tot groote verlichting van
den slaperigen bediende, die kramp in zijne beenen scheen te hebben,
want hij wreef en sloeg en wrong ze in allerlei bochten in zijn nauw
hokje. Naar de deur gaande, kwam ik voorbij den persoon, die juist was
binnengekomen. Ik keek hem aan, keerde terug, keek hem nogmaals aan;
maar hij herkende mij niet, terwijl ik terstond zag, wie hij was.
In andere omstandigheden zou ik den moed en het zelfvertrouwen gemist
hebben, om hem aan te spreken en dit uitgesteld hebben tot den
volgenden dag; maar in de stemming, waarin de tooneelvoorstelling mij
had gebracht, meende ik hem zooveel verschuldigd te zijn voor de mij
vroeger verleende bescherming en kwam het oude gevoel van vriendschap
met zooveel frissche kracht naar boven, dat ik met een bonzend hart op
hem toeliep en zeide:
„Steerforth! Wilt gij mij niet meer kennen?”
Hij keek mij aan, zooals hij vroeger ook zoo dikwijls kijken kon, maar
ik zag niet, dat hij mij herkende.
„Ik vrees dat gij u mij niet herinneren zult”, hernam ik.
„Groote goden!” riep hij eensklaps uit. „Het is de kleine Copperfield!”
Ik nam zijne beide handen in de mijne en kon ze in het eerste oogenblik
niet los laten. Had ik mij niet geschaamd en bovendien gevreesd dat het
hem zou mishagen, dan ware ik hem om den hals gevallen en in tranen
uitgebarsten.
„Ik ben nooit, nooit, nooit zoo blij geweest. O, beste Steerforth, het
doet mij zoo'n genoegen u te zien!”
„En mij doet het ook genoegen u te zien!” riep hij met een hartelijken
handdruk. „Kom, kom, Copperfield, oude jongen, maak je niet zoo van
streek!” En toch was hij, naar ik meende, blij te zien dat de vreugde
over deze ontmoeting mij zoo aandeed.
Ik veegde de tranen af, die mij, in weerwil van mijn innerlijk verzet,
in de oogen waren gesprongen, deed mijn best om te lachen en daar zaten
wij.... vlak naast elkander.
„En hoe komt gij zoo hier?” vroeg Steerforth, terwijl hij mij
vertrouwelijk op den schouder klopte.
„Ik ben hier vandaag aangekomen met de diligence van Canterbury. Ik ben
door een tante, die daar in de buurt woont, als kind aangenomen en heb
mijne opvoeding daar voltooid. En wat komt gij hier doen, Steerforth?”
„Wel, ik ben een Oxforder, zooals men de studenten daar noemt”,
antwoordde hij, „dat wil zeggen, ik ga mij daar geregeld een gedeelte
van het jaar vervelen en ben nu op weg naar huis. Gij zijt een
duiv....aardige jongen geworden, Copperfield. Gij zijt niets veranderd,
nu ik u goed aankijk.”
„Ik herkende u dadelijk”, zei ik, „maar gij zijt ook gemakkelijker te
herkennen.”
Hij lachte, terwijl hij met de hand door zijne krullende haren streek,
en zei op schertsenden toon:
„Ik ga een plicht vervullen. Mijne moeder woont op eenigen afstand van
de stad en aangezien de wegen zoo vreeselijk modderig zijn en het thuis
nog al eentonig is, blijf ik van nacht hier. Ik ben nog geen zes uur in
de stad en heb bijna al dien tijd in de komedie zitten dutten.”
„Ik ben ook in de komedie geweest”, viel ik in. „In Covent Garden. Wat
is dat prachtig, Steerforth!”
„Beste David!” zei Steerforth, hartelijk lachend en mij nogmaals op
den schouder kloppend, „beste David, wat zijt gij toch nog groen! Het
gras kan, zelfs bij zonsopgang niet groener zijn dan gij! Ik ben ook in
Covent Garden geweest, maar ellendiger spel heb ik nooit gezien! ......
Heila, Jan!”
De bediende, die met de grootste belangstelling onze ontmoeting op een
afstand had gadegeslagen, kwam nu eerbiedig nader.
„Waar hebt gij mijn vriend mijnheer Copperfield, gestopt?” vroeg
Steerforth.
„Wat blieft u, mijnheer?”
„Welke kamer heeft mijnheer? Welk nummer? Gij weet wel wat ik bedoel?”
zei Steerforth.
„Jawel, mijnheer,” antwoordde de bediende, op verontschuldigenden
toon: „Mijnheer Copperfield heeft op het oogenblik vier-en-veertig,
mijnheer.”
„Hoe, duivel, komt het in je op, mijnheer Copperfield boven een stal op
een zolderkamertje te logeeren!” hernam Steerforth.
„Wij wisten niet,” antwoordde de bediende, zich nog steeds
verontschuldigend, „dat mijnheer Copperfield een vriend van u was. Wij
kunnen mijnheer Copperfield twee-en-zeventig geven, mijnheer, indien
mijnheer dat verkiest. Naast u, mijnheer.”
„Natuurlijk verkiest mijnheer Copperfield dat,” hernam Steerforth.
„Breng de kamer onmiddellijk in orde!”
De bediende verdween terstond om de verwisseling te bewerkstelligen.
Steerforth lachte hartelijk om mijn eenvoud, omdat ik mij met no.
44 had laten tevreden stellen, klopte mij nogmaals op den schouder
en noodigde mij uit om den volgenden morgen te tien uur met hem te
ontbijten—eene uitnoodiging, waarop ik maar al te trotsch was en die
ik stralend van blijdschap aannam. Het was intusschen laat geworden,
zoodat wij onze kandelaars opnamen en naar boven gingen. Voor de deur
van Steerforth's kamer namen wij hartelijk afscheid en toen ik no. 72
binnentrad, zag ik terstond dat deze veel beter was dan die, waarmede
men mij had afgescheept; het rook er volstrekt niet duf en er stond
een ledikant, ongeveer zoo groot als een klein landgoed. Tusschen een
aantal kussens, waaraan zes personen genoeg zouden hebben gehad, sliep
ik spoedig in en droomde van het oude Rome, van Steerforth en van
vriendschap, tot het geratel van de diligences onder de poort mij in
het rijk van den dondergod verplaatste.