Een merkwaardige verjaardag.
Ik ga in stilte alles voorbij wat op de school voorviel tot mijn
verjaardag in Maart. Behalve dat Steerforth beminnenswaardiger was dan
ooit, herinner ik er mij niets meer van. Hij zou tegen het einde van
het semester, zoo niet vroeger, heengaan, en was knapper en flinker nog
dan te voren—in mijne oogen ten minste—zoodat ik nog meer met hem
was ingenomen; verder herinner ik mij niets. De groote gebeurtenis,
waardoor dit tijdsbestek gekenmerkt is, schijnt de herinnering aan
alle minder belangrijke feiten te hebben verduisterd en is alleen
levendig gebleven. Het is mij zelfs moeilijk, aan te nemen, dat er
tusschen mijn terugkeer op Salem House en dien verjaardag twee maanden
zijn verloopen; ik moet het echter wel aannemen, omdat het een feit
is; omdat ik thans weet, dat het zoo moet geweest zijn; anders zou ik
geneigd zijn om te gelooven, dat de eene gebeurtenis de andere op den
voet is gevolgd.
Hoe goed herinner ik mij welk soort weder het was dien dag! Ik ruik den
mist nog, die over de speelplaats hing; ik zie nog den glinsterenden
rijp, die over alles was verspreid; ik voel nog hoe vochtig en klam
mijne haren langs mijn hoofd hingen; ik zie de schoolzaal nog, half
in de schemering, hier en daar een kaars om ten minste iets te kunnen
lezen; en den adem van de jongens, zich kronkelend door de koude
ochtendlucht, wanneer zij in de handen bliezen en met de voeten op den
grond stampten om eenige doorstraling te krijgen.
Wij hadden ontbeten en waren van de speelplaats naar binnen geroepen,
toen mijnheer Sharp binnentrad en zeide:
„David Copperfield wordt in de spreekkamer verzocht.”
Ik verwachtte een mandje van Peggotty en sprong verheugd op. Enkelen
van de jongens fluisterden mij in, dat zij bij de verdeeling van
de verwachte heerlijkheden niet vergeten mochten worden, en met
een gelaat, dat van blijde verwachting straalde, ging ik naar de
spreekkamer.
„Haast u maar niet zoo, David,” zei mijnheer Sharp. „Er is tijd genoeg,
beste jongen, haast u maar niet zoo.”
Had ik er acht op geslagen, dan zou ik zonder twijfel getroffen zijn
geweest door den gevoelvollen toon, waarop hij sprak; maar ik lette
daar niet op. Ik snelde naar de spreekkamer en vond daar mijnheer
Creakle met de courant en het onafscheidelijke rietje naast zich en
mevrouw Creakle met een geopenden brief in de hand. Geen mand echter.
„David Copperfield,” sprak mevrouw Creakle, terwijl zij mij naar de
canapé geleidde en naast mij kwam zitten, „ik moet eens met u spreken.
Ik heb u iets te vertellen, mijn jongen.”
Mijnheer Creakle, dien ik natuurlijk voortdurend in het oog hield,
schudde het hoofd, zonder naar mij te kijken, en drong een zucht terug
met een groot stuk geroosterd brood.
„Gij zijt nog te jong om te weten hoe de wereld dagelijks verandert,”
sprak mevrouw Creakle, na eene kleine pauze.... „waren allen tehuis
wel?”...... Nogmaals eene pauze.... „Was uwe mama wel?”
Ik begon te beven, al wist ik zelf niet waarom, en keek haar vragend
aan, zonder echter een woord uit te brengen.
„Omdat,” vervolgde zij, „omdat ik tot mijn spijt u vertellen moet, dat
uwe mama erg ziek is.”
Het scheen mij plotseling toe of er een nevel opkwam tusschen mevrouw
Creakle en mij en of haar gelaat daarin zweefde. Daarna voelde ik heete
tranen langs mijne wangen glijden en was de nevel verdwenen.
„Zij is zeer gevaarlijk ziek,” voegde zij er bij.
Nu wist ik alles.
„Zij is dood.”
Mevrouw Creakle behoefde mij dit niet meer te vertellen. Ik had reeds
een kreet van wanhoop geuit, want ik voelde, dat ik nu geheel alleen
stond in de wereld. Mevrouw Creakle was zeer lief voor mij; zij hield
mij den geheelen dag bij zich en liet mij ook nu en dan alleen; en
ik schreide en viel van uitputting in slaap, werd wakker en schreide
opnieuw. Toen ik niet meer kon schreien, begon ik na te denken en
nu eerst voelde ik de zwaarte van den slag ten volle en begon ik te
begrijpen, dat voor zulk een smart geen leniging te vinden was. Toch
kon ik mijne gedachten niet bepalen bij de ramp zelve; maar hielden ze
zich bezig met bijzaken. Ik dacht aan ons huis, dat nu zeker gesloten
zou zijn. Ik dacht aan mijn kleine broertje, dat, zooals mevrouw
Creakle zeide, in den laatsten tijd erg kwijnde en nu ook wel sterven
zou. Ik dacht aan het graf van mijn vader, op het kerkhof achter ons
huis, en vroeg mij af of mijne moeder daar nu ook zou worden begraven
onder den boom, dien ik zoo goed kende. Ik ging, toen ik alleen was, op
een stoel staan, om in den spiegel te zien hoe rood mijne oogen waren
en of ik erg bedroefd keek. Na eenige uren, toen mijne tranen, naar
het scheen, niet meer zoo rijkelijk wilden vloeien, begon ik mij af te
vragen wat mij, met betrekking tot mijn groot verlies, wel het meest
zou aandoen wanneer ik naar huis reed—want ik zou naar huis gaan, om
de begrafenis bij te wonen. Ik herinner mij, dat de jongens mij met een
zekeren eerbied aankeken, dat ik tengevolge van mijne droefheid een
persoon van gewicht geworden was in hunne oogen.
Indien ooit een kind oprecht bedroefd was, dan was ik het. Toch
herinner ik mij dat deze belangrijkheid eene soort van voldoening voor
mij was, toen ik dien namiddag op de speelplaats rondwandelde, terwijl
de jongens in de school waren. Wanneer ik hen door de ramen naar mij
zag kijken, terwijl zij van de eene klasse naar de andere gingen,
gevoelde ik een zekere onderscheiding; ik keek bedroefder en wandelde
langzamer. Toen de schooltijd om was en zij naar buiten kwamen en met
mij spraken, vond ik het bijzonder welwillend van mij, dat ik niet
hoogmoedig was en aan allen dezelfde aandacht bleef schenken als de
vorige dagen.
Den volgenden avond zou ik naar huis gaan, niet met den postwagen, maar
met een reusachtige diligence, die des avonds vertrok en de „boerenkar”
werd genoemd, omdat zij gewoonlijk gebruikt werd door landlieden, die
korte afstanden hadden af te leggen. Dien avond werd er niet verteld
en Traddles stond er op mij zijn hoofdkussen te leenen. Ik weet niet
waarom hij meende mij daarmede goed te doen, want ik had er zelf een;
maar het was alles wat hij kon uitleenen, de arme jongen, behalve een
velletje postpapier, vol geteekend met geraamten en dat gaf hij mij,
toen ik vertrok, om troost en kalmte bij te vinden.
In den namiddag van den volgenden dag verliet ik Salem House, weinig
denkende, dat ik er nimmer meer zou terugkomen. Wij reden den geheelen
nacht zeer langzaam door en bereikten Yarmouth niet voor negen of
tien uur in den morgen. Ik keek rond of ik Barkis ook zag, maar hij
was er niet en in plaats van hem verscheen een dik, rond, kortademig,
levendig, oud mannetje in het zwart, met vaalkleurige strikjes aan de
knieën, zwarte kousen en een hoed met breeden rand, aan het portierraam
en vroeg:
„Jongeheer Copperfield?”
„Die ben ik, Mijnheer.”
„Wilt gij wel zoo goed zijn met mij mede te gaan, jongeheer?” vroeg
hij, het portier openend, „ik zal het genoegen hebben u naar mijn huis
te brengen.”
Ik legde mijne hand in de zijne, nieuwsgierig om te weten wie hij
was, en zoo wandelden wij naar een winkel in een nauw straatje, waar
ik las: OMER, _Lakenhandelaar_, _Kleedermaker_, _Koopman_, _Bedienaar
bij begrafenissen_, _enz._ Het was een benauwd, somber winkeltje, vol
allerlei gemaakte en niet-gemaakte kleederen; terwijl één venster
geheel ingenomen was door vilten mannen- en vrouwenhoeden.
Wij gingen een klein achterkamertje binnen, waar wij drie jonge meisjes
bezig vonden aan allerlei zwart goed te naaien, waarvan eene groote
hoeveelheid op de tafel lag, terwijl een aantal snippers en vodden den
grond bedekten. Het was warm in de kamer en er heerschte eene benauwde
lucht van warm zwart krip—ik wist toen nog niet wat ik eigenlijk rook,
maar nu weet ik het.
De drie jonge meisjes, die zeer ijverig en welgemoed schenen, lichtten
even het hoofd op, om te zien wie daar binnenkwam, en zetten daarna
haar werk voort: Pik, pik, pik. Op hetzelfde oogenblik kwam er uit eene
werkplaats, aan de overzijde van een plaatsje, waarop een der vensters
uitzag, een regelmatig geluid van hamerslagen, die, zonder eenige
variatie, aanhoudend hetzelfde wijsje aangaven: Rat-tat, tat, Rat-tat,
tat, Rat-tat, tat......
„Wel,” vroeg mijn leidsman aan een van de meisjes, „hoe staat gij er
mee, Minnie?”
„O, als het tijd is om te passen, zijn wij klaar,” antwoordde zij op
levendigen toon, zonder op te kijken. „Maak u volstrekt niet ongerust,
vader.”
Mijnheer Omer nam zijn breedgeranden hoed af, en ging hijgend zitten.
Hij was zoo dik, dat hij eenigen tijd moest uitblazen eer hij kon
zeggen:
„Dat is goed.”
„Vader,” zei Minnie op schertsenden toon, „wat wordt gij toch een
dikzak!”
„Ja, ik weet niet waarvan, mijn kind!” antwoordde hij, nadenkend. „Ik
ben nu eenmaal zoo.”
„Gij hebt een veel te gemakkelijk leventje,” zei Minnie. „Dat zal het
wel zijn.”
„Waarom zou ik mij zelven dat niet gunnen, mijn kind!” zei mijnheer
Omer.
„Ja, dat is zoo,” hernam zijne dochter. „Wij hebben het allen, Goddank,
goed. Nietwaar vader?”
„Dat zal waar zijn,” verzekerde mijnheer Omer. „Wanneer ik wat op adem
ben gekomen, zal ik dit jongmensch de maat nemen. Wilt gij met mij
medegaan naar den winkel, jongeheer Copperfield?”
Op deze uitnoodiging ging ik mijnheer Omer voor en nadat hij mij een
rol goed had laten zien, dat, volgens zijne verklaring, uiterst solide
en te goed was, om voor iemand anders dan voor een vader of eene moeder
gedragen te worden, nam hij mij de maat en schreef die in een boek
op. Terwijl hij hiermede bezig was, vestigde hij mijne aandacht op
zijn grooten voorraad goederen en op de nieuwe modes, die juist waren
aangekomen, en op de oude modes, die juist waren afgeschaft. „Men
verliest daarmede dikwijls een klein kapitaal op één dag,” zei hij.
„Maar de modes zijn evenals de menschen. Zij komen en niemand weet
wanneer, van waar of hoe; en zij verdwijnen en niemand weet wanneer,
waarom of hoe. En zoo gaat het naar mijne meening in het menschelijk
leven ook.”
Ik was te bedroefd om deze redeneering te volgen, die toch vermoedelijk
ook in andere omstandigheden boven mijn bevattingsvermogen zou geweest
zijn; bovendien bracht mijnheer Omer mij weder naar het achterkamertje,
waar hij hijgend en zwoegend met mij aankwam. Daarna riep hij bovenaan
een steile trap: „Breng de thee en de boterhammen boven!”
Nadat ik nog eenigen tijd had zitten rondkijken en peinzen en luisteren
naar het pikken van de naalden en het wijsje in het hameren aan de
overzijde van de plaats, werd het gevraagde op een presenteerblad boven
gebracht en voor mij neergezet.
„Ik ken u van vroeger,” zei mijnheer Omer, na mij eenige oogenblikken
te hebben aangekeken, waarin ik weinig eer bewezen had aan het
ontbijt—al dat zwarte goed benam mij den eetlust—„ik ken u al heel
lang, vriendje.”
„Zoo, mijnheer?”
„Zoo lang als gij leeft,” zei mijnheer Omer. „Ik mag wel zeggen: reeds
voor uwe geboorte. Ik kende uw vader ook. Hij was vijf voet en negen en
een halve duim lang en de kist was vijf voet en twintig duim.”
„Rat-tat, tat, Rat-tat, tat, Rat-tat, tat”—klonk het van de overzijde.
„De kist was vijf voet en twintig duim, in ronde cijfers,” herhaalde
mijnheer Omer, met een zeker genoegen telkens weder dit onderwerp
aanroerende. „Hij had het zelf zoo besteld of zij deed dit—dat is mij
ontschoten.”
„Weet gij ook hoe het met mijn kleine broertje gaat?” vroeg ik.
Mijnheer Omer schudde het hoofd.
„Rat-tat, tat, Rat-tat, tat, Rat-tat, tat.”
„Hij ligt in de armen van zijne moeder,” antwoordde hij.
„Och, het arme, kleine ventje! Is hij dood?”
„Gij moet u dat niet zoo erg aantrekken,” sprak mijnheer Omer. „Ja, het
kindje is ook gestorven.”
Dit bericht deed de nog versche wond opnieuw bloeden. Ik liet het
nauwelijks aangeroerde ontbijt staan en ging in een hoek van de kamer
met mijn hoofd op de tafel liggen, die Minnie haastig leeg maakte,
opdat ik het rouwgoed niet zou bevlekken met mijne tranen. Zij was een
lief, goedhartig meisje en streek mij met eene zachte hand de haren uit
de oogen; maar zij was vroolijk, omdat haar werk bijna gereed was, en
dus in eene geheel andere stemming dan ik!
Nu hield het gehamer op en een knappe, jonge man kwam dwars door den
tuin en de kamer binnen. Hij had een hamer in de hand en een aantal
draadnagels in den mond, zoodat hij die er eerst uit moest nemen
alvorens hij spreken kon.
„Wel, Joram!” zei mijnheer Omer, „hoe staat gij er mede?”
„Ik ben gereed,” antwoordde Joram, „ze is af.”
Minnie kreeg even een kleur en de beide andere meisjes glimlachten
tegen elkander.
„Wat? Hebt gij dan bij kaarslicht gewerkt, terwijl ik gisterenavond
naar de club was? Hebt gij dat werkelijk gedaan?” vroeg mijnheer Omer
met één oog dicht.
„Ja, gij hadt immers gezegd, dat wij er een uitstapje van konden maken,
Minnie en ik en—gij? Dat wij er te zamen zouden heenrijden?”
„O, ik dacht, dat gij mij vergat en mij alleen wildet laten,” sprak
mijnheer Omer lachend tot hij weder eene hoestbui kreeg.
„Gij waart zoo goed ons dat te beloven,” hernam de jonge man, „en
daarom toog ik met ijver aan het werk, begrijpt gij. Wilt gij ook eens
zien of ik mijne taak goed heb volbracht?”
„Zeker, zeker,” antwoordde mijnheer Omer opstaande. „Wel,” voegde hij
er, zich tot mij wendende bij, „wilt gij ook eens zien hoe.....”
„Neen vader,” zoo viel Minnie hem in de rede.
„Ik meende, dat het hem aangenaam zou zijn, beste meid,” zei mijnheer
Omer. „Evenwel—gij hebt misschien gelijk.”
Ik kon onmogelijk zeggen hoe ik wist, dat zij de lijkkist bedoelden van
mijne lieve, beste moeder. Ik had er nooit een hooren maken; ik had er,
voor zoover ik weet, nooit een gezien; maar ik had plotseling begrepen,
wat het geluid was, dat ik hoorde, en toen de jonge man binnenkwam,
wist ik ook wat hij gemaakt had.
Toen het werk was afgeloopen, schudden de beide meisjes, wier namen
ik niet vernam, de pluizen en draadjes van hare kleederen en gingen
naar den winkel om er wat op te ruimen en de klanten af te wachten.
Minnie bleef achter om hetgeen zij gemaakt hadden op te vouwen en in
twee manden te pakken. Zij deed dit op hare knieën, terwijl zij er
een vroolijk wijsje bij neuriede. Joram—hij was haar verloofde—ik
twijfelde daaraan geen oogenblik—kwam binnen en stal een kus, terwijl
zij bezig was—hij scheen mij niet op te merken—en zei, dat haar vader
was uitgegaan om een rijtuig te bestellen en dat hij zich haasten
moest om tijdig gereed te zijn. Daarna ging hij heen, terwijl zij haar
vingerhoed en haar schaar in den zak en een naald met een zwarten draad
voor op hare japon stak, en achter de glazen deur, zoodat ik al hare
bewegingen kon blijven gadeslaan, haar hoed opzette en een smaakvol
manteltje omdeed.
Ik merkte dit alles op, terwijl ik nog steeds in hetzelfde hoekje zat,
met de hand onder het hoofd, peinzend over de meest verschillende
onderwerpen. Weldra kwam het rijtuig voor; eerst werden de manden
ingeladen, daarna mijn persoontje en vervolgens mijnheer Omer, Minnie
en haar verloofde. Ik herinner mij, dat het een rijtuig was, dat
gedeeltelijk voor verhuiskar was ingericht en door een zwart paard
met een langen staart getrokken werd. Het was met eene doffe kleur
geschilderd, en er was ruimte genoeg voor ons vieren.
Ik geloof, dat ik nooit aan zulke vreemdsoortige gewaarwordingen ben
blootgesteld geweest—ik ben nu verstandiger—dan toen ik daar tusschen
die menschen zat en bedacht waarmede zij zich, zoo even nog onledig
hadden gehouden, terwijl zij thans in eene vroolijke, opgeruimde
stemming verkeerden. Ik was niet boos op hen; ik was eerder bevreesd
voor hen, alsof ik daar plotseling gezeten was tusschen wezens, die van
een geheel ander maaksel waren dan ik. Zij waren uitgelaten vroolijk.
De oude heer zat op de voorste bank en mende en de jongelui zaten
achter hem en telkens, wanneer hij tegen hen sprak, bogen zij zich
naar voren, de een aan de eene zijde, en de ander aan de andere zijde
van zijn vet gezicht en hadden het bijzonder druk met hem. Zij zouden
ook wel met mij gesproken hebben, maar ik bleef in mijn hoekje zitten
pruilen, afgeschrikt door hunne vroolijkheid en hunne verliefdheid,
hoewel zij volstrekt niet luidruchtig waren; het verbaasde mij
eigenlijk, dat hunne hardvochtigheid niet gestraft werd.
Toen wij stilhielden om het paard te voeren en zij gingen eten en
drinken en vroolijk waren, kon ik niets aanraken, dat zij aanraakten,
en bleef vasten. Toen wij voor ons huis stilhielden, verliet ik zoo
spoedig mogelijk het rijtuig, ten einde niet langer in hun gezelschap
te blijven voor de gesloten vensters, die mij aanstaarden als een
blinde, wiens oogen vroeger hadden geschitterd van levenslust. Toen
ik het venster van de kamer mijner moeder en dat van mijn vroegere
kamertje gesloten zag, behoefde ik mij niet af te vragen waaraan ik
moest denken om de meeste tranen te storten.
Nog eer ik de deur bereikt had, lag ik reeds in Peggotty's armen en
zij nam mij terstond mede in huis. Hare smart uitte zij nu eerst, nu
zij mij bij zich had; zij wist zich echter spoedig te beheerschen,
sprak op fluisterenden toon en liep zachtjes door het huis, alsof zij
de doode uit haar slaap zou kunnen wekken. Zij was in vele nachten niet
naar bed geweest; zij had alle nachten gewaakt. Zoo lang hare arme
lieveling nog boven den grond was, kon zij haar niet alleen laten,
vertelde zij mij.
Mijnheer Murdstone sloeg geen acht op mij, toen ik de huiskamer
binnentrad, waar hij in een leunstoel bij den haard zat te schreien.
Juffrouw Murdstone zat aan hare schrijftafel, die overdekt was met
brieven en papieren; zij gaf mij een paar ijzige vingertoppen en vroeg
of men mij de maat had genomen voor mijn rouwpak.
„Ja”, antwoordde ik.
„En uwe hemden,” vroeg zij, „hebt gij uwe hemden meegebracht?”
„Ja, juffrouw; ik heb al mijne kleeren meegebracht.”
Dit was alle troost, die zij in hare „flinkheid” voor mij over had.
Het lijdt geen twijfel of zij vond het een waar genot, bij zulke
gelegenheden te toonen hoe zij zich zelve beheerschen kon, hoe „flink”
zij was, hoeveel geestkracht en gezond verstand, en hoe al hare
duivelachtige eigenschappen nog meer heeten mogen, zij bezat. Zij was
vooral trotsch op hare „flinkheid” in zaken en toonde dit thans door
alles terug te brengen tot pen en inkt, en niet de minste ontroering
te laten blijken. Zij zat het geheele overige gedeelte van den dag
aan hare schrijftafel en ook den volgenden dag van den morgen tot den
avond; voortdurend hoorde ik het krassen van hare harde pen, terwijl
zij tegen iedereen op denzelfden onverstoorbaren fluistertoon sprak;
geen spier in haar gelaat vertrok; geen oogenblik klonk hare stem
zachter: hare japon en haar kapsel waren even glad als altijd.
Mijnheer Murdstone nam nu en dan een boek op, maar ik zag hem nooit
lezen. Hij opende het en keek er in alsof hij las, maar al sloeg ik hem
ook een uur achtereen gade, er werd geen blad omgekeerd; dan legde hij
het weder weg en wandelde de kamer op en neer. Ik had niets te doen
dan met gevouwen handen naar hem te zitten kijken en zijne voetstappen
te tellen, uren achtereen. Hij sprak slechts zelden eenige woorden tot
zijne zuster; tot mij in het geheel niet. Hij scheen in het stille huis
„het” eenige te zijn, dat zich bewoog, behalve de klok.
In de dagen, die aan de begrafenis voorafgingen, zag ik Peggotty bijna
niet; wanneer ik echter de trap op- of afkwam, vond ik haar altijd in
de nabijheid van de kamer, waar mijne moeder en haar kindje lagen, en
des avonds zat zij bij mijn bed totdat ik sliep. Eén of twee dagen voor
de begrafenis—ik meen ten minste, dat het één of twee dagen was, want
ik kan mij dien droeven tijd niet meer met juistheid voor den geest
brengen, omdat er geen enkel rustpunt in was—nam zij mij mede in de
kamer. Ik kan mij daarvan nog slechts herinneren, dat daar, onder een
wit laken en door frissche bloemen omringd, voor mijn gevoel de oorzaak
scheen te liggen van de plechtige stilte, die in het geheele huis
heerschte; en dat ik, toen zij dat laken wilde oplichten, hare hand
tegenhield en „o, neen, o, neen!” riep.
Indien de begrafenis gisteren had plaats gehad, zou ik mij die niet
beter kunnen herinneren. De muffe lucht in de mooie kamer, toen ik
binnenkwam, het knappend vuur in den haard, het tintelen van den wijn
in de karaffen, de fatsoenen van de glazen en de borden, de flauwe
zoete lucht van koek, de geur, door juffrouw Murdstone's japon de
kamer rondgedragen, onze zwarte kleederen—dat alles is mij altijd
bijgebleven. Dokter Chillip was ook in de kamer en kwam mij toespreken:
„En hoe maakt jongeheer David het?” vroeg hij vriendelijk.
Ik kon onmogelijk antwoorden: „Heel goed!” Ik gaf hem eene hand en hij
hield die in de zijne.
„Wel, wel,” zei hij, „wat worden zulke kleintjes toch spoedig
groot!”—Er glinsterde iets in zijne oogen.—„Hij groeit ons boven het
hoofd, juffrouw!”
Juffrouw Murdstone, tot wie deze woorden gericht waren, gaf geen
antwoord.
„Het is hier treurig afgeloopen, mejuffrouw,” sprak dokter Chillip.
Een zuur gezicht en een stijve buiging was alles wat de goedhartige
dokter ten antwoord kreeg, waarom hij mij medenam naar een hoek van de
kamer en het stilzwijgen bewaarde.
Ik vermeld dit, omdat ik alles vermeld wat er gebeurde, hoewel ik er
weinig belang in stelde. Eindelijk gaat de huisschel over en komen
mijnheer Omer en nog een man binnen om ons aan te kleeden. Peggotty had
mij lang geleden dikwijls verteld, dat zij, die het lijk van mijn vader
naar hetzelfde graf gevolgd waren, ook in deze kamer waren aangekleed.
Ditmaal zijn de volgers: Mijnheer Murdstone, onze buurman, mijnheer
Grayper, dokter Chillip en ik. Toen wij de deur uittraden, waren de
dragers met hun last reeds in den tuin; zij gingen voor ons uit, het
pad af, langs de olmen en door het hek, het kerkhof binnen, waar ik zoo
menigen zomermorgen de vogels had hooren zingen.
Daar stonden wij om het graf. In mijne herinnering verschilt deze dag
van alle andere dagen in mijn leven en schijnt de zon omfloerst te zijn
geweest. Nu heerscht er plechtige stilte; wij hebben die blijkbaar
uit ons huis medegebracht met de lieve doode, die daar in de geopende
groeve wordt neergelaten; wij staan blootshoofds en ik hoor de stem van
den geestelijke, die zegt: „Ik ben het Leven en de Opstanding, zegt
de Heer!” Daarna hoor ik snikken en zie ik tusschen de omstanders het
beschreide gezicht van onze goede, trouwe dienstbode, van Peggotty, het
wezen, dat ik op deze aarde het meest lief heb en tot wie—daarvan is
mijn kinderlijk hart overtuigd—de Heer eenmaal zal zeggen: „Welgedaan.”
Er is meer dan een bekend gezicht onder die omstanders; gezichten, die
ik ken uit de kerk, waar ik altijd zat rond te kijken; gezichten van
menschen, die mijne moeder gekend hebben, toen zij in den vollen bloei
harer jeugd in het dorp kwam. Ik let niet op hen—ik denk slechts aan
mijn groot verdriet—en toch zie en hoor ik hen allen; zelfs zie ik
op den achtergrond het gezicht van Minnie, die voortdurend naar haar
verloofde kijkt; Joram staat vlak bij mij.
Het is voorbij, de kuil is gevuld—wij keeren naar huis terug. Daar
staat het voor ons, zoo lief en onveranderd, zoo vereenzelvigd met
haar, die nu van ons is heengegaan, dat het verdriet van de vorige
dagen niet is te vergelijken met de gewaarwording, die mij thans
overmeestert. Zij nemen mij echter mede en dokter Chillip spreekt
mij toe en laat mij thuis komende een glas water drinken, en als ik
hem vraag naar mijn eigen kamertje te mogen gaan, brengt hij mij met
vrouwelijke zachtheid er heen.
Dit alles schijnt mij toe gisteren gebeurd te zijn. Voorvallen uit
latere jaren zijn spoorloos verdwenen naar de kust, waar al wat
vergeten is weder te voorschijn zal komen; maar de gebeurtenis van
dezen dag staat als eene onwrikbare rots te midden van den Oceaan.
Ik wist dat Peggotty mij in mijne kamer zou opzoeken. De sabbathstilte
om ons heen—ik vergat te zeggen, dat de dag zooveel op een Zondag
geleek—deed ons beiden weldadig aan. Zij zat naast mij op mijn kleine
bedje en hield mijne hand vast, die zij nu en dan aan hare lippen
bracht of streelde, zooals zij het handje van mijn kleine broertje zou
gedaan hebben, en vertelde mij op hare eigenaardige wijze alles wat er
in de laatste maanden was voorgevallen.
„Zij was al lang niet wel”, vertelde Peggotty. „Zij werd voortdurend
heen- en weergeslingerd en voelde zich volstrekt niet gelukkig. Toen
broertje geboren was, meende ik in het begin, dat zij geheel herstellen
zou, maar zij was te zwak en ging bij den dag achteruit. Vóór de
geboorte van den kleine zat zij gaarne alleen en meermalen betrapte ik
haar, dat zij zat te schreien; naderhand had zij de gewoonte aangenomen
van te zingen—zoo zacht, dat ik eens, toen ik haar hoorde, meende eene
stem te vernemen, die langzaam naar omhoog zweefde. Ik geloof, dat zij
in den laatsten tijd nog angstiger en bedeesder was geworden en dat
een hard uitgesproken woord haar pijn deed. Voor mij bleef zij altijd
dezelfde. Voor hare malle Peggotty bleef zij altijd dezelfde, die
lieveling.”
Peggotty hield een oogenblik op en streelde eenigen tijd mijne hand.
„De laatste keer, dat ik haar gezien heb, zooals zij vroeger was—in
den goeden, ouden tijd—was de avond toen gij thuis kwaamt, mijn beste.
Den dag toen gij weder naar school gingt, zeide zij tegen mij: ‚Ik zal
mijn lieveling nimmer terugzien; ik heb er een voorgevoel van, dat mij
niet kan bedriegen.’
„Zij deed daarna haar best om zich goed te houden en menigmaal dat zij
haar van luchthartigheid en onnadenkendheid beschuldigden, scheen zij
ook werkelijk zoo te zijn; maar het was niet zoo. Zij vertelde haar
echtgenoot nooit hetgeen zij mij verteld had—zij was bang om het aan
iemand anders te vertellen—vóór zekeren avond, ongeveer eene week voor
het werkelijk zoo was. ‚Lieve man’, sprak zij toen, ‚ik geloof dat ik
sterven ga.’
„‚Ziezoo, nu is het van mijn hart, Peggotty,’ snikte zij, toen ik haar
dien avond in bed hielp. ‚Hij zal het eenige dagen lang, van dag tot
dag meer en meer gaan gelooven, de arme man... en dan is alles voorbij.
O, ik ben zoo moe. Blijf bij mij zitten tot ik slaap; laat mij niet
alleen. God zegene mijne beide kinderen! God bescherme en behoede mijn
vaderloozen jongen!’
„Ik verliet haar toen niet meer. Dikwijls sprak zij met die twee,
beneden—want zij hield van hen; zij kon er niet buiten iedereen lief
te hebben uit hare omgeving—maar wanneer zij weg waren, keerde zij
zich altijd weder naar mij, alsof zij alleen bij mij rust vinden en
anders niet in slaap komen kon.
„Den laatsten avond gaf zij mij een kus en zeide: ‚Als mijn kleintje
ook mocht sterven, Peggotty, leg hem dan in mijn armen en laat ons
samen begraven.’—Haar vermoeden was juist geweest, want het arme
schaap overleefde haar maar één dag.—‚Laat mijn beste jongen medegaan
naar mijne laatste rustplaats,’ vervolgde zij, ‚en zeg hem, dat zijne
arme moeder hem op haar ziekbed niet éénmaal, maar duizendmalen
gezegend heeft.’”
Wederom volgden er eenige oogenblikken stilte en wederom streelde zij
mijne hand.
„Het was reeds tamelijk ver in den nacht,” ging Peggotty voort, „toen
zij mij een weinig drinken vroeg en toen zij gedronken had, lag er zulk
een dankbare glimlach om haar mond... o, zij was toen zoo mooi, mijn
lieveling!—De dag was aangebroken, toen zij mij begon te vertellen,
hoe goed en zorgzaam mijnheer Copperfield altijd voor haar geweest was,
hoeveel geduld hij met haar had gehad en hoe menigmaal hij gezegd had,
als zij ontevreden was op zich zelve: dat een liefhebbend hart beter
en meer waard was dan wijsheid en dat hij zoo gelukkig was in haar
bezit. ‚Och, Peggotty, beste meid,’ vervolgde zij toen, ‚leg mij wat
dichter naar u toe’; zij was zoo zwak. ‚Leg uw arm onder mijn hoofd,’
verzocht zij, ‚en keer mij naar u toe, want het is mij alsof uw gezicht
zoo veraf is en ik wilde zoo graag dicht bij u zijn!’—Ik deed wat zij
verzocht en o, Davy! de tijd was daar, dat de woorden, waarmede ik eens
afscheid van u genomen had, waarheid werden: zij was blijde haar arm
hoofd op den arm van hare oude, knorrige Peggotty te leggen en stierf
als een kind, dat langzaam in slaap valt.”
* * * * *
Zoo eindigde Peggotty's verhaal. Van het oogenblik af, dat ik den dood
mijner moeder vernam, was haar beeld, zooals ik haar het laatste jaar
gezien had, uitgewischt. Van dat oogenblik af, bleef zij in mijne
herinnering de jonge moeder, zooals ik mij haar uit mijne eerste
levensjaren herinnerde, de lange krullen om haar vinger draaiend en
met mij door de kamer dansend in de gezellige schemeruurtjes. Hetgeen
Peggotty mij verteld had, bracht mij slechts de moeder uit mijne
vroegste jeugd in herinnering. Het moge vreemd schijnen, toch is het
waar. Met haar dood waren ook de beide laatste jaren uitgewischt en
keerde zij tot mij terug, zooals zij geweest was in haar kalmen,
onbezorgden tijd.
De moeder, die op het kerkhof lag, was de moeder uit mijn kindsheid;
het kleine wezentje in hare armen, was ik, zooals ik eenmaal geweest
was, toen zij mij aan haar boezem in slaap wiegde.