XVI.

Ik word een andere jongen in meer dan één opzicht.

Den volgenden morgen na het ontbijt begon ik mijn schoolleven opnieuw.

Mijnheer Wickfield bracht mij naar de plaats, waar ik mijne afgebroken

studiën zou voortzetten—een deftig gebouw met een grooten tuin. Er lag

een waas van geleerdheid over verspreid, dat zeer wel overeenkwam met

de enkele verdwaalde kraaien en kauwen, die van de domkerk naar beneden

kwamen en in alle deftigheid over het voorplein stapten.

Mijn nieuwe meester, doctor Strong, zag er, naar mijn oordeel, even

oud uit als de hooge ijzeren tralies van het hek, dat wij waren

doorgekomen, en even stijf en log als de groote steenen vazen, die op

regelmatige afstanden op den steenen muur waren geplaatst, bij wijze

van een reusachtig kegelspel om den Tijd mede te laten spelen. Hij zat

in zijne bibliotheek—ik bedoel doctor Strong—met slecht afgeborstelde

kleeren en slecht gekamde haren; de gespen van zijne korte broek waren

niet dichtgehaald, en de knoopjes van zijne lange, zwarte slobkousen

niet toegemaakt, terwijl zijne schoenen op het haardkleedje stonden.

Hij keek mij aan met een paar oogen, waaruit alle glans scheen

verdwenen en die mij herinnerden aan een oud, blind paard, dat op

het kerkhof te Blunderstone het gras tusschen de graven placht af te

vreten; hij zei blijde te zijn mij te zien, en toen hij mij eene hand

gaf, wist ik niet wat ik er mede moest doen, want de zijne deed ook

niets.

Niet ver van hem af zat een mooie jonge dame, die hij Annie noemde—ik

vermoedde dat zij zijne dochter was. Zij hielp hem uit de verlegenheid

door voor hem neer te knielen en hem handig en vlug zijne laarzen aan

te trekken en zijne slobkousen vast te knoopen. Toen zij er mede gereed

was en wij naar de schoolzaal gingen, was ik ten hoogste verbaasd

mijnheer Wickfield te hooren zeggen: „Goeden morgen, mevrouw Strong” en

ik meende nog te moeten aannemen, dat zij eene schoondochter van doctor

Strong was, toen deze mij onwillekeurig inlichtte.

„A propos, Wickfield,” zei hij, terwijl hij in de gang bleef staan met

de hand op mijn schouder, „hebt gij nu nog niets gevonden voor dien

neef van mijne vrouw?”

„Neen,” antwoordde mijnheer Wickfield. „Neen, nog niet.”

„Ik verlang zeer dat er een einde aan komt, Wickfield,” hernam doctor

Strong, „want Jack Maldon is zoo arm als een kerkrot en bovendien lui,

twee eigenschappen, die zelden tot iets goeds leiden. Wat zegt doctor

Watts ook weer?” voegde hij er bij, terwijl hij mij aankeek en op de

maat van den aangehaalden versregel met het hoofd knikte. „‚De duivel

vindt altijd iets te doen voor ledige handen.’”

„Nu, doctor,” antwoordde mijnheer Wickfield, „indien doctor Watts de

wereld goed gekend had, zou hij er met even veel recht hebben kunnen

bijvoegen: ‚de Duivel vindt voor werkzame handen altijd wat te doen.’

O, de werkzame menschen stichten zooveel kwaad, wees daarvan verzekerd.

Hoeveel kwaad is er niet gesticht door de menschen, die in de laatste

tweehonderd jaren tot macht en aanzien zijn weten te komen!”

„Jack Maldon zal nimmer tot macht en aanzien komen, dat is zeker,” zei

doctor Strong, nadenkend zijne kin wrijvend. „Daartoe is hij te lui.”

„Vermoedelijk niet,” hernam mijnheer Wickfield, „en daarmede herinnert

gij mij aan de vraag, die tot dit gesprek heeft aanleiding gegeven.

Neen, ik heb nog geen plaatsing kunnen vinden voor Jack Maldon.

Ik geloof,” voegde hij er na eenige aarzeling bij, „dat ik uwe

beweegredenen doorzie en dat maakt de zaak moeilijker voor mij.”

„Mijne beweegredenen,” antwoordde doctor Strong, „is eene fatsoenlijke

betrekking te vinden voor een neef en oud-speelmakker van Annie.”

„Ja, dat weet ik,” zei mijnheer Wickfield, „hier of buitenslands.”

„Ja, zeker, hier of buitenslands.” Doctor Strong scheen een weinig

verbaasd over den nadruk, dien mijnheer Wickfield op deze woorden legde.

„Dat zijn uw eigen woorden, zooals gij u wel zult herinneren.”

„Zeker, zeker.... het een of het ander.”

„Het een of het ander? Geen voorkeur?” vroeg mijnheer Wickfield.

„Neen.”

„Geen?” herhaalde mijnheer Wickfield verbaasd.

„Niet de minste.”

„Geen beweegredenen om liever buitenslands dan hier eene betrekking

voor hem te wenschen?”

„Neen,” herhaalde de doctor.

„Ik moet u wel gelooven en daarom doe ik het ook,” zei mijnheer

Wickfield. „Het zou mijne opdracht zeer veel gemakkelijker hebben

gemaakt, als ik het te voren geweten had. Ik beken echter een anderen

indruk gekregen te hebben.”

Doctor Strong keek hem verlegen en verbaasd aan, maar in het volgend

oogenblik zag ik weder een glimlach om zijn mond, hetgeen voor mij een

bemoedigend gezicht was, want ik mocht daaruit besluiten, dat hij

een goedhartig en zachtaardig karakter had. Bovendien lag er zooveel

eenvoud in zijne geheele wijze van doen, als hij voor een oogenblik

zijne geleerdheid vergeten had; voor een jeugdigen leerling, zooals ik,

voorwaar, een verblijdend en aanmoedigend gezicht. Nog eens herhalende

„neen” en „niet de minste” en dergelijke korte verzekeringen was doctor

Strong ons voorgegaan in een wonderlijken, onregelmatigen pas. Mijnheer

Wickfield keek heel ernstig en schudde, zooals ik opmerkte, eenige

malen het hoofd, zonder te weten, dat ik hem gadesloeg.

De schoolzaal was een vrij groot vertrek aan de stilste zijde van

het huis, met het uitzicht op een half dozijn van de groote vazen en

met een kijkje op den particulieren tuin van den doctor, waarin de

perziken tegen den zuidelijken muur reeds rijp waren. Op het gras voor

de vensters stonden twee aloë's in groote tobben en sedert zijn de

groote bladeren van deze plant, die er uitzien alsof ze van geschilderd

blik gemaakt zijn, voor mij het symbool van stilte en afzondering. Toen

wij binnen kwamen, zaten er een vijfentwintigtal jongens over hunne

boeken gebogen, maar zij stonden op om den doctor goeden morgen te

wenschen en bleven staan, toen zij mijnheer Wickfield en mij zagen.

„Een nieuwe jongen, jongelui!” zei de doctor, „Trotwood Copperfield

heet hij.”

Zekere Adams, de hoogste van de school, kwam van zijne plaats om

mij welkom te heeten. Hij zag er uit als een jonge dominee met zijn

witte das, maar hij was heel vriendelijk en opgeruimd, wees mij

mijne plaats en stelde mij aan de meesters voor op een wijze, die

mij zeer zeker op mijn gemak zou hebben gebracht, indien iets dit

had kunnen doen. Het kwam mij echter zoo lang geleden voor sinds ik

met dergelijke jongens van mijn eigen leeftijd had omgegaan—behalve

met Mick Walker en den „melige”—dat ik mij zoo vreemd voelde als ik

mij ooit ergens gevoeld heb. Ik was nog zoo vol van de tooneelen,

waarvan zij zich geen denkbeeld konden vormen, en mij zoo bewust van

de ondervinding, die ik had opgedaan en die nog zoo vreemd moest zijn

aan iemand van mijn leeftijd, voorkomen en stand, dat ik het bijna

bedrog achtte daar als een gewone schooljongen aan te komen. Ik had in

den tijd, dien ik bij Murdstone en Grinby had doorgebracht—het moge

dan lang of kort zijn geweest—alle spelen en gewoonten van jongens

van mijn leeftijd verleerd, zoodat ik achterlijk was in de meest

alledaagsche dingen en den indruk maakte van lomp en onhandig te

zijn. Hetgeen ik ooit geleerd had was verloren gegaan in dien tijd

vol beslommeringen van de laagste soort; toen men mij aan een klein

examen onderwierp, wist ik niets meer, zoodat ik in de laagste klasse

geplaatst werd. Maar hoe mij mijne weinige bedrevenheid en geleerdheid

ook kwelde, de gedachte, dat hetgeen ik wel wist mij veel verder

afbracht van mijne kameraden dan hetgeen ik niet wist, griefde mij

oneindig meer. Ik vroeg mij zelven af wat zij wel van mij zouden

denken als zij eens wisten hoe gemeenzaam ik was met de King's Bench

gevangenis. Zou er niets aan mij te zien zijn dat mijn omgang met de

familie Micawber verried—al die wandelingen naar het pandjeshuis, al

dat geschacher en die soupeetjes tegen wil en dank? Als een van de

jongens mij eens door Canterbury had zien loopen, half kreupel en

zonder kleederen en—mij herkende. Wat zouden zij wel zeggen, zij,

die zoo weinig om geld gaven, als zij eens wisten, hoe ik mijn halve

stuivers had samengeschraapt, om dagelijks een stuk worst en een glas

bier of een snee podding te kunnen koopen! Wat zouden zij ontstellen,

zij, die niets van Londen en Londen's straten kenden, als zij ontdekten

hoe bekend ik was—ik schaamde mij daarover—met de gemeenste buurten!

Dit alles ging mij dezen eersten dag op de school van doctor Strong

meermalen door het hoofd; ik wantrouwde den onbeduidendsten blik, de

geringste beweging; kromp bijna ineen van schrik, telkens wanneer een

van mijne nieuwe schoolmakkers mij naderde, en snelde heen, zoodra de

schooltijd om was, uit vrees dat ik een antwoord zou moeten geven op

een of andere vriendelijke toespraak.

Het oude huis van mijnheer Wickfield oefende echter zulk een invloed op

mij, dat, toen ik den koperen klopper deed overgaan met mijne nieuwe

schoolboeken onder den arm, elk gevoel van onrust verdween. Het scheen

wel dat, toen ik naar mijn aardig, ouderwetsch kamertje ging, de

schaduwen van de breede trap ook op mijn angsten en twijfelingen vielen

en het verleden mij daardoor minder duidelijk voor den geest stond.

Ik bleef daar ijverig in mijne boeken lezen tot etenstijd—de school

duurde tot drie uur—en ging toen naar beneden, vervuld met de blijde

hoop, dat er toch nog wel een betamelijken jongen van mij zou kunnen

groeien.

Agnes zat in de ontvangkamer op haar vader te wachten, die nog iemand

bij zich op het kantoor had. Zij ontving mij met een allerliefsten

glimlach en vroeg mij hoe de school mij bevallen was. Ik antwoordde,

dat de school mij langzamerhand wel zou bevallen, maar dat ik er mij

voorloopig nog vreemd voelde.

„Gij zijt nooit op school geweest, nietwaar?” vroeg ik.

„O, zeker! Altijd!”

„Zoo, maar gij krijgt zeker les in huis?”

„Papa wilde mij niet missen,” antwoordde zij glimlachend. „Zijn

huishoudstertje moet altijd thuis zijn, begrijpt gij?”

„Hij houdt veel van u; dat heb ik reeds opgemerkt,” zei ik.

Zij knikte en ging naar de deur om te luisteren of hij nog niet kwam,

ten einde hem op de trap te gemoet te gaan. Maar hij kwam nog niet en

daarom ging zij weer zitten.

„Mama is reeds gestorven toen ik nog heel klein was,” vertelde zij op

hare eigenaardige, kalme wijze. „Ik ken haar alleen van het portret,

dat beneden hangt. Gisteren zag ik dat gij er naar keekt. Begreept gij

wie het was?”

„Ja,” zei ik, „want het lijkt sprekend op u.”

„Dat zegt papa ook,” zei Agnes met een tevreden lachje. „Luister....

daar komt papa de trap op.”

Haar lief, vroolijk gezichtje straalde van blijdschap, toen zij hem

te gemoet liep en zij, hand aan hand, de kamer binnenkwamen. Mijnheer

Wickfield groette mij vriendelijk en zei, dat ik het zeker heel prettig

zou vinden op school, want doctor Strong was een van de beste menschen,

die hij kende.

„Misschien zijn er wel menschen.... ik weet niet of er zijn.... die

misbruik maken van zijne goedheid,” vervolgde mijnheer Wickfield. „Doe

daar nooit aan mede, Trotwood, in geen enkel opzicht. Hij kent geen

achterdocht en dit moge een deugd of een gebrek zijn, als men met

doctor Strong in aanraking komt, hetzij in kleine of in groote zaken,

moet men deze omstandigheid in aanmerking nemen.”

Hij sprak, naar het mij voorkwam, of hij vermoeid of over het een of

ander ontevreden was; maar ik had geen tijd om mij verder daarin te

verdiepen, want het middagmaal was gereed, zoodat wij naar beneden

gingen en op dezelfde wijze plaats namen als den vorigen dag.

Nauwelijks waren wij begonnen, of Uriah Heep stak zijn rood hoofd en

zijne lange, slappe hand door de deur en zeide:

„Daar is mijnheer Maldon, die u een oogenblik wenscht te spreken,

mijnheer.”

„Mijnheer Maldon is juist heengegaan,” zei mijnheer Wickfield.

„Ja, mijnheer,” antwoordde Uriah, „maar mijnheer Maldon is

teruggekomen, en heeft u slechts een paar woorden te zeggen.”

Terwijl hij daar in de deur stond, keek Uriah naar mij, naar Agnes,

naar de schotels, naar alles wat in de kamer was; zoo kwam het mij

tenminste voor—en toch scheen hij naar niets te kijken; zoolang hij

daar stond, maakte hij dezen indruk, terwijl hij zijne bruine oogen

eerbiedig op zijn meester gevestigd hield.

„Neem mij niet kwalijk; ik wilde u alleen maar zeggen dat ik mij reeds

bedacht heb,” klonk eene stem achter Uriah, waarna het roode hoofd

moest plaats maken voor een ander.—„Ik vraag verschooning voor mijn

indringen,—het schijnt wel, dat mij geen andere keus overblijft: hoe

eerder ik dus heenga, hoe beter. Mijn nichtje Annie zei, toen ik er

haar over sprak, dat zij hare vrienden liever in hare nabijheid heeft

dan verbannen, en de oude doctor——”

„Bedoelt gij doctor Strong?” viel mijnheer Wickfield hem op ernstigen

toon in de rede.

„Natuurlijk bedoel ik doctor Strong,” antwoordde de stem. „Ik noem hem

altijd ‚de oude doctor’, dat is hetzelfde, begrijpt gij wel?”

„Ik begrijp het niet,” antwoordde mijnheer Wickfield.

„Welnu dan, doctor Strong dacht er evenzoo over, meen ik. Maar nu mij

uit den loop, dien ons gesprek genomen heeft, gebleken is, dat hij van

opinie veranderd schijnt te zijn, wel, dan is het maar beter dat ik zoo

spoedig mogelijk vertrek. Ik kwam terug om u dat te zeggen. Als men

toch in het water wil springen, waarom zal men dan nog langs den kant

gaan slenteren?”

„Wij zullen zorg dragen, dat gij niet lang behoeft te slenteren,

mijnheer Maldon, reken daarop,” zei mijnheer Wickfield.

„Wel bedankt,” antwoordde de ander. „Zeer verplicht. Het is niet

beleefd een gegeven paard in den bek te zien, maar dit durf ik wel

zeggen, mijn nichtje Annie had het heel anders kunnen regelen. Ik

onderstel dat zij maar tot den ouden doctor had behoeven te zeggen....”

„Gij bedoelt, dat mevrouw Strong slechts tot haar echtgenoot had

behoeven te zeggen.... begrijp ik u zoo goed?” zei mijnheer Wickfield.

„Volkomen,” antwoordde de ander,—„had slechts behoeven te zeggen, dat

zij dit of dat zus of zoo hebben wilde, en het zou zus of zoo geweest

zijn, dat spreekt van zelf.”

„En waarom spreekt dat van zelf, mijnheer Maldon?” vroeg mijnheer

Wickfield, die intusschen kalm doorat.

„Wel, omdat Annie een bekoorlijk jong vrouwtje is, en de oude

doctor—ik bedoel doctor Strong—is volstrekt geen bekoorlijke jonge

man,” antwoordde Jack Maldon lachend. „Ik wil volstrekt niemand

kwetsen, mijnheer Wickfield; ik bedoel alleen, dat in dergelijke

huwelijken eenige schadeloosstelling niet meer dan billijk is.”

„Schadeloosstelling aan eene dame, mijnheer?” vroeg mijnheer Wickfield

op denzelfden ernstigen toon als zoo straks.

„Ja, aan de dame, mijnheer,” antwoordde Jack Maldon nog altijd lachend.

Hij merkte echter op, dat mijnheer Wickfield op dezelfde kalme wijze

met zijn middagmaal voortging en er niet de minste kans bestond om hem

ook maar een spier van zijn onverstoorbaar gelaat te doen vertrekken,

waarom hij er bijvoegde: „Ziezoo, nu heb ik gezegd, waarom ik terugkwam

en vraag nogmaals verschooning voor mijn indringen. Ik ga heen en zal

natuurlijk uw raad opvolgen en deze zaak beschouwen als geheel alleen

tusschen u en mij besproken en er dus bij den doctor over zwijgen.”

„Hebt gij al gegeten?” vroeg mijnheer Wickfield met eene uitnoodigende

beweging zijner hand.

„Dank u, ik ga eten bij mijn nichtje Annie,” zei mijnheer Maldon.

„Goeden middag.”

Zonder op te staan, keek mijnheer Wickfield den vertrekkende peinzend

na. In weerwil van zijn knap uiterlijk, zijne gladde tong en zijne

ongedwongen manieren scheen die mijnheer Jack Maldon mij toch een

oppervlakkig jongmensch toe. Ik had niet verwacht hem zoo spoedig te

zullen zien, toen ik 's morgens doctor Strong zijn naam hoorde noemen.

Toen het middagmaal was afgeloopen, gingen wij naar boven en zag ik de

herhaling van hetgeen ik den vorigen avond had bijgewoond. Agnes zette

de glazen en de karaf in hetzelfde hoekje en mijnheer Wickfield ging

er bij zitten en dronk weder tamelijk veel. Agnes speelde piano voor

hem, zat bij hem te werken en te praten en speelde met mij een paar

spelletjes domino. Toen het tijd was, schonk zij thee en later, toen

ik met mijne boeken beneden kwam, keek zij er eens in en wees mij aan,

wat zij er van kende—zij voegde er bij, dat het weinig was, maar ik

was dat volstrekt niet met haar eens—en vertelde mij wat de beste en

gemakkelijkste wijze was, om ze te leeren begrijpen. Ik zie haar nog

met haar lief gezichtje en hare kalme, bescheiden manieren; ik hoor

nog hare mooie, welluidende stem, terwijl ik dit schrijf. De invloed

ten goede, dien zij in lateren tijd op mij oefende, doet zich weder

gevoelen. Ik heb kleine Emily lief en Agnes niet—neen, volstrekt niet

op dezelfde wijze—maar ik voel, dat waar Agnes is, daar is zachtheid,

waarheid en vrede; het zachte, getemperde licht van het geschilderde

venster, dat ik ergens gezien heb, lang geleden, ligt altijd over haar

verspreid en beschijnt ook mij en alles, waarmede zij in aanraking komt.

Toen het tijd was voor haar om naar bed te gaan en zij ons verlaten

had, gaf ik mijnheer Wickfield eene hand en maakte mij ook gereed om

mijn kamertje op te zoeken. Hij hield mij echter terug en vroeg: „Zoudt

gij gaarne bij ons blijven, Trotwood, of liever elders heengaan?”

„Blijven,” antwoordde ik haastig.

„Zijt gij daar zeker van?”

„O, ja.... als ik mag!”

„Het is hier anders een eentonig leven, mijn jongen.”

„Voor mij toch niet eentoniger dan voor Agnes, mijnheer. Volstrekt

niet vervelend.”

„Dan voor Agnes,” herhaalde hij, langzaam naar den grooten

schoorsteenmantel wandelend. „Dan voor Agnes!”

Hij had dien avond, naar het mij voorkwam, veel wijn gedronken, want

zijne oogen waren met bloed doorloopen. Op dit oogenblik, terwijl hij

daar tegen den schoorsteen geleund stond, kon ik ze niet zien, want hij

hield ze half dicht en bedekte ze met de hand; maar ik had het te voren

reeds opgemerkt.

„Het zal mij verwonderen,” mompelde hij binnensmonds, „of Agnes mij

niet moede zal worden. Maar hoe zou ik ooit Agnes moede worden! Maar,

enfin, dat is ook heel wat anders..... heel wat anders.”

Hij sprak in zich zelven—niet tegen mij; ik bewaarde dus het

stilzwijgen.

„Een vervelend ouderwetsch huis,” zei hij, „en een eentonig leven; maar

ik moet haar altijd bij mij hebben. Ik moet haar dicht bij mij houden.

Wanneer de gedachte, dat ik sterven kan en mijn lieveling alleen

achterlaten, of dat zij sterven kan en mij achterlaten als een spook

voor mij oprijst, kan ik die alleen verdrijven door....” Hij sprak het

woord niet uit, maar wandelde langzaam naar zijne plaats terug, nam

werktuigelijk de ledige karaf op en deed alsof hij zijn glas volschonk,

waarna hij weder even langzaam naar den schoorsteen terugwandelde.

„Het is al zoo zwaar te dragen, wanneer zij bij mij is,” mompelde hij

weder, „hoe zou het dan zijn, wanneer zij was heengegaan? Neen, neen,

dat zou ik niet uithouden.”

Hij stond daar zoo lang te peinzen bij den schoorsteen, dat ik niet

wist of ik hem uit dien staat van halve verdooving zou wekken door heen

te gaan, of zou blijven zwijgen tot hij er van zelf uit zou ontwaken.

Eindelijk werd hij wakker en keek de kamer rond, tot zijn oog op mij

viel.

„Blijf bij ons, Trotwood, hoor,” zei hij, op een toon alsof hij

antwoord gaf op iets, dat ik juist had gezegd.

„Het zal mij veel genoegen doen. Gij kunt ons beiden gezelschap houden.

Het is aangenaam voor mij u bij ons te hebben, het is ook aangenaam

voor Agnes en wellicht voor ons alle drie.”

„Voor mij is het zeker aangenaam,” zei ik. „Ik ben heel blijde, dat gij

mij bij u wilt houden.”

„Gij zijt een beste jongen,” antwoordde hij, „en zoo lang gij gaarne

bij ons blijft, moogt gij dat ook.” Hij schudde mij de hand, klopte

mij op den rug en zei dat, als ik 's avonds, wanneer Agnes naar bed

was, nog wat wilde lezen of iets anders doen, ik dan in zijn kamer kon

komen zitten, als hij thuis was en ik gaarne gezelschap wilde hebben.

Ik bedankte hem voor dit vriendelijk aanbod en toen hij een oogenblik

later naar beneden ging, volgde ik hem met een boek, ten einde reeds

dadelijk van zijne toestemming gebruik te maken. Ik zag echter licht

in het kleine ronde kantoortje en voelde mij onmiddellijk aangetrokken

tot Uriah Heep, die eene zekere toovermacht op mij oefende, en ging er

binnen. Uriah zat met zulk een ingespannen aandacht in een groot, dik

boek te lezen, dat zijn lange wijsvinger de regels volgde, terwijl hij

las, en kleverige afdruksels achterliet op het papier, alsof er een

slak over geloopen had.

„Gij werkt nog laat,” zei ik binnenkomende.

„Ja, jongeheer Copperfield, dat moet ik ook,” antwoordde hij.

Terwijl ik op een hoogen kantoorstoel tegenover hem plaats nam, ten

einde meer op mijn gemak met hem te kunnen praten, merkte ik op, dat

hij eigenlijk niet kon glimlachen, maar alleen zijn mond breeder

maakte, zoodat er zich aan weerszijden twee plooien in zijne wangen

vertoonden.

„Ik doe nu geen kantoorwerk, jongeheer Copperfield,” zei Uriah.

„Wat doet gij dan?” vroeg ik.

„Ik ben bezig mij een weinig in de rechtsgeleerdheid te bekwamen,

jongeheer Copperfield,” antwoordde hij. „Ik lees nu in ‚Tidd's

Practice’. Die Tidd moet een geleerd man zijn geweest, jongeheer

Copperfield!”

Van mijne hooge zitplaats af had ik de beste gelegenheid om hem

aandachtig gade te slaan, toen hij na dezen geestdriftigen uitroep

weder begon te lezen en zijn wijsvinger de regels liet volgen; ik

merkte toen op, dat zijne dunne, scherpe neusvleugels zich regelmatig

uitzetten en samentrokken, hetgeen het onaangename en afstootende

in zijn uiterlijk nog verhoogde. Ook merkte ik op, dat er in zijne

neusvleugels even veel en even lange gleufjes of kloofjes waren en dat

de beweging, die hij er mede deed, waarschijnlijk het knipoogen van

andere menschen verving, want zijne oogen bleven altijd wijd geopend.

„Gij zult zeker wel spoedig een knap rechtsgeleerde zijn?” vroeg ik, na

hem eenigen tijd te hebben gadegeslagen.

„Maar, jongeheer Copperfield!” riep hij. „O, neen, daarvoor ben ik veel

te nederig.”

Hetgeen ik omtrent zijne handen had opgemerkt, was geen verbeelding,

dat zag ik nu; want hij wreef telkens de binnenvlakken tegen elkander,

alsof hij ze droog en warm wilde wrijven en ook veegde hij ze meermalen

heimelijk met zijn zakdoek af.

„O, ik weet, dat ik de nederigste persoon van de wereld ben,” zei Uriah

zoo bescheiden mogelijk, „laat de ander wezen, wie hij wil. Mijne

moeder is ook heel nederig. Wij hebben eene nederige woning, jongeheer

Copperfield, maar zijn uiterst dankbaar. Mijn vader had ook een nederig

beroep; hij was doodgraver.”

„En wat is hij nu?” vroeg ik.

„Hij is nu deelgenoot van de heerlijkheid Gods, jongeheer Copperfield,”

antwoordde hij. „Wij hebben echter veel reden tot dankbaarheid. Hoe

dankbaar moet ik niet zijn, dat mijnheer Wickfield mij wel bij zich op

het kantoor heeft willen nemen!”

Ik vroeg of hij al lang bij mijnheer Wickfield was. „Ik ben reeds

vier jaar bij mijnheer Wickfield,” zei hij, terwijl hij het dikke boek

sloot na zorgvuldig te hebben aangeteekend, waar hij gebleven was. „Een

jaar na mijns vaders dood kwam ik bij mijnheer Wickfield. Ik ben er

zoo dankbaar voor. Hoe dankbaar moet ik mijnheer Wickfield niet zijn,

dat hij een contract met mij heeft willen sluiten; mijne moeder en ik

hadden gedacht, dat wij daarvoor veel te nederig zouden zijn.”

„Wanneer uw contract is afgeloopen, wordt gij zeker zelf notaris?”

vroeg ik.

„Zoo God wil, ja, jongeheer Copperfield,” antwoordde Uriah.

„Gij wordt dan misschien wel compagnon van mijnheer Wickfield,” ging

ik voort om hem iets aangenaams te zeggen; „dan lezen wij Wickfield en

Heep, of Heep, voorheen Wickfield.”

„O neen, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij hoofdschuddend,

„daarvoor ben ik veel te nederig.”

Terwijl hij daar zoo zat in al zijne nederigheid, mij met schuinsche

blikken aanstarend, met zijn breeden mond en de plooien in de wangen,

geleek hij sprekend op een van de gezichten aan de uiteinden der balken

aan de buitenzijde van het huis.

„Mijnheer Wickfield is een uitmuntend mensch, jongeheer Copperfield,”

zei Uriah. „Als gij hem wat langer kent zult gij dat ook zeggen, daar

ben ik zeker van; hij is veel beter dan de meeste menschen.”

Ik antwoordde, dat ik daarvan overtuigd was, al kende ik hem nog niet

lang, maar dat hij een vriend was van mijne tante.

„O, zeker, jongeheer Copperfield,” zei Uriah. „Uwe tante is een

allerliefst mensch, jongeheer Copperfield.”

Hij had eene manier om zich te wringen, wanneer hij het noodig vond

iets met geestdrift te zeggen, die mij afkeer inboezemde; mijne

aandacht werd dientengevolge afgetrokken van het compliment, dat hij

mijne tante gemaakt had, en geheel ingenomen door zijne slangachtige

kronkelingen.

„Een allerliefste dame, jongeheer Copperfield,” herhaalde Uriah.

„Zij schijnt een en al bewondering te zijn van jongejuffrouw Agnes,

jongeheer Copperfield.... tenminste ik meen dat opgemerkt te hebben.”

Ik antwoordde stoutweg „Ja,” hoewel ik er niets van had opgemerkt. De

Hemel moge 't mij vergeven!

„Ik hoop dat gij ook in bewondering van haar zijt, jongeheer

Copperfield... o, ik weet zeker dat gij het zijt.”

„Dat moet iedereen wel zijn,” antwoordde ik.

„O, ik dank u, jongeheer Copperfield,” zei Uriah, „voor dit oordeel.

Het is zoo waar! Zoo nederig als ik ben, weet ik dat het waar is! O, ik

dank u, jongeheer Copperfield!”

Hij wrong zich half van zijn stoel in zijne opgewondenheid, en toen hij

er af was begon hij zich gereed te maken om te vertrekken.

„Moeder zal mij wachten,” zei hij op zijn horloge kijkend, waarvan het

glas zoo dof was, dat de wijzers bijna niet waren te onderscheiden,

„en zich misschien ongerust maken; want al zijn wij nederig, jongeheer

Copperfield, wij zijn toch zeer aan elkander gehecht. Als gij ons een

bezoek zoudt willen brengen en een kop thee gebruiken in onze nederige

woning, zou moeder even trotsch op uw gezelschap zijn als ik.”

Ik beloofde hem te zullen komen.

„Dank u, jongeheer Copperfield,” antwoordde Uriah, het dikke boek op

eene plank leggend.

„Ik onderstel, dat gij hier eenigen tijd blijven zult, jongeheer

Copperfield?”

Ik zei, dat ik hier vermoedelijk mijn geheelen schooltijd zou

doorbrengen.

„Zoo, waarlijk!” riep Uriah uit. „Dan zult gij zeker later in de zaak

komen, jongeheer Copperfield!”

Ik gaf te kennen, dat dergelijke plannen nog nooit in mij waren

opgekomen en dat vermoedelijk niemand ooit aan zoo iets had gedacht,

maar Uriah beantwoordde al mijne verzekeringen door telkens op

walgelijk zoeten toon te herhalen: „O, jawel, jongeheer Copperfield,

ik geloof het zeker! O, jawel, jongeheer Copperfield, ik geloof het

zeker!” Toen hij eindelijk gereed was om huiswaarts te gaan, vroeg hij

of hij het licht maar zou uitdraaien en op mijn toestemmend antwoord,

deed hij het oogenblikkelijk. Wij gaven elkander de hand—ik had een

gevoel alsof ik een kikvorsch in de mijne kreeg—en toen opende hij de

deur, die op de straat uitkwam, halverwege, wrong zich door de opening

heen en sloot de deur weder; terwijl hij mij in de duisternis den weg

liet zoeken in huis. Ik kon dien slechts met moeite vinden, na mij

duchtig bezeerd te hebben door een val over zijn stoel. Dit was, naar

ik meen, de naaste aanleiding, waarom ik bijna den geheelen nacht van

hem droomde; zoo, bijvoorbeeld, dat hij met de schuit van baas Peggotty

op zeeroof was uitgegaan, met eene zwarte vlag in de mast, waarop

geschreven stond: „Tidd's Practice”, en dat hij Emily en mij medenam

om ons in de Spaansche golf te verdrinken.

Den volgenden dag voelde ik mij op school reeds wat beter op mijn gemak

en den daarop volgenden dag nog beter: mijne verlegenheid verdween en

was eindelijk geheel geweken, zoodat ik mij na veertien dagen al geheel

thuis voelde onder mijne nieuwe kameraden. Wel was ik nog onhandig

in hunne spelen en achterlijk in het leeren; maar de gewoonte zou

mij wel behendiger maken en door hard te leeren zou ik het verzuimde

wel inhalen. Zoo hoopte ik ten minste. Ik legde mij dus met grooten

ijver toe, zoowel op het spel als op de studie, en werd meer dan eens

geprezen. Het duurde dan ook niet lang of het leven bij Murdstone

en Grinby kwam mij als een droom of een sprookje voor, terwijl mijn

tegenwoordige leven mij zoo gewoon toescheen, alsof ik jaren achtereen

geen ander gekend had.

De school van doctor Strong was uitmuntend en geleek even weinig op

die van mijnheer Creakle als goed op kwaad gelijkt. Alles was er goed

en ordelijk geregeld volgens een gezond systeem; in alle dingen werd

gerekend op het eergevoel en de goede trouw van de jongens; zoolang zij

zich dit niet onwaardig toonden, wisten zij, dat men het bezit van deze

eigenschappen op den voorgrond stelde en dit deed wonderen. Wij voelden

allen, dat wij mede verantwoordelijk waren voor den goeden naam van de

inrichting. Dientengevolge waren wij aan onze school gehecht—ik was

dit ten minste en ik herinner mij uit mijn tijd geen enkelen jongen,

die het niet was—en leerden met den grootsten ijver, ten einde den

naam van de school hoog te houden. Buiten de schooltijden werd ons veel

vrijheid gelaten en konden wij ons met allerlei spelen bezig houden;

maar men prees ons, zooals ik later hoorde, algemeen in de stad en

zelden gaven wij aanleiding tot een minder gunstig oordeel over doctor

Strong of over doctor Strong's scholieren.

Eenige van de oudste scholieren waren bij doctor Strong in den kost

en door hen vernam ik—dus uit de tweede hand—eenige bijzonderheden

van doctor Strong's geschiedenis; zoo o. a. dat hij ongeveer een jaar

geleden getrouwd was met het mooie jonge vrouwtje, dat ik in zijne

studeerkamer had gezien; dat zij geen shilling in de wereld bezat

doch wel eene geheele kolonie van arme bloedverwanten, die er op uit

waren den doctor uit huis en hof te verdrijven, maar—dat hij haar uit

liefde getrouwd had. Ook vernam ik dat de peinzende uitdrukking op het

gelaat van doctor Strong het gevolg was van zijn zoeken naar Grieksche

wortels, hetgeen ik in mijne onschuld en mijne onwetendheid voor eene

botanische liefhebberij van den doctor hield, te meer wijl hij altijd

naar den grond keek op zijne wandelingen; tot ik tot de ontdekking kwam

dat hij wortels van woorden zocht, ten einde een nieuw woordenboek

samen te stellen. Adams, de oudste jongen, die heel ver in de wiskunde

was, had eene berekening gemaakt van den tijd, dien doctor Strong, als

hij op deze wijze voortging, zou noodig hebben om het woordenboek te

voltooien en was tot het besluit gekomen, dat het, gerekend van des

doctors laatsten of twee-en-zestigsten verjaardag, in een duizend zes

honderd negen-en-veertig jaar gereed kon zijn.

De doctor was de afgod van de geheele school en het gehalte van de

jongens moest al zeer slecht geweest zijn, als hij dat niet geweest

was, want hij was de vriendelijkste man, dien men zich bedenken kan;

bovendien was hij zoo eenvoudig en waar, dat zelfs de harten van de

steenen vazen op den muur er door getroffen moesten worden. Wanneer hij

op het voorplein heen en weer wandelde, waar de kraaien en kauwen hem

met het kopje op zijde nastaarden, alsof zij wel wisten, hoeveel beter

zij op de hoogte waren van hetgeen er in de wereld te koop was dan hij,

en een of andere bedelaar kans zag dicht genoeg bij zijne krakende

schoenen te komen om hem een wanhopend verhaal van zijne armoede op te

disschen, was die bedelaar voor de volgende twee dagen weder geholpen.

Dit was zoo bekend in huis, dat de onderwijzers en de oudste jongens

hun best deden, om dien vagebonden den pas af te snijden en uit het

venster springende, hen van het voorplein te verjagen, eer zij hunne

tegenwoordigheid aan den doctor hadden kunnen verraden; somtijds

gebeurde dit op eenige ellen van hem af, zonder dat hij er iets van

bemerkte. Buiten zijn domein en onbeschermd, was hij als een schaap

in handen van de scheerders. Hij zou zijne slobkousen uitgetrokken en

weggegeven hebben. Inderdaad ging er een verhaal onder ons rond—ik

weet volstrekt niet en heb ook nooit geweten wie er de zegsman van was,

maar ik heb er zooveel jaren geloof aan geslagen dat ik overtuigd ben

van de waarheid—dat hij op zekeren kouden winterdag zijne slobkousen

aan eene bedelaarster had gegeven, die daarna in de buurt niet

weinig schandaal verwekte, door met een heel klein kindje, in deze

kleedingstukken gewikkeld, van deur tot deur te gaan; want iedereen

kende doctor Strong's slobkousen, waarvan hij onafscheidelijk was. De

legende zegt, dat hij de eenige persoon was, die ze niet herkende,

toen ze korten tijd later aan de deur van een slecht befaamden

uitdragerswinkel te koop hingen, waar dergelijke zaken in ruil werden

genomen voor jenever; dat hij zelfs meermalen voor dien winkel bleef

staan en ze met een goedkeurenden blik betastte, alsof het fatsoen iets

nieuws voor hem was, iets dat beter was dan die welke hij zelf droeg.

Het was alleraardigst den doctor te zien met zijne jonge vrouw. Er was

iets vaderlijks, iets welwillends in de wijze, waarop hij haar zijne

teederheid toonde, waaruit alleen reeds was op te maken, dat hij een

goedhartig man was. Menigmaal zag ik hen samen wandelen in den tuin bij

de perziken, en somtijds kon ik hen nog nauwkeuriger gadeslaan in de

studeerkamer of de huiskamer. Het scheen mij toe dat zij zeer bezorgd

was voor den doctor en veel van hem hield, ofschoon ik niet geloof, dat

zij veel belang stelde in zijn woordenboek, waarvan de doctor altijd

eenige lijvige brokstukken in zijne zakken of in de voering van zijn

hoed had, die hij haar dan onder het wandelen trachtte uit te leggen.

Ik zag mevrouw Strong dikwijls, zoowel omdat zij een soort van

moederlijke genegenheid voor mij had opgevat dien morgen, toen ik mijne

intrede deed op de school, later altijd heel vriendelijk voor mij was

en veel belang in mij bleef stellen, als omdat zij dol veel hield van

Agnes, bij wie ik haar ook later nog dikwijls ontmoette. Tusschen haar

en mijnheer Wickfield, voor wien zij bang was naar het mij toescheen,

bestond een gedwongen verhouding, die ook door den tijd niet beter

werd. Wanneer zij daar nu en dan een avond doorbracht, deed zijn aanbod

om haar thuis te brengen, haar telkens weder van schrik ineenkrimpen,

en dan snelde zij gewoonlijk ijlings met mij weg. Somtijds, als wij

vroolijk over het plein voor de domkerk wandelden, denkende niemand te

zullen ontmoeten, kwamen wij Jack Maldon tegen, die dan altijd zeer

verrast was ons te zien.

De mama van Mevrouw Strong was eene dame, die ons niet weinig

vermaakte. Zij heette mevrouw Markleham, maar de jongens noemden haar

nooit anders dan „de oude Overste”, omdat zij zulk een kranig, militair

figuur had en zoo behendig hare familieleden tegen den doctor in het

strijdperk wist te brengen. Zij was een klein vrouwtje met tintelende

oogjes en droeg schijnbaar steeds dezelfde muts, opgemaakt met eenige

kunstbloemen en twee kunstkappelletjes, die om de bloemen moesten

fladderen. Onder ons had het bijgeloof wortel geschoten, dat deze muts

in Frankrijk vervaardigd moest zijn en alleen door deze vernuftige

natie kon zijn uitgevonden; maar het eenige, dat ik zeker weet, was,

dat waar mevrouw Markleham zich ook vertoonde de muts ook tegenwoordig

was; dat zij die naar vriendschappelijke samenkomsten meebracht in een

Oostersch mandje; dat de kappelletjes altijd in beweging waren en in de

woning van doctor Strong veeleer nijvere bijtjes geleken, die zich ten

koste van den doctor te goed deden.

Ik had het voorrecht „de oude Overste”—men zal toch niets oneerbiedigs

zoeken in deze benaming—eens te kunnen gadeslaan op zekeren avond, die

onvergetelijk voor mij is gebleven om nog een ander voorval, dat ik zal

vertellen. Het was de avond, waarop de doctor een partijtje gaf naar

aanleiding van Jack Maldon's vertrek naar Indië—hij zou daarheen gaan

als.... ja, dat weet ik niet; mijnheer Wickfield had die zaak in orde

gebracht. Dit feestje viel toevallig samen met den verjaardag van den

doctor. Wij hadden dien dag vacantie gehad, hem 's morgens cadeautjes

gegeven, een toespraak tot hem gehouden bij monde van den oudsten

jongen en „lang zal hij leven” geroepen tot wij heesch waren en bij hem

de waterlanders verschenen. En 's avonds dronken mijnheer Wickfield,

Agnes en ik thee in zijne studeerkamer.

Mijnheer Jack Maldon was er reeds vóór ons. Mevrouw Strong, gekleed in

eene witte japon met kersrood garneersel, zat piano te spelen toen wij

binnenkwamen en Maldon sloeg de bladen om van het muziekstuk. Naar het

mij voorkwam zag zij er niet zoo frisch en bloeiend uit als gewoonlijk;

maar toch was zij mooi, o zoo mooi!

Toen wij hadden plaats genomen, zei de mama van mevrouw Strong: „ik heb

vergeten, doctor, u het compliment van den dag te maken; hoewel, zooals

gij wel begrijpen kunt, mijn gelukwensch meer dan een vorm is. Ik hoop

dat gij dezen dag nog dikwijls zult beleven.”

„Dank u, mevrouw,” zei de doctor.

„Dikwijls, heel, heel dikwijls,” herhaalde de oude Overste. „En niet

alleen ter wille van u zelven, maar ook ter wille van Annie, van Jack

Maldon en van zooveel anderen. Het heugt mij nog, John, alsof het

gisteren gebeurd was, dat ik u als kleine jongen, nog een hoofd kleiner

dan jongeheer David, met Annie achter de bessenstruiken bruid en

bruidegom zag spelen.”

„Maar lieve mama,” zei mevrouw Strong, „laat die herinneringen toch

rusten.”

„Maar, lieve Annie,” antwoordde hare moeder, „wees toch niet dwaas. Als

gij nu nog bloost over zulke dingen, nu gij een oude getrouwde vrouw

zijt, wanneer zult gij dan niet meer blozen?”

„Oud?” riep mijnheer Maldon uit. „Annie oud? Kom!”

„Ja John!” hernam de oude Overste. „Wel degelijk, een oude getrouwde

vrouw. Al is uw nichtje niet oud in jaren—wie heeft ooit beweerd

dat een meisje van twintig jaren oud is!—zij is eene oude getrouwde

vrouw, omdat zij de vrouw is van doctor Strong. Het is heel goed voor

u, John, dat uw nichtje nu de vrouw is van den doctor. Gij hebt in

hem een invloedrijken, welwillenden vriend gevonden, die—dat durf ik

voorspellen—nog welwillender voor u zijn zal dan gij verdient. Ik

aarzel nooit te bekennen dat sommige leden van onze familie zulk een

vriend behoeven. Gij zelf behoordet onder hen, eer uwe nicht u door

haar invloed zulk een vriend bezorgde.”

Doctor Strong gaf in zijne goedhartigheid een teeken met de hand, als

wilde hij zeggen, dat hetgeen hij voor Jack Maldon gedaan had niets

beteekende en hij hem de herinnering daaraan wilde besparen. Mevrouw

Markleham verwisselde echter van zitplaats en ging naast den doctor

zitten, legde de hand, waarin zij haar waaier had, op zijn arm en zei:

„Neen, beste doctor, waarlijk, gij moet mij toestaan daarover nog eens

uit te weiden, want het heeft mij zoo diep getroffen. Ik denk er steeds

aan en moet er altijd over spreken; het wordt eene manie bij mij. Gij

zijt onze reddende engel geweest, begrijpt gij?”

„Dwaasheid, dwaasheid,” zei de doctor.

„Neen, neen, ik vraag wel excuus;” ging de oude Overste voort. „Nu hier

niemand tegenwoordig is dan onze brave en vertrouwde vriend, mijnheer

Wickfield, kan ik er onmogelijk over zwijgen. Als gij zoo spreekt

zal ik van mijn recht als schoonmoeder gebruik maken en u bekijven.

Ik spreek oprecht en zeg niets anders dan ik meen. Hetgeen ik zeg is

hetzelfde als wat ik zeide, toen gij mij zoo verbaasd deedt staan—gij

weet hoe verbaasd ik was—met uw aanzoek om Annie. Niet dat die vraag

zoo zonderling was—het zou belachelijk zijn dit te zeggen!—maar omdat

gij haar armen vader gekend hebt en ook haar gekend hebt van een kind

van zes maanden af; daarom had ik nooit gedacht dat gij nog eens mijn

schoonzoon worden zoudt, ja, eigenlijk had ik gedacht, dat gij nooit

meer trouwen zoudt—dat was het alleen, begrijpt gij?”

„Ja wel, ja wel,” antwoordde de doctor vroolijk. „Laat dat nu maar

rusten.”

„Maar ik kan het niet laten rusten,” hernam mevrouw Markleham, terwijl

zij den waaier op zijne lippen legde. „Ik denk er steeds aan. Ik spreek

er over, opdat men mij zou kunnen tegenspreken als ik ongelijk heb.

Welnu! Ik sprak met Annie en vertelde haar wat er was voorgevallen.

‚Lieve’, zei ik, ‚doctor Strong is hier geweest en heeft zoo waarlijk

eene mooie liefdesverklaring aan u gedaan en u ten huwelijk gevraagd?’

Heb ik toen het minst invloed geoefend op haar? Neen. Ik zei: ‚Wel,

Annie, vertel mij eens, is uw hart nog vrij?’ ‚Mama’, antwoordde

zij schreiend, ‚ik ben nog zoo vreeselijk jong’—dat was de zuivere

waarheid—‚ik weet niet of ik eigenlijk wel een hart heb?’ ‚Dan’,

zei ik, ‚kunt gij er op aan, kindlief, dat het vrij is. In elk geval

moet doctor Strong, die erg zenuwachtig is, spoedig antwoord hebben.

Wij mogen hem niet lang in het onzekere laten.’ ‚Mama’, vroeg Annie,

‚zou hij ongelukkig zijn als ik zijn aanbod afsloeg? Als dat zoo is,

dan.... ik acht hem zoo hoog.... dan zal ik hem nemen!’—En toen was

de zaak beklonken!—En toen, niet eerder, zei ik tegen Annie: ‚Annie,

doctor Strong zal niet alleen de plaats van een echtgenoot, maar ook

die van uw overleden vader vervullen; hij zal het hoofd worden van

de geheele familie, want hij is de wijste, de aanzienlijkste en, ik

mag zeggen, ook de vermogendste van de familie en zal, in het kort,

onze reddende engel zijn.’—Ik gebruikte dat woord toen en ik heb het

heden weer gebruikt. Wat men dus van mij zeggen mag, ik kan niet van

wispelturigheid beschuldigd worden.”

Het jonge vrouwtje had gedurende deze geheele redevoering stil en

zwijgend naar den grond zitten kijken en haar neef stond naast haar en

keek ook naar den grond. Heel zachtjes en met bevende stem sprak zij

nu: „Ik hoop dat gij nu aan het einde zijt, mama?”

„Neen, lieve Annie,” antwoordde de Overste, „ik ben nog niet aan het

einde. Omdat gij het mij vraagt, lieve, moet ik antwoorden dat ik nog

niet alles gezegd heb. Ik moet mij over u beklagen omdat gij een weinig

onnatuurlijk zijt tegenover uwe eigen familie en aangezien het mij niet

baat of ik al bij u mijn beklag indien, zal ik het bij uw echtgenoot

doen. Kijk dat onnoozele vrouwtje nu eens goed aan, beste doctor.”

Toen de doctor zijn vriendelijk gelaat met den eenvoudigen,

welwillenden glimlach naar haar toekeerde boog zij het hoofd nog

dieper. Ik zag ook dat mijnheer Wickfield haar voortdurend gadesloeg.

„Toen ik laatst eens aan dat ondeugende ding vertelde,” ging hare

moeder voort, terwijl zij het hoofd schudde en haar met haar waaier

dreigde, „dat er eene zekere omstandigheid in de familie was, die

zij u eens moest meedeelen—ik meen zelfs verplicht was u mede te

deelen—antwoordde zij dat dit hetzelfde was als u eene gunst te

vragen, en aangezien gij zoo goed zijt en al hare wenschen zelfs

voorkomt, wilde zij het niet doen.”

„Maar, lieve Annie,” zei de doctor. „Dat was niet goed van u. Gij hebt

mij van een genoegen beroofd.”

„Bijna dezelfde woorden, die ik tot haar gesproken heb!” riep mevrouw

Markleham uit. „Nu, als er weder zoo iets is en zij het u niet

vertellen wil, waarde doctor, dan heb ik grooten lust het u zelve te

vertellen.”

„Ik zal heel blijde zijn als gij dat wilt doen,” antwoordde doctor

Strong.

„Zult ge waarlijk?”

„Zeker!”

„Welnu, dan doe ik het ook!” zei de oude Overste.

„Dat is afgesproken!”

Naar ik onderstelde was zij nu waar zij wezen wilde; zij klopte

den doctor eenige malen met haar waaier—waarop zij eerst een kus

drukte—op de hand en keerde met een zegevierend gelaat naar hare

eerste plaats terug.

Er kwamen nu langzamerhand meer menschen, o. a. de twee onderwijzers en

Adams, zoodat het gesprek meer algemeen werd; natuurlijk werd het op

Jack Maldon gebracht, op zijne reis, op het land, waarheen hij vertrok,

op zijne plannen en vooruitzichten. Hij zou dien zelfden avond met de

postkar naar Gravesend vertrekken, waar het schip lag, waarmede hij de

reis zou maken, en—als hij niet met verlof of wegens ziekte naar huis

kwam—zou hij, ik weet niet hoeveel jaren wel, uitblijven. Ik herinner

mij nog hoe men het algemeen eens was, dat de meeste menschen zich eene

verkeerde voorstelling maken van Indië en het een heerlijk land was,

behalve dat er een paar tijgers waren en het er wat warm was op het

midden van den dag. Wat mij zelven aangaat, ik zag in Mijnheer Maldon

een modernen Sinbad, en stelde mij hem nu reeds voor als de vriend van

alle Radjah's in het Oosten, zittende onder een troonhemel, uit gouden

pijpen rookend, die, recht getrokken, wel een mijl lang waren.

Mevrouw Strong had een mooie stem; ik wist dit, want ik had haar, als

zij alleen was, dikwijls hooren zingen. Maar, of zij niet gaarne in

gezelschap zong of niet goed bij stem was, zij kon dien avond niet

zingen. Zij beproefde een duet met Jack Maldon, maar bracht het niet

verder dan den eersten regel; en later toen zij het alleen wilde

beproeven, begaf de stem haar plotseling en bleef zij verdrietig zitten

met het hoofd over de toetsen gebogen. De goede doctor zei dat zij wat

zenuwachtig was, en stelde, om de aandacht van haar af te leiden, een

gezelschapsspel met kaarten voor, waarvan hij evenveel verstand had als

van het bespelen der trombone. Ik bemerkte echter dat de oude Overste

onmiddellijk beslag op hem legde en een compagnieschap met hem aanging,

waarvoor hij echter beginnen moest, haar al het zilvergeld te geven,

dat hij in den zak had.

Wij speelden heel prettig en amuseerden ons het meest met de

vergissingen van den doctor, die hij elk oogenblik beging, in weerwil

van de waakzaamheid der kappelletjes en tot groote teleurstelling van

hare eigenares. Mevrouw Strong had afgezien van het spel, omdat zij

zich niet wel voelde, en Jack Maldon speelde niet mede, omdat hij nog

het een of ander te pakken had. Toen hij daarmede gereed was, kwam hij

terug en ging met mevrouw Strong op de canapee zitten praten. Van tijd

tot tijd stond zij eens op en keek dan over den schouder van den doctor

heen, om hem te zeggen wat hij spelen moest. Zij was erg bleek en ik

meende zelfs den vinger, waarmede zij de kaart aanwees, te zien beven;

maar de doctor was verrukt over hare oplettendheid en scheen van hare

bleekheid niets op te merken.

Aan het souper waren wij niet meer zoo vroolijk. Iedereen scheen

te voelen dat het geen gewone reis was, die een der gasten ging

ondernemen, en hoe meer het uur van vertrek naderde, hoe gedrukter de

stemming werd, waarin het gezelschap scheen te verkeeren. Mijnheer

Maldon deed zijn best om zoo spraakzaam mogelijk te zijn, maar hij

was niet op zijn gemak en maakte de zaak nog erger. Ook de oude

Overste, die telkens voorvallen uit mijnheer Maldon's jeugd ophaalde,

had beter gedaan te zwijgen. De doctor daarentegen, die—daarvan ben

ik overtuigd—in de meening verkeerde, dat iedereen zich uitstekend

amuseerde, had zelf het grootste pleizier en vermoedde niets van eene

gedrukte stemming.

„Annie, lieve,” zei hij, na op zijn horloge gekeken en zijn glas gevuld

te hebben, „het is al meer dan tijd voor uw neef, en wij moeten hem

niet ophouden, want de tijd en het getij, die beide in deze zaak

betrokken zijn, wachten niet. Mijnheer Jack Maldon,” ging hij voort met

het glas in de hand, „gij hebt eene lange reis en een vreemd land voor

u, maar menigeen heeft dat voor zich en zal dit nog voor zich hebben in

den loop der tijden. De winden, die gij gaat tarten, hebben duizenden

en duizenden naar hun geluk gevoerd en evenveel duizenden gelukkig

teruggebracht.”

„Het is toch aandoenlijk,” zei mevrouw Markleham—„hoe men de zaak ook

bekijkt, het is aandoenlijk—een netten jongen man, dien men van zijne

prilste jeugd af heeft gekend, naar het andere einde van de wereld te

zien vertrekken, allen, die hij lief heeft achterlatende en zonder te

weten, wat vóór hem ligt. Een jonge man, die zich zooveel opofferingen

getroost, verdient wel dat men hem voortdurend”—bij deze woorden keek

zij den doctor aan—„hulp en steun verleent.”

„De tijd zal voor u omvliegen,” vervolgde de doctor, „evenals voor

ons. Volgens den natuurlijken loop der dingen kunnen sommigen van ons

nauwelijks verwachten u bij uwe terugkomst te begroeten. Het beste is

het te hopen en—dat doe ik ook. Ik zal u niet vermoeien met allerlei

raadgevingen; gij hebt te lang reeds een goed voorbeeld gehad in uwe

nicht Annie—tracht hare deugden na te streven.”

Mevrouw Markleham scheen het erg benauwd te krijgen, want zij schermde

druk met haar waaier en schudde telkens het hoofd.

„Vaarwel, Jack,” zoo eindigde de doctor opstaande, welk voorbeeld

door ons allen gevolgd werd. „Wij wenschen u eene voorspoedige reis,

eene prachtige loopbaan daar ginds aan de overzijde en een behouden

terugkomst!”

Wij ledigden allen ons glas na dezen toast en schudden mijnheer Jack

Maldon hartelijk de hand, waarna hij haastig afscheid nam van de

aanwezige dames en naar de deur snelde, waar hij ontvangen werd

met luide hoezee's van de jongens, die zich daartoe buiten hadden

opgesteld. Ten einde hunne gelederen te versterken, voegde ik mij bij

hen en was vlak bij de postkar, toen deze wegreed; nimmer zal ik den

indruk vergeten, dien ik kreeg, toen ik daar Jack Maldon met een

ontroerd gezicht en iets roods in zijne hand zag vertrekken.

Na nog een hoezee! voor den doctor en nog een voor de doctorsvrouw,

verdwenen de jongens en ging ik in huis terug, waar ik de gasten allen

om den doctor vereenigd vond, pratende over de wijze, waarop Jack

Maldon was heengegaan, hoe hij zich gehouden had en wat hij gevoeld

moest hebben en zoo meer. Te midden van deze woordenwisseling riep

mevrouw Markleham eensklaps: „Waar blijft Annie toch?”

Maar Annie was er niet en toen wij haar overal riepen, gaf zij geen

antwoord. Allen stormden de deur uit om haar te zoeken en eindelijk

vonden wij haar in de gang liggen. In het eerst was de schrik

onuitsprekelijk tot men ontdekte, dat het eene gewone flauwte was, die

onmiddellijk week voor de gewone middelen. De doctor had haar hoofd op

zijne knie gelegd, streek de krullen zacht uit haar gelaat en zei, den

kring rondkijkende: „Arme Annie! Zij is zoo trouw en zoo teerhartig!

Zonder twijfel is het vertrek van den speelgenoot harer jeugd, van haar

liefsten neef, er de oorzaak van. Het is jammer! Het spijt mij zeer!”

Toen zij de oogen opende en zag waar zij was en hoe wij allen om haar

heen stonden, richtte zij zich met een weinig hulp op en terwijl zij

dit deed, wendde zij het hoofd om en legde het op den schouder van den

doctor—of verborg het—dat weet ik niet zeker. Wij gingen naar het

salon, ten einde haar met den doctor en haar moeder alleen te laten,

maar zij zeide dat zij, naar het scheen, beter was dan zij zich den

geheelen dag gevoeld had en liever weder bij het gezelschap wilde

komen; zij brachten haar binnen, nog een weinig bleek, naar ik meende,

en lieten haar op de sofa plaats nemen.

„Lieve Annie,” zei hare moeder op eens, terwijl zij het toilet van hare

dochter een weinig in orde bracht, „zie eens hier! Gij hebt een strik

verloren. Wil iemand zoo goed zijn eens te zoeken; het is een roode

strik.”

Het was de eenige, dien zij op haar boezem gedragen had. Wij zochten

allen—ik zelf zocht overal, daarvan ben ik overtuigd—maar de strik

was niet te vinden.

„Herinnert gij u ook waar gij hem het laatst gehad hebt?” vroeg de

overste.

Het verbaasde mij wel een weinig, dat zij eerst zoo bleek en daarna

zoo gloeiend rood werd, toen zij antwoordde dat zij hem een oogenblik

geleden nog gehad had, maar dat het niet der moeite waard was er naar

te zoeken. In weerwil daarvan werd er nog gezocht, doch met denzelfden

ongunstigen uitslag. Zij smeekte dat men er toch mede eindigen zou,

maar nu en dan werd er nog gezocht, tot zij weder heel wel was en het

gezelschap vertrok.

Mijnheer Wickfield, Agnes en ik wandelden langzaam naar huis—Agnes en

ik de maan en de sterren bewonderende, terwijl mijnheer Wickfield de

oogen bijna niet van den grond ophief. Toen wij eindelijk onze woning

hadden bereikt, bemerkte Agnes dat zij haar werktaschje vergeten had.

Blijde haar een dienst te kunnen bewijzen, snelde ik onmiddellijk terug

om het te halen. Toen ik de kamer, waar wij gesoupeerd hadden en waar

het liggen moest, binnentrad was deze donker en verlaten; maar ik zag

nog licht in de studeerkamer van den doctor en klopte daar aan, om te

zeggen wat ik kwam doen en een kandelaar te vragen.

De doctor zat in zijn gemakkelijken stoel bij den haard en zijne jonge

vrouw op een bankje aan zijne voeten. Met een gezicht, dat straalde van

welgevallen, las hij haar de eene of andere bespiegeling voor uit dat

eindelooze woordenboek en zij keek naar hem op en scheen aandachtig te

luisteren. Maar zulk een gelaat zag ik nooit. De schoone lijnen kwamen

zoo tot haar recht, het was zoo vaalbleek, het was zoo strak tengevolge

van hare afgetrokkenheid, dat ik den indruk kreeg alsof ik eene

slaapwandelaarster zag, die geschrikt was van een afgrijselijk visioen.

Hare oogen waren wijd geopend, hare bruine krullen lagen als dikke

slangen op hare schouders en langs hare witte japon, die tengevolge

van het gemis van den strik niet meer zoo nauwsluitend was als in het

begin van den avond. De uitdrukking, die in hare oogen lag, kan ik niet

beschrijven, maar zal ik nimmer vergeten. Thans zelfs, nu ik ouder ben

geworden en meer ondervinding heb, zou ik het niet kunnen. Berouw,

verootmoediging, schaamte, trots, liefde en vertrouwen—alles zie ik

nog in dien blik en toch ook dat alles overheerschende, dat afgrijzen

van ik weet niet wat. Toen ik binnentrad en zeide wat ik verlangde,

scheen zij uit haar droom te ontwaken. Ook de doctor was gestoord, want

toen ik den kandelaar terugbracht, had hij haar hoofd op vaderlijke

wijze tusschen zijne handen en zeide, dat hij een onbarmhartige droomer

was om haar nu nog met zijn voorlezen te plagen, want dat zij naar bed

moest gaan.

Zij verzocht hem echter op hare vlugge, dringende manier te mogen

blijven, te mogen voelen dat zij dezen avond geheel in zijn vertrouwen

was—ik vernam tenminste eenige afgebroken klanken, welke dezen indruk

op mij maakten. En toen zij, na mij bij mijn vertrek een glimlach te

hebben toegeworpen, weder ging zitten, zag ik haar de handen vouwen

over hare knieën en met hetzelfde gelaat, doch wat geruster, naar hem

opkijken, terwijl hij voortging met lezen. Dit maakte een diepen indruk

op mij en ik herinnerde mij dien indruk nog langen tijd daarna. Als de

tijd daartoe gekomen is, zal ik vertellen bij welke gelegenheid dat was.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 29 / 79 题