Ik word verwaarloosd en—verzorgd.
Het eerste, dat juffrouw Murdstone deed daags na de begrafenis, toen
het licht weder vrijen toegang had tot de woning, was Peggotty den
dienst op te zeggen. Over eene maand kon zij vertrekken. Met hoeveel
tegenzin Peggotty in zulk een dienst zou zijn gebleven, geloof ik
toch, dat zij ter wille van mij niet zou zijn heengegaan, al was haar
de beste en voordeeligste dienst van de wereld aangeboden. Zij deelde
mij mede, dat wij moesten scheiden en vertelde mij ook, waarom; wij
beklaagden elkander in alle oprechtheid des harten.
Over mij en mijne toekomst werd geen woord gesproken; toch durf ik
verklaren, dat zij blijde zouden geweest zijn, indien zij mij, evenals
Peggotty, met eene maand opzeggens kwijt waren geweest. Op zekeren
dag vatte ik moed en vroeg juffrouw Murdstone wanneer ik weder naar
school zou gaan, waarop zij antwoordde, dat ik er misschien wel in het
geheel niet meer zou heengaan. Verder vernam ik niets. Wel was ik zeer
nieuwsgierig naar hetgeen er verder van mij worden zou en Peggotty niet
minder, maar noch zij, noch ik kon dienaangaande iets gewaar worden.
Er was eene verandering in mijne omstandigheden gekomen, die mij veel
onaangenaamheden bespaarde, doch mij, indien ik in staat geweest was
om er eens grondig over na te denken, zonder twijfel de toekomst
donker zou hebben doen uitzien. Het was deze: De dwang, dien men mij
had opgelegd, was geheel opgeheven. Wel verre van mij steeds in de
huiskamer te willen zien zitten, fronste juffrouw Murdstone zelfs nu
en dan de wenkbrauwen als ik binnenkwam en gaf zij mij te kennen, dat
ik maar liever heen moest gaan. Als ik mijn gezelschap maar niet aan
mijnheer of juffrouw Murdstone opdrong, mocht ik gerust bij Peggotty
in de keuken zitten; er werd nooit naar mij gezocht of gevraagd. In
het eerst vreesde ik, dat mijnheer Murdstone zich verder met mijne
opvoeding zou belasten of dat zijne zuster zich daaraan zou wijden;
maar al spoedig begon ik in te zien, dat deze vrees geheel ongegrond
was geweest en mij niets anders te wachten stond dan verwaarloozing.
Ik zal volstrekt niet beweren, dat deze ontdekking mij toenmaals erg
verontrustte. Ik was nog versuft door den slag, die mij getroffen
had, en onverschillig voor alles wat niet in betrekking stond tot de
overledene. Ik herinner mij wel, nu en dan de mogelijkheid, te hebben
overwogen, dat ik niets meer zou leeren of nergens voor zou opgeleid
worden; dat ik zou opgroeien tot een armoedig, onbruikbaar mensch, die
nergens toe deugde en een onnut leven zou leiden op het dorp; ook is
het wel eens in mij opgekomen, of ik mij niet, even als de helden in
de boeken, die ik gelezen had, aan zulk een lot moest onttrekken en
zelf mijn fortuin zoeken in de wereld; maar dit waren voorbijgaande
visioenen, droombeelden, die ik, wakend, op den wand van mijne kamer
zag geschilderd of geschreven, doch die even spoedig weder verdwenen,
zoowel van den wand als uit mijn brein.
„Peggotty,” fluisterde ik op zekeren avond, toen ik bij de keukenkachel
mijne handen kwam warmen, „Peggotty, ik geloof, dat mijnheer Murdstone
mij nog minder mag lijden dan vroeger. Hij heeft nooit veel van mij
gehouden, maar hij zou mij nu wel willen wegkijken als hij kon.”
„Misschien is daarvan zijne droefheid de oorzaak,” antwoordde Peggotty,
mijne haren streelende.
„Ik ben ook bedroefd, Peggotty, dat verzeker ik u. Indien ik gelooven
kon, dat zijn verdriet de oorzaak was, dan zou ik er niet over denken.
Maar dat is het niet, o, neen, dat is het niet.”
„Hoe weet gij, dat het dat niet is?” vroeg Peggotty, na eene pauze.
„O, zijn verdriet is het niet. Hij is op dit oogenblik, terwijl hij
met juffrouw Murdstone bij den haard zit, erg bedroefd; maar als ik nu
binnenkwam, Peggotty, zou hij wat anders worden.”
„Wat zou hij dan worden?” vroeg Peggotty.
„Boos”, antwoordde ik en bootste onwillekeurig zijn gezicht na. „Als
hij alleen bedroefd was, zou hij mij niet zoo aankijken als hij doet.
Ik ben alleen bedroefd, maar dat stemt mij zachter.”
Peggotty sprak gedurende eenige oogenblikken geen woord en ik warmde
mijne handen, eveneens zwijgend.
„Davy”, zeide zij ten laatste.
„Wat is het, Peggotty?”
„Ik heb alles beproefd, beste, alles gedaan wat ik kon—alle manieren
beproefd, die er zijn en alle manieren, die er niet zijn—om hier, in
Blunderstone, een goeden dienst te krijgen, maar er is er geen, mijn
lieveling.”
„En wat denkt gij nu te gaan doen, Peggotty?” fluisterde ik. „Gaat gij
nu uw fortuin zoeken?”
„Ik geloof, dat ik zal moeten besluiten naar Yarmouth te gaan en daar
af te wachten of zich iets voordoet,” antwoordde Peggotty.
„Gij hadt verder van mij af kunnen gaan,” zei ik, een weinig
gerustgesteld, „zoodat gij geheel voor mij verloren waart. Ik zal
u nu ten minste nu en dan kunnen zien, Peggotty. Gij zult dan ten
minste niet aan het andere einde van de wereld zijn.”
„Dat verhoede de Hemel!” riep Peggotty met vuur. „Zoo lang gij hier
zijt, lieveling, zal ik elke week overkomen om te zien hoe gij het
maakt. Elke week éénmaal, zoo zeker als ik leef.”
Ik voelde mij na deze belofte duizend pond lichter; maar dit was nog
niet alles, want Peggotty ging voort: „Zooals ik zeide, ga ik eerst een
veertien dagen bij mijn broeder logeeren, om eens uit te zien en wat
tot mij zelven te komen. Wellicht zouden zij, als gij hen hier toch te
veel zijt, wel willen toestaan, dat ik u medeneem?”
Indien iets ter wereld—tenzij met de huisgenooten, behalve Peggotty,
op een anderen voet te komen—mij op dit oogenblik genoegen had kunnen
doen, dan was het dit plan. Het denkbeeld opnieuw omringd te zijn door
al die eerlijke gezichten, opnieuw door hen verwelkomd te worden;
opnieuw het vredige gevoel te ondervinden, wanneer des Zondags morgens
de kerkklokken luidden; opnieuw de steentjes in het water te zien
plassen en de schepen uit den mist te zien opduiken; dagelijks met de
kleine Emily op- en neer te gaan en haar te vertellen van mijn groot
verdriet, steentjes en schelpen met haar te zoeken op het strand—dat
alles bracht mijn geschokt gemoed tot kalmte. In het volgende
oogenblik echter bekroop mij reeds de vrees, dat juffrouw Murdstone
hare toestemming zou weigeren; maar ik werd spoedig gerustgesteld, want
terwijl wij nog aan het praten waren, kwam zij hare avond-inspectie
houden over de provisiekast, en met een stoutmoedigheid, die mij
verbaasde, bracht Peggotty onmiddellijk de zaak op het tapijt.
„De jongen zal daar leeg loopen,” zei juffrouw Murdstone, een pot
met augurken bekijkend, „en ledigheid is des duivels oorkussen. Maar
hij loopt hier ook ledig en zal overal ledig loopen—daarvan ben ik
overtuigd.”
Peggotty had een toornig antwoord op de lippen—dat zag ik: maar zij
hield het in, ter wille van de goede zaak, en bewaarde het stilzwijgen.
„Hm!” vervolgde juffrouw Murdstone, nog steeds de diepte peilend van
den pot met augurken, „het voornaamste van alles is—van het grootste
belang is het zelfs—dat mijn broeder met niets worde lastig gevallen.
Het zou wellicht beter zijn, als ik ‚ja’ zei.”
Ik bedankte haar zonder eenige vreugde te toonen, want dan zou zij
waarschijnlijk hare toestemming hebben ingetrokken. Ik kon niet nalaten
te onderstellen, dat ik zeer voorzichtig had gehandeld; zij keek mij
plotseling met zulk een zuur gezicht aan, dat de gedachte in mij opkwam
of al het zuur uit den pot door hare zwarte oogen was opgezogen. Hoe
het zij, de toestemming werd gegeven en niet weder ingetrokken en toen
de maand uit was, waren Peggotty en ik gereed om te vertrekken.
Barkis kwam in huis om Peggotty's koffers te halen. Ik geloof, dat
hij nog nooit binnen het tuinhek geweest was, maar nu kwam hij zelfs
in huis en toen hij met den laatsten koffer op den schouder de deur
uitging, lag er in den blik, waarmede hij mij aankeek, eene bijzondere
uitdrukking, voor zoover ten minste het gezicht van Barkis uitdrukking
hebben kon.
Peggotty was in eene gedrukte stemming, nu het oogenblik was
aangebroken, waarop zij de woning verlaten zou, die zooveel jaren haar
tehuis was geweest en waar zij de teederste betrekkingen van haar
leven—met mijne moeder en mij—had aangeknoopt. Zij was al heel vroeg
naar het kerkhof gegaan en zat nu in de kar met den zakdoek voor de
oogen.
Zoo lang zij in deze stemming bleef, gaf Barkis geen teeken van leven;
hij zat in zijne gewone, trage houding op zijne gewone plaats, als
een groote pop; maar toen Peggotty begon rond te kijken en met mij te
spreken, knikte hij eenige malen met het hoofd en grinnikte daarbij
vergenoegd. Ik begreep volstrekt niet, wat hem daartoe aanleiding gaf
of wat hij er mee bedoelde.
„Mooi weer, vandaag, Barkis!” zei ik bij wijze van beleefdheid.
„Niet slecht,” antwoordde hij. Barkis was altijd zeer voorzichtig in
zijne uitdrukkingen en scheen niet gaarne de verantwoordelijkheid op
zich te nemen van een beslist oordeel.
„Peggotty voelt zich nu weder geheel op haar gemak, Barkis,” zei ik om
hem genoegen te doen.
„Zoo, is zij?” vroeg Barkis.
Nadat hij over dit feit met een wijsgeerig gezicht eenigen tijd had
nagedacht, keek Barkis haar aan en vroeg: „Zijt gij nu weder geheel op
uw gemak?”
Peggotty lachte en antwoordde in bevestigenden zin.
„Maar zeg mij nu eens eerlijk en oprecht: Zijt gij het waarlijk?”
bromde Barkis, terwijl hij wat dichter naar haar toeschoof en haar met
den elleboog aanraakte. „Zijt gij waarlijk op uw gemak? Waarlijk? Hé!”
Bij elke vraag schoof hij nog wat nader en gaf hij haar een duw met den
elleboog, zoodat wij eindelijk met ons drieën in den linkerhoek van de
kar waren terecht gekomen en ik zoo in de verdrukking zat, dat ik niet
dan met moeite kon ademhalen.
Peggotty wees hem op mijne ongemakkelijke houding, waarop Barkis
terstond ruimte begon te maken en gaandeweg weder in zijn gewone
hoekje kwam te zitten. Ik kon echter niet nalaten in mij zelven de
opmerking te maken, dat Barkis zich scheen te verbeelden zeer gelukkig
te zijn geweest in het uitvinden van eene nette, aangename en handige
manier om uiting aan zijne gevoelens te geven, zonder tot spreken
genoodzaakt te zijn. Hij zat er blijkbaar eenigen tijd in zich zelven
over te grinniken. Nu en dan keerde hij zich eens naar Peggotty om,
en de vraag herhalende, of zij zich nu waarlijk meer op haar gemak
voelde, drong hij weder zoo lang op, tot mij de adem benomen werd. En
dit herhaalde hij hoe langer hoe vaker, telkens met denzelfden uitslag.
Ten laatste stond ik op, wanneer ik hem zag aankomen, en ging op de
voetplank staan, alsof ik van het uitzicht wilde genieten en—bevond
mij daar goed bij.
Barkis was zoo beleefd om, geheel tot ons genoegen, aan een herberg
stil te houden en ons op gebraden schapevleesch en bier te onthalen.
Telkens wanneer Peggotty wilde drinken, kreeg hij een van zijne
opdring-buien, zoodat zij zich herhaaldelijk verslikte. Toen wij echter
het einde van onze reis naderden, had hij allerlei beslommeringen en
dientengevolge minder tijd voor liefdesverklaringen, en toen wij op
het Yarmouther plaveisel toch reeds tegen elkander werden geworpen en
gehotst en geschud, kon hij aan niets anders denken.
Baas Peggotty en Ham wachtten ons op het oude plekje op. Zij ontvingen
Peggotty en mij op de vriendelijkste wijze en schudden Barkis de hand.
Hij stond, met den hoed achter op het hoofd en de beenen wijd van
elkaar, zoo verlegen te kijken, dat hij, naar mij voorkwam, een treurig
figuur maakte. Zij namen Peggotty's bagage op en wij waren op het punt
van heen te gaan, toen Barkis mij heimelijk een teeken gaf met den
wijsvinger, om even onder de poort te komen.
„Zeg eens,” bromde hij, „alles is in orde.”
Ik keek hem aan en antwoordde, moeite doende om eene even diepzinnige
uitdrukking op mijn gelaat te krijgen als hij: „Zoo!”
„Wij zien elkaar nog terug,” vervolgde Barkis, terwijl hij mij
vertrouwelijk toeknikte. „Het is in orde.”
Nogmaals antwoordde ik: „Zoo!”
„Ge weet wie wel wilde,” zeide mijn vriend, „het was Barkis. Ja, Barkis
wil wel.”
Ik knikte bevestigend.
„Alles is in orde,” herhaalde hij en schudde mij de hand; „ik blijf uw
vriend. Gij hebt het goed aangelegd. Alles is in orde.”
In zijne pogingen om bijzonder duidelijk te zijn, was Barkis zoo
ontzettend geheimzinnig, dat ik hem wel een uur lang had kunnen
aankijken, zonder meer wijsheid uit zijn gelaat te putten dan uit de
wijzerplaat van eene stilstaande klok. Peggotty riep mij echter toe dat
het tijd werd. Toen wij voortwandelden vroeg zij mij wat Barkis gezegd
had, en ik antwoordde, dat hij mij gezegd had: „Alles is in orde.”
„Heb ik ooit zoo'n onbeschaamdheid meer gezien!” riep Peggotty uit.
„Maar dat doet er niet toe, beste jongen. Wat zoudt gij wel zeggen,
lieve Davy, als ik eens ging trouwen?”
„Wel,” antwoordde ik na eenige aarzeling, „ik onderstel, dat gij even
veel van mij houden zoudt als nu, Peggotty.”
Tot groote verbazing van de voorbijgangers, zoowel als van baas
Peggotty en Ham, die vooruit liepen, voelde de goede ziel zich
verplicht te blijven staan en mij te omhelzen, onder herhaalde
betuigingen van hare onveranderlijke liefde.
„Vertel mij nu eens wat gij er wel van zoudt zeggen, lieveling?” vroeg
zij nogmaals toen wij verder gingen.
„Als gij met Barkis gingt trouwen, Peggotty?”
„Ja.”
„Ik geloof dat gij dan heel goed zoudt doen. Want, nietwaar, Peggotty,
dan zoudt gij altijd het paard en de kar tot uwe beschikking hebben om
mij te komen bezoeken; het zou u dan geen geld kosten en gij zoudt ook
zeker zijn dat er plaats was.”
„Waar haalt die jongen het verstand vandaan!” riep zij. „Dat is het
juist, waarover ik nu reeds een maand lang heb zitten peinzen! Ja,
mijn lieveling, en ik denk ook, dat ik dan minder gebonden zal zijn,
ziet ge? En het is ook aangenamer in zijn eigen huis te werken dan
in dat van een ander. Ik weet niet of ik nog wel geschikt zou zijn
om onder vreemden te dienen. En dan blijf ik ook altijd dicht bij de
laatste rustplaats van mijn „beste” en kan er heengaan wanneer ik wil,”
vervolgde zij peinzend, „en wanneer ik zelve eenmaal het hoofd neerleg,
kan ik dicht bij mijn „beste” begraven worden!”
Gedurende eenige oogenblikken spraken wij geen van beiden een woord.
„Maar,” zei Peggotty eindelijk, „ik zou er in het geheel niet meer aan
willen denken als mijn Davy er iets tegen had—al waren wij driemaal
afgekondigd in de kerk en al versleet de verlovingsring in mijn zak.”
„Kijk mij eens aan, Peggotty,” zei ik „en zie zelve of ik niet heel
blij ben en of ik het zelf ook niet wensch.” En waarlijk, dat deed ik
ook van ganscher harte.
„Welnu, beste,” zei Peggotty, mij aan haar hart drukkende, „ik heb er
dag en nacht over gedacht, op alle manieren en ik hoop ook op de juiste
manier; maar ik zal er nog eens over denken en er met mijn broeder over
spreken en intusschen houden wij het nog geheim, nietwaar, Davy? Barkis
is een eenvoudige, beste man,” vervolgde Peggotty, „en indien ik mijn
plicht tracht te doen bij hem, dan moet het wel mijn eigen schuld zijn
als ik niet..... niet geheel op mijn gemak bij hem ben.” Zij lachte uit
volle borst na deze woorden.
Deze aanhaling van Barkis' woorden was zoo te pas, en wekte
zoodanig onzen lachlust op, dat wij telkens opnieuw begonnen en in
de vroolijkste stemming bij de woning van baas Peggotty aankwamen.
Behalve dat deze in mijne oogen een weinig was ingekrompen, zag zij er
nog juist zoo uit als vroeger, en juffrouw Gummidge stond aan de deur
te wachten, alsof zij daar al dien tijd gestaan had. Van binnen was
alles hetzelfde gebleven, tot de zeeplanten in de blauwe kan op mijn
slaapkamertje toe. Ik ging het uitgebouwde schuurtje binnen om eens
rond te kijken en schijnbaar lagen daar nog dezelfde kreeften, krappen
en schaalvisschen, behept met denzelfden lust om de geheele wereld te
knijpen, op dezelfde wijze in elkander verward, in hetzelfde hoekje
bijeen. Maar wie ik niet zag, dat was de kleine Emily en daarom vroeg
ik baas Peggotty waar zij gebleven was.
„Zij is naar school, jongeheer,” antwoordde baas Peggotty, de
zweetdroppelen van het voorhoofd wisschend, die het dragen van
Peggotty's koffer daarop had te voorschijn geroepen; „zij zal”—hij
keek op de oude Friesche klok—„over twintig minuten of een half uur
thuis zijn. Wij missen haar allen, dat verzeker ik u.”
Juffrouw Gummidge slaakte een zucht.
„Kom, moedertje, moed gehouden!” riep baas Peggotty.
„Ik voel het erger dan iemand anders,” zei juffrouw Gummidge; „ik ben
een ellendig, ongelukkig schepsel en zij was de eenige, voor wie ik nog
geen lastpost was.”
Al kreunende en klagende ging juffrouw Gummidge het vuur aanblazen en
baas Peggotty keek den kring rond en op haar wijzende, zeide hij achter
zijne hand, op fluisterenden toon: „Ze denkt weer aan den oude!” Ik
maakte hieruit op, dat er sedert mijn laatste bezoek geen verbetering
gekomen was in juffrouw Gummidge's gemoedsgesteldheid.
Hoe het kwam, wist ik niet, maar de woning en wat er in en om was,
maakte niet zulk een indruk op mij als den vorigen keer. Toch was
er niets veranderd. Ik was zelfs een weinig teleurgesteld—misschien
omdat Emily er niet was. Maar ik kende den weg, dien zij moest afkomen
en wandelde in die richting op, ten einde haar te ontmoeten. Weldra
zag ik op vrij grooten afstand een gedaante aankomen, die ik spoedig
als Emily herkende; zij was wel gegroeid, maar toch nog altijd klein;
toen zij naderbij kwam en ik zag dat hare blauwe oogen nog blauwer,
en de kuiltjes in hare wangen nog dieper en zij zelve nog mooier en
vroolijker geworden was, maakte zich eene zonderlinge gewaarwording van
mij meester, zoodat ik deed alsof ik haar niet kende en haar voorbij
liep, alsof ik heel in de verte naar iets keek. In latere jaren heb ik
zoo iets wel meer gedaan, als ik mij niet vergis.
De kleine Emily trok er zich niets van aan. Zij herkende mij heel
goed, maar in plaats van om te keeren en mij terug te roepen, liep zij
lachend verder. Hierdoor was ik genoodzaakt haar achterna te loopen,
maar zij liep zoo hard, dat wij reeds vlak bij de woning waren eer ik
haar gevangen had.
„O, waart gij het?” sprak zij.
„Wist gij dan niet wie ik was, Emily?”
„En wist gij dan niet wie ik was?”
Ik wilde haar een kus geven, maar zij bedekte hare kersroode lippen met
hare handen, zeide dat zij nu geen klein kind meer was en snelde heen,
harder lachend dan ooit. Het scheen wel dat zij er pleizier in had mij
te plagen en deze verandering in haar verbaasde mij. De theetafel was
gereed en het bankje, dat ons vroeger tot zitplaats had gediend, stond
nog op de oude plaats; maar in plaats van naast mij te komen zitten,
schonk zij haar gezelschap aan de jammerende juffrouw Gummidge en op
de vraag van baas Peggotty, waarom zij niet op hare oude plaats ging
zitten, wierp zij hare krullen over haar gezicht, om het te verbergen
en deed niets dan lachen.
„O, het is zoo'n katje!” zei baas Peggotty, terwijl hij haar met zijn
breede hand over het hoofd streelde.
„Ja, dat is ze! Dat is ze!” riep Ham. „Ja, jongeheer Davy, dat is ze!”
Al grinnikend bleef hij haar aankijken, vol bewondering en verrukking,
zoodat zijne wangen langzamerhand met een gloeienden blos werden
overtogen.
De kleine Emily werd door allen bedorven en door niemand erger dan
door baas Peggotty zelven, van wien zij alles gedaan kon krijgen,
alleen door hare zachte wang tegen zijn ruwen bakkebaard te leggen.
Zoo meende ik tenminste, toen ik haar dat zag doen en ik vond dat baas
Peggotty in zijn volle recht was. Zij was zoo lief en zoo zacht en kon
zoo schalksch en zoo bedeesd tevens zijn, dat zij mij meer dan ooit in
verrukking bracht. Zij had een goed hart ook, want toen wij na de thee
om het vuur zaten en baas Peggotty onder het genot van zijn pijpje het
verlies besprak, dat ik geleden had, stonden de tranen in hare oogen en
keek zij mij over de tafel heen zoo weemoedig aan, dat ik haar innig
dankbaar was.
„Ja,” zei baas Peggotty, terwijl hij hare krullen door zijne grove hand
liet glijden, „hier is ook een weesje, jongeheer. En hier,” vervolgde
hij, Ham een duw gevend, „is er nog een, al ziet hij er niet naar uit.”
„Als ik u tot voogd had, baas Peggotty”, zei ik, het hoofd schuddende,
„zou ik het ook niet zoo voelen.”
„Goed gezegd, jongeheer Davy!” riep Ham met warmte uit. „Hoezee! Goed
gezegd! Gij zoudt het niet voelen! Hoort gij 't? Hoort gij 't wel?” Hij
gaf bij deze laatste woorden baas Peggotty den duw van zooeven terug en
de kleine Emily stond op en kuste haar voogd.
„En hoe maakt het uw vriend, jongeheer?” vroeg baas Peggotty.
„Bedoelt gij Steerforth?”
„Juist, zoo heet hij!” riep baas Peggotty, zich tot Ham wendende. „Ik
wist wel, dat het een naam is, die in ons bedrijf te pas komt.”
„Ik meende, dat gij hem Rudderford hadt genoemd,” zei Ham lachend.
„Welnu!” hernam baas Peggotty. „Gij stuurt immers met het roer, is 't
niet? Zoo heel ver waart gij er dus niet vandaan. Hoe maakt hij het,
jongeheer!”
„Toen ik heenging, was hij heel wel, baas Peggotty.”
„Dat is een vriend!” zei baas Peggotty, zijne pijp uitkloppend. „Dat is
een vriend, als gij spreekt van vrienden. Men zou een uur loopen om hem
te zien!”
„Hij is een knappe jongen, nietwaar?” zei ik, verrukt over den lof op
mijn boezemvriend.
„Knap!” riep baas Peggotty uit. „Hij stond daar voor ons als.....
ja..... als..... ik weet niet als wat. Als een prins misschien wel!”
„Ja, daar lijkt hij op.... op een prins!” antwoordde ik. „Hij is zoo
dapper, zoo stoutmoedig als een leeuw, baas Peggotty; en gij kunt u
geen denkbeeld maken van zijn rondborstigheid.”
„En, voor zoover ik er over kan oordeelen,” hernam baas Peggotty, „zal
hij in het leeren uit allerlei boeken ook wel iedereen de baas zijn.”
„Ja,” zei ik, opgetogen, „hij weet alles; hij is verbazend knap.”
„Dat is me een vriend!” herhaalde baas Peggotty binnensmonds.
„Niets schijnt hem eenige moeite te kosten,” hernam ik. „Hij kent
zijn les als hij er maar even in gekeken heeft. Hij is de beste
cricket-speler, dien gij ooit hebt gezien. En bij het dammen, zal hij u
zooveel schijven voor geven als gij maar wilt, en het toch gemakkelijk
van u winnen!”
Baas Peggotty knikte met het hoofd alsof hij wilde zeggen: „Dat spreekt
van zelf.”
„Hij spreekt zoo rad, dat hij iedereen kan overreden, en ik gaf wat,
baas Peggotty, als gij hem eens kondt hooren zingen.”
Nogmaals knikte baas Peggotty met het hoofd, als wilde hij zeggen: „Ik
twijfel er niet aan.”
„Bovendien heeft hij zulk een edelmoedig karakter, is hij zulk een
ferme, trouwhartige jongen,” vervolgde ik, meegesleept door mijn
meest geliefkoosd onderwerp, „dat men hem moeielijk zooveel lof kan
toezwaaien als hij verdient. Ik ben overtuigd, dat ik nooit dankbaar
genoeg kan zijn voor de edelmoedigheid, waarmede hij mij heeft
beschermd, mij, die zooveel jonger was en zooveel lager op de school
zat dan hij.”
Zoo bleef ik bijna zonder ophouden aan het doorslaan; tot mijn oog
viel op de kleine Emily, die, over de tafel gebogen, met de grootste
aandacht zat te luisteren. Zij hield haar adem in; hare blauwe oogen
schitterden als twee diamanten en op hare wangen lag een donkere blos.
Zij keek zoo buitengewoon ernstig en zag er zoo bijzonder lief uit, dat
ik eensklaps zweeg en haar met bewondering aanstaarde; op hetzelfde
oogenblik waren aller blikken op haar gevestigd; want toen ik ophield,
keken zij lachend naar haar gezichtje.
„Het gaat Emily als mij,” zei baas Peggotty, „zij zou hem gaarne eens
zien.”
Emily werd onder al die blikken verlegen; zij liet haar hoofdje
hangen en een donkere blos verspreidde zich over haar gelaat en haar
hals. Toen zij een oogenblik later opkeek en al die oogen nog op zich
gevestigd zag—ik had haar wel een uur lang kunnen aankijken—snelde
zij heen en bleef weg tot het bedtijd geworden was.
Ik sliep in het oude bed in den achtersteven van de schuit, en de wind
loeide over de vlakte evenals vroeger. Ik kon echter niet nalaten mij
te verbeelden, dat de klaagtonen, die ik hoorde, hen golden, die niet
meer onder de levenden behoorden; in plaats van te denken, dat de zee
in den nacht zou opkomen en de schuit medenemen, meende ik, dat de
zee werkelijk opgekomen was, sinds ik het laatst deze zelfde geluiden
had vernomen, en mijn gelukkig ouderlijk huis had medegesleept in de
diepte. Ik herinner mij dat, toen de geluiden, door den wind en de zee
voortgebracht, hoe langer hoe zwakker werden, ik mijn gebedje eindigde
met de bede, dat ik, eenmaal groot zijnde, met de kleine Emily mocht
trouwen—en zoo viel ik met de liefelijkste gedachten in slaap.
De dagen gingen even genoegelijk voorbij als de eerste maal, met
uitzondering echter—voor mij eene zeer gewichtige uitzondering—dat
de kleine Emily zelden met mij langs het strand wandelde. Zij moest
lessen leeren, had allerlei naaiwerk en was het grootste gedeelte van
den dag afwezig. Ik voelde echter wel, dat al ware zij den geheelen
dag thuis geweest, wij toch niet meer zoo prettig zouden gewandeld
hebben. Zij was wild en vol kinderlijke grillen, maar begon reeds meer
de gewoonten aan te nemen van een volwassen meisje, dan ik had kunnen
onderstellen. Het scheen wel, dat er een groote afstand tusschen ons
gekomen was in dat jaar. Zij hield wel van mij, maar zij lachte mij uit
en plaagde mij; ging ik haar tegemoet, dan nam zij een anderen weg en
stond mij, als ik teleurgesteld thuis kwam, aan de deur uit te lachen.
De aangenaamste oogenblikken waren die, wanneer zij op den drempel zat
te naaien en ik haar, op het houten trapje aan hare voeten zittende,
voorlas. Het komt mij nu voor, alsof ik de zon nooit zoo schitterend
heb gevonden als op die heerlijke namiddagen in April; dat ik nooit
zulk een zonnig klein meisjesfiguurtje gezien heb als de kleine Emily,
zittende op den drempel van de huisdeur—als ik den hoofdtoegang tot de
schuit zoo noemen mag—; dat de lucht nooit zoo helder, de zee nooit
zoo effen was, dat ik nooit zulke heerlijke schepen aan den purperen
horizon heb zien verdwijnen als toen.
Op den eersten avond na onze aankomst verscheen Barkis, bedremmeld en
verlegen, en met een zakdoek vol sinaasappelen. Aangezien hij met geen
woord over zijn eigendom sprak, onderstelden wij, dat hij ze vergeten
had mede te nemen, toen hij heenging. Ham snelde hem achterna, om ze
hem ter hand te stellen, maar kwam terug met de boodschap, dat ze voor
Peggotty bestemd waren. Na deze overwinning op zich zelven behaald te
hebben, verscheen hij elken avond, prompt op hetzelfde uur, altijd
met een of ander pakje bij zich, waarover hij geen woord sprak en dat
hij geregeld achter de deur zette en daar liet liggen. Deze bewijzen
van zijne liefde waren van den meest verschillenden en zonderlingsten
aard. Ik herinner mij o. m. een paar varkenspootjes, een vervaarlijk
speldenkussen, zoo om en bij een half mud appelen, een paar gitten
oorbellen, een rist Spaansche uien, een dominospel, een kanarievogel
met kooi en een gerookte ham.
Over het geheel waren Barkis' liefdesbetuigingen, voor zoo ver ik mij
herinner, van zonderlingen aard. Hij zei bijna nooit iets, maar zat
bij het vuur in dezelfde houding als op de kar en staarde Peggotty,
die tegenover hem zat, met strakke oogen aan. Op zekeren avond nam
hij, naar ik onderstel door liefde gedreven, plotseling het stukje
waskaars weg, dat Peggotty gebruikte om het garen glad te maken, stak
het in zijn vestzak en nam het mede. Na dien tijd was het zijn grootste
vermaak het te voorschijn te halen, wanneer het noodig was; het was
half gesmolten en kleefde aan de voering vast, maar toch stak hij het
telkens weder bij zich. Hij scheen zich bijzonder te vermaken en geen
roeping te gevoelen om te praten. Zelfs wanneer hij Peggotty medenam
om eene wandeling langs het strand te doen, maakte hij het zich niet
druk en vergenoegde zich, naar ik onderstel, met nu en dan te vragen of
zij zich wel goed op haar gemak voelde. Ik herinner mij, dat Peggotty
nu en dan na zijn vertrek, den boezelaar over haar gezicht wierp en
eene lachbui kreeg, die langer dan een half uur duurde. Waarlijk,
wij verkeerden allen min of meer in zulk eene stemming, behalve de
ongelukkige juffrouw Gummidge, wier verlovingstijd waarschijnlijk
onder dergelijke omstandigheden was voorbijgegaan, zoodat zij telkens
aan „den oude” herinnerd werd.
Toen het einde van mijn bezoek aan de vriendelijke visschersfamilie
reeds nabij was, werd er besloten, dat Barkis en Peggotty eens een dag
uit zouden gaan en dat Emily en ik hen zouden vergezellen. Ik sliep
den nacht, die vooraf ging, zeer onrustig in het vooruitzicht van een
ganschen dag met Emily samen te zullen zijn. Wij waren 's morgens voor
dag en dauw op en toen wij nog aan het ontbijt zaten, zagen wij in de
verte Barkis reeds aankomen in een soort sjees, die hij zelf mende in
de richting van het voorwerp zijner liefdedroomen.
Peggotty droeg als gewoonlijk haar zindelijk, glad rouwkleed; maar
Barkis was gedost in eene nieuwe jas, die de kleermaker zoo ruim had
gemeten, dat de mouwen hem zelfs bij het koudste weder handschoenen
bespaarden, terwijl de kraag zijne haren steil in de hoogte duwde. De
blinkende knoopen waren eveneens van de grootste soort. Verder droeg
hij een broek van grijs laken en een lichtgeel vest, zoodat hij in mijn
oog een toonbeeld van deftigheid was.
Toen wij allen buiten waren, zag ik, dat baas Peggotty een ouden schoen
in de hand hield, die ons achterna zou geworpen worden, opdat de tocht
goed zou afloopen en die juffrouw Gummidge hem tot dat doel overhandigd
had.
„Neen,” had zij gezegd, „het is beter, dat een ander het doet, Daniël.
Ik ben een ellendig en ongelukkig schepsel; het zou hun ook maar
tegenloopen in de wereld, evenals mij altijd alles tegenloopt.”
„Kom, oudje!” riep baas Peggotty. „Neem aan en gooi op!”
„Neen, Dan,” hernam zij op huilerigen toon en het hoofd schuddend. „Als
ik alles maar minder voelde, zou ik ook meer kunnen. Gij voelt niet
zooals ik, Dan; alles loopt u ook niet zoo tegen—doe het daarom liever
zelf.”
Maar Peggotty, die van den een naar den ander was gegaan en allen
gekust had, riep uit de sjees, waarin wij nu met ons vieren hadden
plaats genomen—Emily en ik op twee kleine stoeltjes—dat juffrouw
Gummidge het doen moest. En zoo deed zij het, maar het spijt me te
moeten vertellen hoe zij de vreugde van onzen feestelijken uittocht
bedierf door onmiddellijk in tranen uit te barsten en machteloos in
Ham's stevige armen te zinken, verklarende wel te weten, dat zij een
lastpost was en naar het armenhuis gebracht moest worden. Naar het mij
voorkwam was dit een zeer verstandig denkbeeld van haar en had Ham het
maar onmiddellijk ten uitvoer moeten brengen.
Eindelijk ving de rijtoer aan en het eerste wat wij deden was bij eene
kerk stil te houden, waar Barkis het paard aan een paal vastbond en
met Peggotty naar binnen ging, terwijl Emily en ik alleen in de sjees
bleven. Ik maakte van deze gelegenheid gebruik om mijn arm om Emily's
hals te slaan en haar voor te stellen, dat wij met het oog op mijn
aanstaand vertrek den geheelen dag heel veel van elkander zouden houden
en heel veel pleizier zouden hebben. Toen Emily hierin toestemde en mij
zelfs veroorloofde haar een kus te geven, werd ik wanhopig verliefd;
ik herinner mij zeer goed haar toen betuigd te hebben, dat ik nimmer
een ander meisje zou kunnen liefhebben en bereid was om ieder, die haar
over liefde zou durven spreken, overhoop te steken.
O, wat maakte de kleine Emily zich vroolijk over deze ontboezeming!
Wat trok zij een nuffig gezichtje, alsof zij veel ouder en wijzer was
dan ik, toen zij mij een „onnoozele jongen” noemde; en zij lachte
daarbij zoo hartelijk, zoo bekoorlijk, dat ik de pijn, die deze
geringschattende toespraak mij veroorzaakte, geheel vergat door het
genoegen van haar te mogen zien.
Barkis en Peggotty bleven geruimen tijd in de kerk, maar kwamen er
toch eindelijk weer uit en toen reden wij naar buiten. Onder het
rijden keerde Barkis zich om en vroeg mij, een knipoogje makend—ik had
eigenlijk gedacht, dat hij geen knipoogjes _kon_ maken—: „Welke naam
was het ook, dien ik op de kar heb geschreven?”
„Clara Peggotty,” antwoordde ik.
„En welken naam zou ik nu opschrijven, als er plaats voor was?” vroeg
hij nogmaals met een knipoogje.
„Weer, Clara Peggotty,” raadde ik.
„Mis, Clara Peggotty Barkis,” antwoordde hij en barstte in zulk een
schaterlach uit, dat de sjees er van schudde. Kortom, zij waren
getrouwd en voor geen ander doel de kerk binnengegaan. Peggotty had
gewild, dat het huwelijk in alle stilte zou voltrokken worden, zoodat
er geen andere getuigen waren geweest dan de koster. Zij werd wat
verlegen toen Barkis op zulk eene luidruchtige wijze hunne vereeniging
bekend maakte en kon mij dien dag maar niet genoeg kussen en omhelzen,
ten bewijze van hare onverflauwde toegenegenheid; spoedig werd zij
echter weder de oude en verklaarde zij blijde te zijn, dat het achter
den rug was.
Wij reden naar eene kleine herberg aan een zijweg, waar wij blijkbaar
verwacht werden, een goeden maaltijd en een aangenamen dag hadden. Als
Peggotty in de laatste tien jaren elke maand eens getrouwd was, zou zij
niet méér op haar gemak kunnen zijn geweest: er was geen verschil in
haar te bespeuren; zij was zoo gewoon, zoo kalm, alsof er niets gebeurd
was en ging vóór de thee een wandeling maken met kleine Emily en mij;
terwijl Barkis met een wijsgeerig gezicht zijn pijpje zat te rooken
en zich, naar het mij voorkwam, zat te verkneuteren in zijn geluk.
Indien dit zoo was, dan had dit peinzen zijn eetlust opgewekt, want, ik
herinner het mij duidelijk, dat, hoewel hij aan het middagmaal zich te
goed had gedaan aan varkensvleesch en groenten en ook zijn deel van de
kippen niet had versmaad, bestelde hij bij de thee koud, gekookt spek
en verorberde er, zoo kalm mogelijk, eene flinke portie van.
Na dien tijd heb ik dikwijls gedacht wat eene wonderlijke, onschuldige,
zonderlinge bruiloft het toch geweest was! Toen de duisternis was
ingevallen stapten wij weder in de sjees en reden in de opgeruimdste
stemming huiswaarts, terwijl wij den tijd doorbrachten met naar de
sterren te kijken en er over te praten. Ik was de hoofdpersoon en
opende voor Barkis eene geheel nieuwe wereld. Ik vertelde hem alles
wat ik wist, maar hij zou alles geloofd hebben wat maar in mijn hoofd
was opgekomen om hem te vertellen; want hij had diep ontzag voor mijne
knapheid en deelde zijne vrouw in mijne tegenwoordigheid mede, dat ik
een wonder van geleerdheid was.
Toen wij de sterren hadden afgehandeld, of liever, toen ik van Barkis'
verstand niet meer kon vorderen, sloegen kleine Emily en ik een ouden
paardedeken om, waaronder wij tot het einde van den rit bleven zitten.
O, wat had ik haar lief. Welk een geluk—zoo dacht ik—om met haar
getrouwd te zijn en ergens buiten met haar te gaan wonen, altijd
dezelfden te blijven, niet ouder en niet wijzer te worden, altijd als
kinderen, hand aan hand door den zonneschijn en de groene velden te
wandelen, onze hoofden des nachts op het zachte mos neer te leggen en
daar in alle onschuld en reinheid te slapen en door de vogels begraven
te worden als wij dood waren. Dergelijke tafereelen, zonder werkelijke
wereld, beschenen door het licht onzer onschuld en vaag als de verst
verwijderde sterren, doemden gedurende den geheelen verderen rit voor
mijn geestesoog op. Ik verheug er mij nog in, dat er bij Peggotty's
huwelijk twee zulke argelooze harten als Emily en ik tegenwoordig
waren, dat de minnegoodjes in hun eenvoudigen bruidsstoet zulke
kinderlijke vormen hadden aangenomen.
Laat in den avond kwamen wij gezond en wel aan onze oude schuit terug
en daar namen Mijnheer en Mejuffrouw Barkis afscheid van ons en reden,
dicht naast elkander gezeten, naar hunne eigene woning. Ik voelde
toen voor het eerst dat ik Peggotty verloren had. Hadde hetzelfde dak
Emily's hoofd niet beschermd, ik zou met een bezwaard hart naar bed
zijn gegaan.
Baas Peggotty en Ham begrepen zeer goed wat er in mijn hart omging; zij
zaten ons met een avond-boterham op te wachten en hunne vriendelijke,
gastvrije gezichten verdreven spoedig alle zorgen. De kleine Emily
kwam naast mij op het bankje zitten—de eenige keer gedurende mijn
bezoek—en zoo kwam er aan dezen wonderbaren dag een wonderbaar slot.
Het was dien nacht vloed en spoedig, nadat wij naar bed waren, gingen
baas Peggotty en Ham op de vischvangst uit. Ik was er wat trotsch op
alleen te zijn gelaten ter bescherming van juffrouw Gummidge en de
kleine Emily, en wenschte maar, dat er een leeuw of een slang of eenig
ander kwaadaardig monster zou opdagen om ons aan te vallen, opdat ik
het zou kunnen vernietigen en mijzelven met roem overladen. Er daagde
echter geen enkel soortgelijk dier aan het Yarmouther strand op en zoo
vergenoegde ik mij met den geheelen nacht tot laat in den morgen over
draken te droomen.
Tegen den morgen kwam Peggotty en riep mijn naam zooals gewoonlijk
onder het venster van mijne kamer, alsof het bestaan van een zekeren
Barkis evenzoo van het begin tot het einde een droom geweest was. Na
het ontbijt nam zij mij mede naar haar eigen woning, een lief, klein
huisje. Van alle meubelen, die er stonden, schijnt een oud bureau
van donkerkleurig hout in de mooie kamer—de keuken met den vloer
van tegels was tevens huiskamer—den meesten indruk op mij gemaakt
te hebben. Het had een klep, die neergeslagen kon worden en dan als
schrijftafel dienst deed; terwijl er een exemplaar in quarto van Fox'
Geschiedenis der Martelaren in lag. Ik ontdekte dit kostbare werk
terstond en maakte er mij meester van. Ik herinner mij er niets meer
van, maar zoo vaak ik later bij Peggotty Barkis kwam, klom ik op
een stoel, opende de bewaarplaats van dit juweel, spreidde de armen
over den neergeslagen klep uit en begon het boek met frisschen moed
te verslinden. Ik vrees het meest aangetrokken geweest te zijn door
de prenten, voorstellingen van de afschuwelijkste martelingen van
allerlei aard; de martelaren en Peggotty's huis zijn sinds dien tijd
onafscheidelijk geweest in mijne herinnering, en zijn het nog.
Eindelijk nam ik afscheid van baas Peggotty en Ham en juffrouw Gummidge
en kleine Emily; ik bracht den laatsten nacht door in Peggotty's woning
op een klein dakkamertje—het krokodillenboek lag op eene plank aan
het hoofdeneinde—dat steeds voor mij beschikbaar zou blijven, zooals
Peggotty zeide, en altoos in denzelfden toestand zou gehouden worden.
„Oud of jong, beste Davy, zoo lang ik leef en dit dak boven mijn hoofd
heb,” sprak Peggotty, „zult gij uw kamertje vinden alsof ik u elk
oogenblik verwachtte. Ik zal het elken dag ‚doen’, mijn lieveling,
zooals ik uw oude kamertje in Blunderstone ‚deed’; en al gaat gij ook
naar China, het kamertje blijft zooals het nu is.”
De liefde en aanhankelijkheid van mijne oude kindermeid deden mij goed,
en ik betuigde haar, zoo goed als ik kon, mijn dank. Veel kon ik niet
zeggen, want zij had de armen veel te stijf om mijn hals geslagen. Zij
en Barkis brachten mij met de kar naar huis; aan het tuinhek namen
zij afscheid en een zonderling gevoel maakte zich van mij meester,
toen ik de kar zag wegrijden met Peggotty, en ik alleen bleef onder de
oude olmboomen, opziende naar het huis, waarin geen enkel gelaat mij
tegenblonk, dat mij liefderijk of zelfs maar vriendelijk ontving.
Er ving nu een tijdperk in mijn leven aan, waarin ik aan verwaarloozing
was prijs gegeven, en waaraan ik niet dan met leedwezen kan denken. Ik
stond geheel alleen, zonder dat iemand zich eigenlijk mijner aantrok,
zonder speelkameraden van mijn leeftijd, afgezonderd van alles, alleen
met mijne moedelooze gedachten, waarvan de herinnering mij thans nog,
terwijl ik dit schrijf, droefgeestig stemt. Wat zou ik niet gegeven
hebben als men mij naar de strengste kostschool gezonden had, die ooit
bestaan heeft! Had ik maar onderwijs gekregen, op welke wijze dan ook!
Die hoop was echter ijdel. Zij hadden een hekel aan mij; op norsche,
stroeve wijze hielden zij mij onder gestadig toezicht. Ik geloof, dat
mijnheer Murdstone's inkomen in dien tijd vrij beperkt was, maar dat
deed niets ter zake. Hij kon mij niet uitstaan, en door mij uit zijn
huis te verwijderen, trachtte hij, naar ik meen, ook het denkbeeld te
verdrijven, dat ik eenige aanspraken kon doen gelden—en dat gelukte
hem.
Ik werd niet mishandeld in den gewonen zin van dit woord. Ik werd
niet geslagen, men liet mij geen honger lijden; maar het onrecht,
dat men mij aandeed, werd nooit afgebroken door tusschenpoozen
van zachtmoedigheid; alles ging stelselmatig, zonder eenige
hartstochtelijkheid. Dagen, weken, maanden achtereen werd ik eenvoudig
verwaarloosd.
Wanneer ik aan dien tijd denk, komt menigmaal de vraag bij mij op, wat
zij wel zouden gedaan hebben, als ik ziek geworden was; zouden zij
mij alleen hebben laten liggen op mijn eenzaam kamertje en langzaam
hebben laten wegkwijnen of beter worden—zou men mij met hulp hebben
bijgestaan?
Waren mijnheer en juffrouw Murdstone thuis dan gebruikte ik de
maaltijden met hen; waren zij uit dan zat ik alleen op mijn
kamertje. Zonder eenige beperking zwierf ik dagelijks om het huis
en door den omtrek rond, al was het denkbeeld, dat ik hier of daar
vriendschapsbanden zou aanknoopen, hun onaangenaam, vermoedelijk
uit vrees, dat ik mij beklagen zou over de wijze, waarop zij mij
behandelden. Hoewel dokter Chillip mij meermalen uitnoodigde om hem te
bezoeken—hij was weduwnaar en had, eenige jaren te voren, zijn tenger,
blond vrouwtje verloren, dat ik mij herinner in verbinding met een wit
schildpadden katje—genoot ik om diezelfde reden slechts zelden het
geluk, een avond in de kamer achter zijne apotheek te mogen zitten
lezen in geheel nieuwe boeken, met al de luchtjes van de apotheek in
mijn neus, of onder zijn toezicht het een of ander te mogen fijnstampen
in den grooten mortier.
Om dezelfde reden—waarbij zonder twijfel ook de afkeer, dien zij
van haar hadden, in de schaal mag worden gelegd—werd mij slechts
zelden toegestaan aan Peggotty een bezoek te brengen. Getrouw aan hare
belofte, bezocht zij mij of ontmoette ik haar ergens in de buurt elke
week en nooit kwam zij met ledige handen; maar dikwijls en bitter werd
ik teleurgesteld, wanneer ik verzocht haar een bezoek terug te mogen
brengen in hare woning. Eenige malen echter, met lange tusschenpoozen,
mocht ik gaan en dan deed ik telkens de ondervinding op, dat Barkis
eigenlijk een gierigaard of, zooals Peggotty het uitdrukte, een weinig
schriel was, en eene goede som gelds bewaarde in een kist onder zijn
bed, terwijl hij beweerde, dat er oude kleeren in waren. Hij hield zijn
schatten zoo hardnekkig verborgen, dat zelfs de kleinste sommen niet
anders dan door list te verkrijgen waren en Peggotty des Zaterdags
avonds een geheel plan—van de soort als het Buskruitverraad—moest
beramen, om het noodige voor de wekelijksche inkoopen machtig te
worden.
Al dien tijd voelde ik zeer goed, dat ik al het geleerde weder vergat
en in alle opzichten verwaarloosd werd, zoodat ik mij ongetwijfeld diep
ellendig zou gevoeld hebben, indien ik mijne oude boeken niet gehad
had. Ze waren mijn eenige troost en ik was hun even trouw als zij mij
en las en herlas ze, ik weet niet hoeveel malen.
Ik ben thans aan een tijdperk in mijn leven genaderd, dat ik nimmer zal
vergeten, omdat al hetgeen daarin voorviel mij te levendig voor den
geest staat; de herinnering daaraan rijst thans nog—ook buiten mijn
wil—menigmaal voor mij op en heeft vaak mijne gelukkigste oogenblikken
verbitterd.
Op zekeren dag was ik uit geweest; ik had rondgezworven, of liever
uit lusteloosheid en verveling rondgeslenterd, zooals ik zoo dikwijls
deed, toen ik bij het omslaan van een hoek in de nabijheid van ons huis
mijnheer Murdstone in gezelschap van een vreemden heer zag aankomen.
Waarom weet ik niet, maar ik voelde mij verlegen en wilde hen voorbij
loopen, toen de vreemde heer riep:
„Is dat niet Brooks?”
„Neen, mijnheer,” zei ik, „ik heet David Copperfield.”
„Nu geloof ik dat gij mij beet wilt hebben,” antwoordde hij, „gij heet
Brooks, Brooks van Sheffield.”
Ik keek den vreemdeling na deze woorden eens aandachtig aan. Zijne
wijze van lachen kwam mij bekend voor—het was mijnheer Quinion, dien
ik te Lowestoft ontmoet had, toen ik met mijnheer Murdstone daar
geweest was—het is niet noodig mij dat bezoek te herinneren.
„En hoe gaat het u, en waar ligt gij op school, Brooks?” vroeg mijnheer
Quinion.
Hij had zijne hand op mijn schouder gelegd en keerde mij om, opdat ik
mede zou wandelen. Ik wist niet wat ik zou antwoorden en keek mijnheer
Murdstone verlegen aan.
„Hij is tegenwoordig thuis,” zei deze. „Hij is niet op school. Ik
weet eigenlijk niet wat ik met hem moet aanvangen. Hij is een lastig
heertje.”
Ik zag gedurende eenige oogenblikken den zekeren loenschen blik weder
op mij gevestigd; daarna fronste hij de wenkbrauwen en wendde zich met
zichtbaren afkeer van mij af.
„Hm!” zei mijnheer Quinion, van hem naar mij kijkende. „Mooi weer
vandaag.”
Er volgde een oogenblik stilte, waarin ik er over peinsde hoe ik mij
op de beste wijze van zijne hand kon bevrijden en mijn eigen weg gaan,
toen hij zeide:
„Gij zijt zeker wel een slim kereltje, Brooks!”
„Ja, hij is slim genoeg,” viel mijnheer Murdstone in. „Gij hadt beter
gedaan hem te laten gaan; hij zal u niet dankbaar zijn dat gij hem
ophoudt.”
Op dezen wenk liet mijnheer Quinion mijn schouder los en ik sloeg den
weg naar huis in. Toen ik in den tuin was, keek ik om en zag mijnheer
Murdstone met den rug tegen den kerkhofmuur staan in druk gesprek met
mijnheer Quinion. Zij keken mij beiden na en ik voelde dat zij over mij
spraken.
Mijnheer Quinion bleef dien nacht logeeren. Den volgenden morgen, na
het ontbijt, had ik mijn stoel weggezet en wilde de kamer uitgaan, toen
mijnheer Murdstone mij terugriep. Hij nam met een zekere plechtigheid
aan eene andere tafel plaats, waaraan ook zijne zuster gezeten was.
Mijnheer Quinion stond met de handen in de zakken uit het venster te
kijken en ik zelf keek hen allen beurtelings aan.
„David,” zei mijnheer Murdstone, „jonge menschen zijn op de wereld om
te werken, niet om te droomen en baloorig rond te loopen.....”
„Zooals gij,” voegde juffrouw Murdstone er bij.
„Jane Murdstone, laat deze zaak aan mij over, als 't u belieft! Ik
zeg, David, jonge menschen zijn op de wereld om te werken, niet om te
droomen en baloorig rond te loopen. Vooral is dit noodzakelijk voor
een jongen zooals gij, die in bijna alles veel zal moeten veranderen
en verbeteren; zulk een jongen als gij kan men geen grooter dienst
bewijzen dan hem de wereld in te zenden om te werken, ten einde hem
zijne koppigheid af te leeren.”
„Want koppigheid komt niet te pas,” voegde zijne zuster er bij. „Zulk
een harde kop moet gebroken worden en zal ook gebroken worden.”
Hij wierp haar een half bestraffenden, half instemmenden blik toe en
ging voort:
„Ik onderstel dat gij weet, David dat ik niet rijk ben. In elk geval
weet gij het nu. Gij hebt reeds heel wat kunnen leeren, maar zulk een
school kost veel geld en al was dit niet zoo en al kon ik het betalen,
zou ik toch van oordeel zijn, dat het verblijf op zulk eene school voor
u niet deugt. Gij zult u zelf door de wereld moeten slaan en hoe eerder
gij daarmede aanvangt, hoe beter.”
Het kwam mij voor, dat ik op mijne wijze reeds daarmede begonnen was;
hoe het zij, op dit oogenblik komt het mij voor.
„Gij hebt zeker wel eens hooren spreken over ‚het kantoor’,” vervolgde
mijnheer Murdstone.
„Het kantoor, mijnheer?” herhaalde ik.
„Ja, het kantoor van Murdstone en Grinby, in wijnen,” antwoordde hij.
Ongetwijfeld zal ik erg verbaasd hebben staan kijken, want hij ging
haastig voort:
„Gij hebt zeker wel eens hooren spreken over het kantoor, of de zaak,
of de kelders, of iets dergelijks?”
„Ik meen wel eens over ‚de zaak’ te hebben hooren spreken, mijnheer,”
antwoordde ik, want ik herinnerde mij vaag, iets vernomen te hebben van
de inkomsten van hem en zijne zuster. „Ik weet echter niet wanneer.”
„Dat doet er ook niet toe,” antwoordde hij. „Mijnheer Quinion bestuurt
tegenwoordig de zaken.”
Ik keek mijnheer Quinion, die nog steeds bij het venster stond, met een
zekeren eerbied aan.
„Mijnheer Quinion vertelde mij, dat er meer jongens in de zaak werkzaam
zijn en ik zie daarom niet in, waarom gij daar ook niet werkzaam zoudt
zijn, onder dezelfde voorwaarden.”
„Omdat hij geen andere vooruitzichten heeft,” merkte mijnheer Quinion
op langzamen toon op, terwijl hij zich even omwendde.
Zonder op deze woorden acht te slaan, ging mijnheer Murdstone
ongeduldig, bijna toornig voort:
„Deze voorwaarden zijn, dat gij genoeg zult verdienen om voor uw eigen
eten, drinken en zakgeld zorg te dragen. Uw inwoning wordt door mij
betaald, dat is reeds geregeld. Uw wasch insgelijks....”
„Daarvoor zal ik de begrooting opmaken,” voegde juffrouw Murdstone er
bij.
„Ook zal voor uwe kleeding gezorgd worden,” hernam mijnheer Murdstone,
„zoo lang gij die zelf nog niet kunt bekostigen. Gij gaat dus nu naar
Londen, David, met mijnheer Quinion en moet dus beginnen u zelf door de
wereld te helpen.”
„Gij zijt dus bezorgd,” voegde zijne zuster er bij, „en moet nu uw
plicht maar doen.”
Hoewel ik zeer goed begreep, dat het doel van deze geheele regeling
was, mij kwijt te zijn, kan ik mij niet goed herinneren of het
denkbeeld mij genoegen deed of schrik aanjoeg. Ik vermoed, dat ik op
dat oogenblik zelf niet wist of ik er mij in verheugen moest of niet.
Ik had trouwens geen tijd om er lang over te denken, want mijnheer
Quinion zou den volgenden dag vertrekken.
En daar zat ik den volgenden morgen met een half versleten, witten hoed
met een zwarten band—een rouwband om mijne moeder—een zwart buis en
een broek van hard, stijf bombazijn, dat juffrouw Murdstone de beste
beschutting voor de beenen vond in den strijd tegen de wereld, dien ik
nu ging ondernemen; daar zat ik, aldus uitgedost, met alles, wat ik op
de wereld bezat, in een klein koffertje—een arm, ongelukkig schepsel,
zou juffrouw Gummidge gezegd hebben—in de postkar, die mijnheer
Quinion te Yarmouth op de diligence naar Londen zou brengen. Zie, hoe
ons huis en de kerk al kleiner en kleiner worden, hoe het graf onder
den boom achter andere boomen en struiken verdwijnt, verdwijnt met
alles wat mij aan mijne kinderjaren herinnert, hoe ledig alles wordt om
mij heen..... ook in mijn hart!