VIII.

Mijne vacantie; meer bepaald een zekere gelukkige namiddag.

Toen wij vóór het aanbreken van den dag hij het logement aankwamen,

waar de omnibus stilhield—het was niet hetzelfde, waar die vriend

van mij kellner was—werd mij een klein, net slaapkamertje gewezen,

op welks deur een dolfijn was geschilderd. Ik herinner mij, dat ik,

in weerwil van den kop heete thee, dien men mij beneden bij een

groot haardvuur had laten opdrinken, steenkoud was; dat ik met innig

welgevallen in bed kroop, de dekens over het hoofd sloeg en weldra

rustig sliep.

Te negen uur zou ik door mijn vriend Barkis gewekt worden, maar ik was

reeds om acht uur op, een weinig huiverig ten gevolge van de korte

nachtrust, en stond op den bepaalden tijd vóór hem. Hij ontving mij

zooals hij zou gedaan hebben, als wij elkander vijf minuten geleden nog

gezien hadden en ik even de gelagkamer was binnengegaan om een shilling

te wisselen of iets dergelijks te doen.

Zoodra ik en mijn koffer waren opgeladen en de voerman gezeten was,

stapte het luie paard in zijn gewonen gang met ons voort.

„Gij hebt u goed gehouden, Barkis,” zei ik, meenende dat hij gaarne zoo

iets zou hooren.

Barkis veegde zijn wang af met zijne mouw en bekeek deze daarna,

vermoedelijk in de onderstelling, dat hij er iets van zijn blos op zou

terugvinden; hij gaf echter op geen andere wijze te kennen, dat hij

erkentelijk was voor mijn complimentje.

„Ik heb uwe boodschap overgebracht, Barkis,” zei ik; „ik schreef aan

Peggotty.”

„Zoo!” zei hij. Hij scheen knorrig te zijn en antwoordde op zeer

stroeven toon.

„Was het zoo niet goed, Barkis?” vroeg ik na eene kleine aarzeling.

„Wat niet?” vroeg Barkis.

„De boodschap?”

„De boodschap was zeker goed genoeg,” zei hij, „maar daarmede was het

uit.”

Ik begreep volstrekt niet wat hij bedoelde en herhaalde op vragenden

toon: „Was het uit, Barkis?”

„Er is niets van gekomen,” verklaarde hij, mij eenigszins scheel

aankijkende. „Geen antwoord.”

„Hadt gij dan een antwoord verwacht, Barkis?” vroeg ik met groote

oogen. Er ging een nieuw licht voor mij op.

„Wanneer een man zegt, dat hij wel wil,” zei Barkis, terwijl hij mij

voor de eerste maal zijn geheele gelaat toonde, „dan wil dat zooveel

zeggen als dat hij een antwoord verwacht.”

„Jawel, Barkis.”

„Jawel,” herhaalde hij, terwijl hij weer tusschen de ooren van zijn

paard doorkeek, „die man heeft sinds dien tijd op een antwoord gewacht.”

„Hebt gij haar dat ook gezegd, Barkis?”

„N....een,” bromde hij; maar hij scheen toch over deze wijsgeerige

opmerking na te denken. „Ik kon toch niet naar haar toegaan en haar dat

vertellen. Ik heb nog geen zes woorden met haar gewisseld. _Ik_ kan

niet naar haar toegaan en haar dat vertellen.”

„Wenscht gij, dat ik het zal doen, Barkis?” vroeg ik aarzelend.

„Als gij wilt, moogt gij het haar zeggen,” antwoordde hij en keerde mij

nogmaals zijn gelaat toe. „Barkis wacht op antwoord. Zeg maar—hoe is

haar naam ook?”

„Haar naam?”

„Ja, ja,” zei Barkis knikkende.

„Peggotty.”

„Doopnaam?”

„Neen, dat is haar doopnaam niet. Haar doopnaam is Clara.”

„Zoo, waarlijk!” zei Barkis.

Het scheen wel, dat deze omstandigheid hem ontzaglijk veel stof tot

overdenking gaf, want hij zat een geruimen tijd te peinzen en zachtjes

te fluiten.

„Welnu!” hernam hij eindelijk. „Gij zegt: „Peggotty, Barkis wacht op

antwoord.” Zegt zij dan wellicht: „Waarop wacht Barkis antwoord?” Dan

zegt gij: „Op hetgeen ik u schreef!” Dan zegt zij: „Wat schreeft gij

mij dan?” En zegt gij: „Barkis wil wel!””

Deze buitengewoon vernuftige ingeving liet Barkis vergezeld gaan van

een elleboogstoot, die mij gedurende eenige oogenblikken pijn in de

zijde berokkende. Daarna bleef hij op de gewone wijze recht vooruit

kijken met den voorarm op de knie en roerde het onderwerp niet meer

aan; een half uur later haalde hij een stuk krijt uit den zak en

schreef tegen den binnenwand van de kar: „Clara Peggotty,” blijkbaar om

nu en dan zijn geheugen eens te gemoet te komen.

O, wat was het eene vreemde gewaarwording, naar huis te gaan terwijl

het mijn thuis niet meer was; te ondervinden dat elk voorwerp, dat ik

zag, mij herinnerde aan den heerlijken ouden tijd, die mij toescheen

als een droom, dien ik nimmer meer droomen kon. De tijd, toen mijne

moeder en ik en Peggotty alles en alles voor elkander waren, toen

er nog niemand tusschen ons was gekomen, stond mij zoo helder voor

den geest, doch wekte zulke droeve herinneringen bij mij op, dat ik

niet zeker ben of ik niet liever had willen wegblijven en alles in

Steerforth's gezelschap vergeten. Maar daar was ik er; ik zag ons huis

weder en de kale oude olmen, die hunne takken als even zoo vele armen

in de koude winterlucht staken en de overblijfselen van de verlaten

kraaiennesten naar alle winden hadden verstrooid.

De voerman zette mijn koffer bij het tuinhek neer en liet mij alleen

staan. Ik wandelde langs het pad naar huis, turende naar de vensters

en bij elken stap vreezende het gelaat van mijnheer of juffrouw

Murdstone te zullen ontdekken. Maar er was geen enkel gezicht te zien,

en toen ik het huis genaderd was, opende ik de deur, die als van ouds

bij dag niet gesloten was, en ging naar binnen.

God weet met welk een kinderlijk gevoel ik daar in de gang stond,

terwijl het geluid van de stem mijner moeder uit de huiskamer tot mij

doordrong. Zij zat zachtjes te zingen. Ik vermoed, dat zij ook zoo

gezongen heeft toen ik als een zuigeling in hare armen lag. De wijs was

nieuw voor mij en toch zoo oud, dat mijn hart tot berstens toe vol was.

Uit den mijmerenden toon, waarop mijne moeder haar liedje neuriede,

meende ik te kunnen opmaken, dat zij alleen was. Zachtjes ging ik de

kamer binnen; zij zat bij den haard, met een kindje aan de borst, dat

het kleine mollige handje om haar hals had geslagen. Hare oogen waren

op het kleine gezichtje gevestigd, terwijl zij het in slaap trachtte te

zingen. In zoo ver had ik dus goed geraden; ander gezelschap had zij

niet.

Ik sprak haar toe; zij schrikte en gaf een gil. Maar toen zij mij zag,

noemde zij mij haar lieve David, haar eigen jongen! en terwijl zij mij

halverwege te gemoet liep, knielde zij voor mij neer en kuste mij en

legde mijn hoofd tegen hare borst naast het kleine schepseltje, dat

zich daar genesteld had, en bracht de kleine handjes naar mijne lippen.

O, ware ik op dat oogenblik gestorven! Ware ik gestorven met dat gevoel

in mijn hart! Ik zou dan zeker meer recht hebben gehad op eene plaats

in den Hemel dan ooit daarna.

„Het is uw broertje,” zei mijne moeder, mij liefkoozend. „Davy, beste

jongen! Mijn arm kind!” Daarna kuste zij mij nogmaals en nogmaals en

sloeg den arm om mijn hals. Zoo stonden wij nog, toen Peggotty kwam

aansnellen en op den grond naast ons neerviel en gedurende een kwartier

ongeveer zich aanstelde of zij dol was.

Het scheen, dat men mij niet zoo vroeg had verwacht; de vrachtwagen was

veel eerder dan gewoonlijk aangekomen. Ook scheen het, dat mijnheer en

juffrouw Murdstone een bezoek brachten in de buurt en vóór den avond

niet zouden terugkeeren. Ik had dit niet durven hopen. Ik had nooit

aan de mogelijkheid durven denken, dat wij nog eens ongestoord met

ons drieën bij elkander zouden zijn; voor het oogenblik had ik het

gevoel alsof de oude tijd was teruggekeerd. Wij gebruikten te zamen het

middagmaal. Peggotty wilde ons bedienen, maar mijne moeder wilde het

niet toestaan; zij moest mede aanzitten. Ik at van mijn eigen bordje,

waarop een oorlogsschip geteekend was in volle zeilen; Peggotty had het

gedurende al dien tijd als een reliquie bewaard en zou het, zooals zij

beweerde, voor geen honderd pond hebben afgestaan of gebroken. Ik dronk

uit mijn oude kroesje met „David” er op en gebruikte mijn eigen vorkje

en mijn eigen mes, dat nog altijd niet wilde snijden.

Terwijl wij zoo bij elkander zaten, meende ik eene geschikte

gelegenheid te hebben om Peggotty over Barkis te spreken; maar nog eer

ik had uitgesproken, begon zij te lachen en wierp den boezelaar over

het gelaat.

„Peggotty,” vroeg mijne moeder, „wat is er aan de hand?”

Peggotty bleef maar lachen en hield den boezelaar stijf over haar

gezicht, toen mijne moeder dien wilde wegtrekken.

„Wat, doet gij toch, mal schepsel!” vroeg mijne moeder lachend.

„Och, die dwaze vent wil met mij trouwen,” riep Peggotty.

„Dat zou nog zoo kwaad niet zijn, is 't wel?” sprak mijne moeder.

„O, dat weet ik niet,” zei Peggotty. „Spreek er niet van! Ik zou hem

niet willen hebben, al was hij van goud gemaakt! Ik wil geen man

hebben!”

„Waarom zegt gij hem dat dan niet, dwaze meid?” vroeg mijne moeder.

„Het hem zeggen?” antwoordde Peggotty, achter haar boezelaar

uitkijkend. „Hij heeft er nog geen woord met mij over gesproken. Hij

past wel op. Als hij er een woord van tegen mij durfde zeggen, zou ik

hem een klap in het gezicht geven.”

Haar eigen gezicht was zoo rood als ik ooit een gezicht gezien heb; zij

bedekte het echter opnieuw en kreeg weder een geweldige lachbui, die

nog door twee of drie andere gevolgd werd, waarna zij weder begon te

eten.

Ik maakte in mij zelven de opmerking, dat al glimlachte mijne moeder,

wanneer zij naar Peggotty keek, zij toch in eene ernstige stemming

verkeerde en over iets scheen na te denken. Voor het eerst zag ik nu

ook, dat zij veranderd was. Wel was zij nog mooi, maar haar gelaat

droeg de sporen van veel zorg en over het algemeen was zij veel

tengerder geworden; hare handen waren zoo dun en mager, dat men er wel

doorheen kon zien. Bovendien werd zij op dit oogenblik nog door vrees

geplaagd; zij was nu eenmaal spoedig angstig en zwaartillend.

„Peggotty,” sprak zij, terwijl zij hare hand op den arm der oude

dienstbode legde, „gij zult toch niet gaan trouwen?”

„Ik, mevrouw?” antwoordde Peggotty verbaasd, „lieve hemel, neen!”

„Immers niet zoo heel spoedig?” vroeg mijne moeder weder, zoo

vriendelijk mogelijk.

„Nimmer!” riep Peggotty.

Mijne moeder nam Peggotty's hand in de hare en sprak: „Gij moogt mij

niet verlaten, Peggotty. Gij moet bij mij blijven. Het zal misschien

niet lang zijn. Wat zou ik beginnen zonder u?”

„Ik u verlaten, mijn schat!” riep Peggotty. „Voor al het goud der

wereld niet! Wie heeft u dit toch in dat kleine, onnoozele hoofdje

gehaald?”—Peggotty had tot gewoonte aangenomen mijne moeder somtijds

nog als een kind toe te spreken.

Mijne moeder antwoordde niet dan om haar te bedanken, waarop Peggotty

voortging: „Ik u verlaten? Ik wilde mij zelve dat wel eens zien doen!

Peggotty van u heengaan? Ik wilde haar wel eens daarop betrappen! Neen,

neen,” vervolgde zij, het hoofd schuddend en met de armen kruiselings

over de borst, „dat doet zij niet, liefste. Er zijn weliswaar een paar

katten, die dat gaarne zouden zien, maar ik zal hun dat genoegen niet

gunnen. Ik zal hen sarren, zoo lang ik kan. Ik blijf bij u tot ik een

suf, oud vrouwtje ben. En wanneer ik te doof en te lam en te blind en

te aftands ben om nog ergens goed voor te zijn, zelfs niet om bekeven

te worden, dan ga ik naar mijn Davy en vraag hem om mij op te nemen.”

„En Peggotty,” zei ik, „ik zal heel blijde zijn als gij komt, en gij

zult een leven bij mij hebben als een prinses.”

„Groote goedheid!” riep zij uit, „dat weet ik; daarvoor ken ik u

genoeg!” En bij voorbaat kuste zij mij uit dankbaarheid voor mijne

gastvrijheid. Daarna bedekte zij het hoofd weder met haar boezelaar,

en lachte nog eens hartelijk om Barkis. Zij nam daarop het kleintje uit

de wieg en suste het in slaap, ruimde vervolgens de tafel op en kwam

weder binnen met een andere muts en haar werkdoosje en het ellemaatje

en het stukje waskaars, juist zooals vroeger. Wij zaten om de kachel

en praatten heel gezellig. Ik vertelde hun welk een gestrenge en

hardvochtige meester mijnheer Creakle was, en beiden hadden medelijden

met mij. Ik vertelde hun hoe Steerforth mij in bescherming had genomen,

en Peggotty verklaarde, dat zij twintig mijlen zou willen loopen om hem

te zien. Daarna nam ik mijn kleine broertje, dat weer wakker was

geworden, van haar over, om het op mijne beurt te sussen. Toen hij in

slaap was, kroop ik dicht tegen mijne moeder aan, zooals lang geleden

mijne gewoonte geweest was, en zat met mijne armen om haar middel, en

mijne kleine roode wang tegen haar schouder, en voelde heur zachte

haren over mijn gezicht vallen—ik herinner mij, dat ik ze altijd

vergeleek bij de vleugels van een engel—en was volmaakt gelukkig.

Terwijl ik daar zoo in het vuur zat te kijken en allerlei figuren

zag in de gloeiende kolen, begon ik bijna te gelooven, dat ik nooit

weg was geweest; dat mijnheer en juffrouw Murdstone slechts in mijne

verbeelding bestonden en zouden verdwijnen evenals de figuren in het

vuur; en dat van al hetgeen ik in het laatste jaar had ondervonden

alleen mijne moeder en Peggotty en ik werkelijk bestaande wezens waren.

Peggotty zat zoo lang zij maar eenigszins zien kon hare kous te

stoppen, en bleef toen zitten met de kous als een handschoen om hare

linkerhand en een naald in de rechter, gereed om nog een steekje

te doen, telkens wanneer het vuur eens opvlamde. Ik kan mij niet

voorstellen wiens kousen Peggotty altijd, zoolang ik mij harer

herinner, zat te stoppen of waar die onuitputtelijke hoeveelheid altijd

vandaan kwam. Van mijne vroegste jeugd af heb ik haar nooit aan iets

anders bezig gezien.

„Ik zou wel eens willen weten,” zei Peggotty eensklaps—zij had

dikwijls zulke wonderlijke invallen—„wat er toch wel van Davy's

oud-tante mag geworden zijn?”

„Lieve Hemel, Peggotty!” riep mijne moeder, die door deze vraag uit

haar gepeins ontwaakte, „hoe komt gij daar nu op eens aan?”

„Ik zou het waarlijk gaarne eens weten, mevrouw.”

„Hoe komt dat mensch u zoo opeens in de gedachten?” vroeg mijne moeder.

„Zijn er geen menschen genoeg om aan te denken?”

„Ik weet niet hoe het komt,” zei Peggotty; „het zal wel zijn omdat ik

zoo dom ben, maar ik kan de menschen, aan wie ik moet denken, nooit

zelf kiezen. Zij gaan en komen en zij gaan niet en komen niet, juist,

zooals zij zelve willen. Ik ben waarlijk heel nieuwsgierig naar hetgeen

van haar geworden is.”

„Wat kunt gij toch dwaze invallen hebben, Peggotty,” antwoordde mijne

moeder. „Men zou meenen, dat gij gesteld waart op een tweede bezoek van

dat mensch.”

„De Hemel beware mij daarvoor!” riep Peggotty.

„Welnu, spreek dan niet over zulke onverkwikkelijke dingen, dwaze

meid!” zei mijne moeder. „Juffrouw Betsey woont veilig en wel in haar

huisje aan het strand en zal daar ongetwijfeld wel stilletjes blijven.

Vermoedelijk is zij ook niet voornemens ons ooit weder lastig te komen

vallen.”

„Neen!” mompelde Peggotty. „Neen, dat is niet waarschijnlijk; ik ben

toch nieuwsgierig of zij Davy nog iets zal nalaten bij haar dood!”

„Goede Hemel, Peggotty!” barstte mijne moeder uit. „Wat kunt gij toch

dwaze taal uitslaan! Gij weet immers hoe boos zij was toen de arme

jongen ter wereld kwam!”

„Ik vermoed, dat zij nu in het geheel niet geneigd zal zijn om het hem

te vergeven,” mompelde Peggotty.

„Waarom zou zij dat niet?” vroeg mijne moeder, ietwat scherp.

„Omdat hij nu een broertje heeft, bedoel ik,” antwoordde Peggotty.

Mijne moeder begon onmiddellijk te schreien en verwonderde zich over

Peggotty's driestheid om zoo iets te durven zeggen.

„Alsof dat kleine onschuldige ding daar in de wieg u of iemand anders

ooit leed heeft gedaan, jaloersche meid!” sprak zij snikkend. „Gij

deedt maar beter met Barkis, den voerman, te trouwen. Waarom doet gij

het niet?”

„Als ik dat deed, zou ik juffrouw Murdstone al te gelukkig maken,”

antwoordde Peggotty.

„Wat zijt gij toch eigenlijk slecht, Peggotty!” hernam mijne moeder.

„Gij zijt zoo jaloersch op juffrouw Murdstone als zoo'n mal schepsel

maar zijn kan. Gij zoudt zelve de sleutels wel in uw bezit willen

hebben en alles uitgeven, nietwaar? Het zou mij niets verbazen, als

gij dat wildet. Gij weet, dat zij het alleen uit vriendelijkheid en met

de beste bedoelingen doet. Dat weet gij, Peggotty—dat weet gij heel

goed.”

Peggotty mompelde nog iets van „beste bedoelingen, die de drommel mocht

halen” en dat zij van die bedoelingen al meer dan genoeg had.

„Ik weet wel wat gij bedoelt, knorrepot, die gij zijt. Ik begrijp u

heel goed, Peggotty,” vervolgde mijne moeder. „Gij weet wel, dat ik

het doe en het verbaast mij, dat gij geen kleur krijgt als vuur. Maar

laat ons bij juffrouw Murdstone blijven en dat andere punt laten varen,

maar wat juffrouw Murdstone betreft..... gij hebt haar dikwijls genoeg

hooren zeggen, dat zij mij te gedachteloos vindt en.... te.... te....”

„Te mooi,” vulde Peggotty aan.

„Welnu,” hernam mijne moeder lachend, „als zij dwaas genoeg is om dat

te zeggen, kan ik dat helpen?”

„Niemand beweert, dat gij 't kunt helpen,” antwoordde Peggotty.

„Nu, dat mag ik waarlijk ook hopen! Hebt gij haar niet herhaaldelijk

hooren zeggen dat zij mij van alle zorgen wil ontheffen, waarvoor zij

meent, dat ik niet berekend ben en waarvoor ik—dat heb ik zelve leeren

inzien—niet berekend ben; en is zij niet het eerste op en het laatst

in bed en loopt zij niet den geheelen dag trap op, trap af, en doet zij

niet alles? Kruipt zij niet in het kolenhok en in de provisiekast en

waarin al niet? Dat is toch ver van plezierig—en zoudt gij nu willen

beweren, dat zij dat alles niet doet uit „liefde voor mij?” Zoudt gij

haar in verdenking willen brengen?”

„Ik breng niemand in verdenking,” zei Peggotty.

„Dat doet gij wel, Peggotty,” antwoordde mijne moeder. „Behalve uw werk

doet gij niets anders. Gij brengt altijd iedereen in verdenking. Gij

hebt daar plezier in. En wanneer gij spreekt over de goede bedoelingen

van mijnheer Murdstone....”

„Daarover heb ik nog nooit gesproken.”

„Neen, Peggotty, maar gij maakt ze verdacht. Dat is juist wat ik

zooeven zeide. Dat is slecht van u. Gij _wilt_ iedereen in verdenking

brengen. Ik zei zooeven, dat ik u begreep en nu ziet gij dat ik

waarheid sprak. Wanneer gij spreekt over mijnheer Murdstone's goede

bedoelingen—ik kan niet gelooven, dat gij die in uw hart zoudt

minachten—dan moet gij wel evenals ik overtuigd wezen, dat ze goed

zijn en hoe hij zich daardoor geheel laat leiden. En als hij voor zeker

iemand wat streng schijnt te zijn, Peggotty—gij begrijpt en Davy zal

het ook begrijpen, dat ik niemand bedoel, die hier aanwezig is—is dit

alleen omdat hij overtuigd is, dat het voor het bestwil is van die

zeker iemand. Om mijnentwil heeft hij zeker iemand lief en alles wat

hij doet, is ter wille van die zeker iemand. Hij is beter in staat om

dat te beoordeelen dan ik; want ik weet heel goed, dat ik een zwak,

kinderachtig schepsel ben en dat hij een flink, ernstig man is. En

hij heeft—de tranen keerden in hare oogen terug en biggelden langs

hare zachte wangen—hij heeft veel moeite met mij; ik behoor hem zeer

dankbaar en zelfs in mijne gedachten onderdanig te zijn. En als ik

dat niet ben, Peggotty, dan heb ik berouw en beschuldig mij zelve van

ondankbaarheid en voel twijfel opkomen in mijn hart en weet niet wat ik

doen zal.”

Peggotty zat zwijgend, met de kin op den voet van de kous, in het vuur

te staren.

„Kom, Peggotty,” sprak mijne moeder eindelijk, op geheel anderen

toon, „laat ons vrede met elkander houden, want ik kan niet tegen

onaangenaamheden. Gij zijt eene trouwe vriendin voor mij, dat weet

ik; de trouwste, die ik in de wereld bezit. Wanneer ik u een lastig

schepsel of een malle meid noem, of iets dergelijks, Peggotty, bedoel

ik daar alleen mede, dat gij mijne trouwe vriendin zijt en altijd

geweest zijt sinds den avond, toen mijnheer Copperfield mij dit huis

binnen bracht en gij mij aan het hek te gemoet kwaamt.”

Peggotty draalde niet met het geven van een antwoord en bekrachtigde

den vriendschapsband door mij eenige malen te omhelzen. Ik geloof wel,

dat ik iets begreep van dit gesprek op dat oogenblik; maar thans ben ik

er zeker van, dat het goede schepsel er alleen aanleiding toe gaf en er

aan deelnam, opdat mijne moeder haar hart nog eens zou ontlasten. Haar

doel werd volkomen bereikt, want mijne moeder was gedurende het overige

gedeelte van den avond meer op haar gemak—ik herinner mij dit zeer

goed.

Toen wij thee hadden gedronken, het vuur was opgerakeld en de kaarsen

waren aangestoken, las ik Peggotty een hoofdstuk voor uit het

krokodillenboek, ten einde ons nog eens in den ouden tijd te verdiepen.

Zij haalde het boek uit haar zak—ik weet niet of zij het al dien tijd

daarin bewaard had—en toen spraken wij over Salem House en kwamen

weder op Steerforth, over wien ik nooit was uitgepraat. Wij waren innig

gelukkig; en deze avond, de laatste van dien aard en bestemd om dat

gedeelte van mijn leven voor goed af te sluiten, zal nimmer uit mijn

geheugen gaan.

Het was bijna tien uur, toen wij het geratel van wielen hoorden. Wij

stonden alle drie op en mijne moeder zei haastig, dat het al zoo

laat was en dat mijnheer en juffrouw Murdstone niets verderfelijker

achtten voor kinderen dan laat naar bed gaan, zoodat ik mij maar

te rusten moest begeven eer zij binnen kwamen. Ik omhelsde haar en

ging onmiddellijk met mijne kaars de trap op. Het was waarschijnlijk

kinderlijke verbeelding, dat ik, naar het kamertje gaande, waar ik

gevangen gezeten had, een kouden tocht voelde, dien zij in huis

brachten en die de vertrouwelijkheid uit vroegere dagen, waarvan

wij dezen avond zoo volop genoten hadden, als een veder wegblies.

Toen ik den volgenden morgen naar beneden zou gaan om te ontbijten,

bekroop mij eene onaangename gewaarwording. Ik had mijnheer Murdstone

nog niet gezien, nadat ik mijne gedenkwaardige misdaad had gepleegd.

Evenwel, het moest, dus ik ging naar beneden, en trad, na twee malen

halverwege te zijn geweest en op mijne teenen naar mijne kamer

teruggekeerd te zijn, de huiskamer binnen.

Mijnheer Murdstone stond met zijn rug naar den haard en zijne zuster

zat voor het theeblad. Hij keek mij strak aan, toen ik binnentrad,

doch gaf geen enkel bewijs van herkenning. Na een oogenblik bedremmeld

te zijn blijven staan, ging ik naar hem toe en zeide: „Wilt u het mij

vergeven, mijnheer? Ik heb groot berouw over hetgeen ik gedaan heb.”

„Het doet mij genoegen te hooren, dat gij berouw hebt, David,”

antwoordde hij.

De hand, die hij mij gaf, was dezelfde, waarin ik gebeten had. Ik kon

niet nalaten een oogenblik te blijven kijken naar het roode lidteeken,

dat was achtergebleven, maar het was niet zoo rood als ik werd, toen ik

de sombere uitdrukking op zijn gelaat opmerkte.

„Hoe vaart gij, juffrouw?” vroeg ik aan juffrouw Murdstone.

„Goede Hemel!” zuchtte zij, terwijl zij mij het theeschepje gaf in

plaats van hare hand, „hoe lang duurt die vacantie?”

„Een maand, juffrouw.”

„Van wanneer af?”

„Van vandaag, juffrouw.”

„O,” sprak zij. „Dan is er bijna één dag om.”

Elken morgen schreef zij op haar kalender een dag af. Vóór zij tot tien

was gekomen deed zij het met een knorrig gezicht, maar toen zij telkens

een getal van twee cijfers kon doorslaan, helderde het langzamerhand op

en hoe meer wij het einde naderden, hoe vroolijker het werd.

Reeds op den eersten dag had ik het ongeluk op de hevigste wijze haar

toorn op te wekken. Ik kwam in de kamer waar zij en mijne moeder

zaten. Mijn broertje, nog slechts eenige weken oud, lag op moeder's

schoot en ik nam hem met de grootste behoedzaamheid in mijne armen.

Hoewel over het algemeen volstrekt niet zoo weekhartig van aard, gaf

juffrouw Murdstone plotseling zulk een hartverscheurenden gil, dat ik

het wichtje tengevolge van den schrik bijna had laten vallen.

„Maar, lieve Jane!” riep mijne moeder.

„Goede Hemel, Clara, zie toch eens!” schreeuwde juffrouw Murdstone

letterlijk.

„Wat moet ik zien, lieve Jane?” vroeg mijne moeder, „waar....!”

„Hij heeft het kind!” riep juffrouw Murdstone. „De jongen heeft het

kind!”

Zij was bijna ineengezakt van ontzetting, maar vermande zich om op mij

toe te schieten en mij den kleine af te nemen. Daarna viel zij flauw

en voelde zich zoo naar, dat men haar kersenbrandewijn moest geven om

bij te komen. Toen zij hersteld was, verbood zij mij plechtig mijn

broertje, onder welk voorwendsel ook, ooit weder aan te raken en mijne

arme moeder, die, zooals ik zag, het anders gewenscht had, herhaalde

gedwee het verbod, zeggende: „Ik twijfel niet of gij zult wel gelijk

hebben, lieve Jane.”

Bij eene andere gelegenheid, toen wij weder met ons drieën bij elkander

zaten, was hetzelfde lieve wichtje—ik had het werkelijk lief ter wille

van mijne moeder—de onschuldige oorzaak, dat juffrouw Murdstone's

drift opnieuw werd opgewekt. Terwijl het op den schoot mijner moeder

lag, had deze naar de kleur van zijne oogjes gekeken en zei:

„Kom eens hier, Davy, en kijk mij eens aan.”

Ik zag dat juffrouw Murdstone haar werk neerlegde.

„Precies dezelfde,” sprak mijne moeder zacht. „Zonder twijfel de kleur

van de mijne. Verwonderlijk, zooals zij elkaar gelijken.”

„Wat praat gij toch, Clara?” vroeg juffrouw Murdstone.

„Lieve Jane,” stotterde mijne moeder, een weinig uit het veld geslagen

door haar barschen toon, „ik vind dat de kleine en Davy precies

dezelfde oogen hebben.”

„Clara!” zei juffrouw Murdstone, toornig opstaande, „gij schijnt nu en

dan uw verstand verloren te hebben!”

„Maar, lieve Jane,” bracht mijne moeder hiertegen in.

„Gij zijt eene zottin!” zei juffrouw Murdstone. „Wie anders zou mijns

broeders kind kunnen vergelijken met uw jongen? Zij gelijken niets op

elkander! Zij gelijken volstrekt niets op elkander! Zij verschillen in

alle opzichten! Ik hoop dat zij dit ook zullen blijven doen! Ik wil

zulke zotte vergelijkingen niet langer aanhooren!” Zij stond op en ging

de kamer uit, terwijl zij de deur hard achter zich dichtsmeet.

Kortom, ik stond niet in de gunst bij juffrouw Murdstone; ik stond

eigenlijk bij niemand in de gunst, zelfs niet bij mij zelven; want

zij, die van mij hielden, konden het niet toonen, en zij die niet

van mij hielden, toonden dit zoo in het oog vallend, dat ik rondliep

met het bewustzijn, er altijd even gedwongen en saai uit te zien. Ik

voelde, dat ik eigenlijk niets dan een lastpost voor hen was. Kwam ik

de kamer binnen, waar zij zaten te praten met elkander, dan veranderde

het gelaat van mijne moeder terstond, hoe opgeruimd zij bij mijn

binnentreden ook scheen. Als mijnheer Murdstone in zijn beste humeur

was, bracht mijne verschijning hem er uit en juffrouw Murdstone, die

altijd in een slecht humeur was, versterkte ik slechts daarin. Mijn

waarnemingsvermogen was genoeg ontwikkeld om te zien dat mijne moeder

altijd het slachtoffer was; dat zij bang was om tegen mij te spreken

of vriendelijk voor mij te zijn, omdat zij, door de wijze, waarop

zij het deed, altijd hunne ontevredenheid opwekte en dan later eene

terechtwijzing ontving; dat zij niet alleen bang was zelve iets te

misdoen, maar voortdurend in angst verkeerde dat ik hun op eenigerlei

wijze aanstoot zou geven, zoodat zij met een benauwd gezicht de

geringste mijner bewegingen gadesloeg. Ik besloot daarom hun zoo weinig

mogelijk in den weg te komen, en menige winteravond vond mij, in een

overjas gehuld, op mijne sombere slaapkamer, verdiept in een of ander

boek.

Nu en dan zat ik des avonds in de keuken bij Peggotty. Daar voelde ik

mij op mijn gemak en was ik niet verlegen met mij zelven. Dit waren

echter uitspattingen, die in de huiskamer niet werden goedgekeurd en de

alles overheerschende zucht tot plagen maakte er spoedig een einde aan.

Ik was nog noodig om mijne moeder flinkheid te leeren; zij moest daarin

proeven afleggen en daarbij kon men mij goed gebruiken.

„David,” zei mijnheer Murdstone op zekeren dag na afloop van het

middagmaal, toen ik als naar gewoonte de kamer wilde verlaten, „het

spijt mij opgemerkt te hebben, dat gij zoo eenzelvig van aard zijt.”

„Zoo stug en norsch als een beer,” voegde juffrouw Murdstone er bij.

Ik bleef staan met gebogen hoofd.

„En, David,” vervolgde mijnheer Murdstone, „een eenzelvig, gesloten

karakter is het slechtste, dat een mensch hebben kan.”

„Ik heb nooit stugger, weerspanniger jongen gezien,” voegde juffrouw

Murdstone er weder bij. „Mij dunkt, Clara, gij moet dat toch ook wel

opmerken?”

„Ik vraag u wel excuus, lieve Jane,” antwoordde mijne moeder, „maar

zijt gij er wel zeker van—ik ben overtuigd, dat gij mijne opmerking

niet euvel zult duiden—dat gij Davy goed begrijpt?”

„Ik zou mij schamen, Clara,” hernam juffrouw Murdstone, „als ik dezen

jongen, of welken jongen ook, niet goed begrijpen kon. Ik beweer

volstrekt niet knap te zijn, maar ik maak toch aanspraak op gezond

verstand.”

„O, zonder twijfel, lieve Jane, ik bewonder steeds uw goed

verstand....”

„O, goede Hemel! Zeg dat toch niet, Clara,” zoo viel juffrouw Murdstone

mijne moeder bijna driftig in de rede.

„Maar ik ben er van overtuigd,” hervatte mijne moeder, „en iedereen is

er van overtuigd, dat gij zulk een helder verstand hebt.... ik doe er

elken dag op allerlei wijzen mijn voordeel mede... ik behoorde dat ten

minste te doen... niemand kan er meer van overtuigd zijn dan ik. Daarom

geef ik ook nu en dan slechts met de grootste angstvalligheid eene

opmerking ten beste, lieve Jane, dat verzeker ik u.”

„Wij zullen aannemen, dat ik den jongen niet begrijp, Clara,”

antwoordde juffrouw Murdstone, hare stalen armbanden wat verschuivend.

„Ik wil bekennen, zoo gij wilt, dat ik den jongen volstrekt niet

begrijp. Zijn karakter is veel te diepzinnig voor mij. Wellicht echter,

dat mijn broeder met zijn helderen blik eenig inzicht kan krijgen in

zijn karakter en ik meen, dat mijn broeder juist over dit onderwerp

begonnen was, toen wij hem—niet zeer beleefd—in de rede vielen.”

„Ik ben van oordeel, Clara,” zei mijnheer Murdstone op ernstigen toon,

„dat er betere en kalmere beoordeelaars in deze zaak zijn dan gij.”

„Edward,” antwoordde mijne moeder beschroomd, „gij zijt een veel beter

beoordeelaar in alle zaken dan ik ooit zal beweren te zijn. Gij en

Jane, beiden, zijt dat. Ik wilde alleen zeggen...”

„Gij hebt weder getoond, hoe zwak gij zijt en u onbedachtzaam

uitgelaten,” antwoordde hij. „Doe uw best om dat te voorkomen, Clara en

zet een wachtpost voor uwe lippen.”

Mijne moeder's lippen bewogen zich even, alsof zij antwoordde: „Ja,

lieve Edward,” maar zij sprak die woorden niet hoorbaar uit.

„Ik herhaal, David, het spijt mij,” ging mijnheer Murdstone voort, zich

naar mij omkeerende en mij strak aankijkend, „te hebben opgemerkt, dat

gij zulk een eenzelvig, gesloten karakter hebt. Zulk een karakter

kan ik niet onder mijne oogen zien ontwikkelen, zonder eene poging te

doen om het te verbeteren. Gij moet uw best doen, jongetje, om het te

veranderen. Wij zullen ook ons best doen om het te veranderen.”

„Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” sprak ik stotterend, „ik heb nooit

eenzelvig willen zijn, zoo lang ik hier terug ben.”

„Verschuil u niet achter een leugen, jongen!” antwoordde hij zoo

toornig, dat ik mijne moeder reeds onwillekeurig de handen zag

uitsteken om tusschen beiden te komen. „Gij zijt alleen op uwe

kamer gaan zitten, wanneer gij hier behoordet te zijn. Gij hebt u

daar teruggetrokken in uwe eenzelvigheid. Gij weet thans, eens voor

altijd, dat ik u hier verlang te zien. Verder verlang ik, dat gij hier

gehoorzaam zijn zult. Gij kent mij, David. Ik wil het zoo.”

Juffrouw Murdstone liet een heesch gegrinnik hooren.

„Ik eisch, dat gij u eerbiedig, bereidwillig en dienstvaardig zult

betoonen jegens mij,” ging hij voort, „jegens uwe moeder en jegens

juffrouw Jane Murdstone. Ik wil niet, dat deze kamer geschuwd wordt,

alsof er besmetting heerscht en dat nog wel door een kind. Ga zitten.”

Hij commandeerde mij als een hond en ik gehoorzaamde als een hond.

„En nog iets,” hernam hij. „Ik heb ook opgemerkt, dat gij een neiging

bezit om met menschen om te gaan beneden uw stand. Gij behoort u niet

gemeenzaam te maken met de dienstboden. In de keuken zult gij geen

verbetering vinden van de vele gebreken, die u aankleven. Van de vrouw,

die u opstookt, zeg ik niets, omdat gij, Clara,” hij wendde zich tot

mijne moeder op ietwat lager toon, „omdat gij uit oude betrekking en

ten gevolge van eene reeds te lang gevoede luim, een zwak voor haar

hebt, waarvan ik mij geen denkbeeld kan maken.”

„En dat eene onverklaarbare dwaasheid is,” vulde juffrouw Murdstone

aan.

„Ik zeg alleen,” hervatte hij, zich tot mij wendende, „dat ik uwe

voorkeur van het gezelschap van juffrouw Peggotty afkeur en gij er dus

van moet afzien; gij begrijpt mij, David, nietwaar, en gij weet ook wat

de gevolgen zijn, als gij mij niet stipt gehoorzaamt.”

Ik wist het en—vooral ter wille van mijne ongelukkige

moeder—gehoorzaamde ik hem stipt. Ik bleef niet meer op mijne kamer,

ik ging niet meer naar de keuken, sprak Peggotty nauwelijks meer; ik

zat mij dag in, dag uit in de huiskamer te vervelen, wachtende op den

avond en des avonds op het tijdstip, dat ik naar bed mocht gaan.

Onder welk een ontzettenden dwang zat ik daar, uur op uur, in dezelfde

houding, bang om een arm of been te bewegen, uit vrees, dat juffrouw

Murdstone zou klagen—zooals zij bij het minste deed—over mijne

ongedurigheid; bang ook om een oog te verdraaien, uit vrees, dat ik een

ontevreden of uitvorschenden blik zou ontmoeten, die in mijn oogopslag

nieuwe reden tot klagen zou vinden. Hoe ondragelijk vervelend daar te

zitten luisteren naar het tikken van de pendule; te zitten kijken, hoe

juffrouw Murdstone de kraaltjes aan een draadje reeg; mij duizendmaal

af te vragen of zij wel ooit trouwen zou en zoo ja, hoe ongelukkig die

man dan wel zou zijn; telkens en telkens weer de afdeelingen te tellen

in het snijwerk van den schoorsteenmantel en mijne oogen langs de

figuren en de krullen van het behangsel naar boven te laten dwalen, tot

de zoldering!

Hoeveel wandelingen maakte ik niet langs modderige paden in het gure

winterweer, de huiskamer met mijnheer en juffrouw Murdstone er in in

gedachten meedragende, overal heen: een ontzaglijk zware vracht, die ik

verplicht was te torsen; een dagmerrie, die ik onmogelijk kon afwerpen;

een gewicht, dat mijn geest drukte en mij suf maakte!

Hoeveel maaltijden gebruikte ik niet, zwijgend en verlegen voor mij

kijkende, telkens weder voelend, dat daar een mes en een vork te veel

waren—de mijne; een bord en een stoel te veel waren—de mijne; een

honger te veel was—de mijne; een persoon te veel was—ik zelf!

Hoeveel avonden bracht ik niet door, wanneer de kaarsen binnengebracht

waren en men van mij verwachtte, dat ik mij bezig zou houden, terwijl

ik geen onderhoudend boek durfde lezen, maar op een onbegrijpelijk,

wreed uitgedacht rekenboek zat te turen; wanneer de tafels van maten

en gewichten zich op wijzen zetten, als ‚Rule Britannia’ of ‚Weg zijn

nu al mijn zorgen’; en als ze dan niet wilden stil staan om geleerd

te worden, maar, gelijk de draad door het oog van mijn grootmoeder's

naald, naar mijn ongelukkig hoofd kropen, het eene oor in, het andere

uit!

Wat zat ik soms te gapen en te slapen, in weerwil van al mijn strijd;

wat kon ik opschrikken, meenende, dat men het woord tot mij richtte,

terwijl ik nooit antwoord kreeg op de enkele opmerking, die ik waagde

te maken; ik had een gevoel alsof allen langs mij heen keken—ik was

niets, ik bestond eigenlijk niet voor hen—en toch was ik hun allen te

veel; het eenige genotvolle oogenblik van den geheelen avond was, als

ik juffrouw Murdstone met een zucht hoorde zeggen, dat het negen uur en

voor mij dus bedtijd was!

Zoo ging de vacantie voorbij, tot de morgen aanbrak, dat juffrouw

Murdstone zei: „Dit is de laatste dag!” en mij het laatste kopje thee

inschonk. Ik vond het volstrekt niet onaangenaam, dat ik weder zou

vertrekken. Ik was langzamerhand in een staat van verdooving geraakt

en het vooruitzicht Steerforth te zullen terugzien—al doemde het

gezicht van mijnheer Creakle achter hem op—bracht mij weder eenigszins

op streek. Nogmaals verscheen Barkis met zijne kar voor het tuinhek

en nogmaals hoorde ik de waarschuwende stem van juffrouw Murdstone

zeggen: „Clara!” toen mijne moeder zich over mij heen boog en mij

vaarwel wenschte.

Ik kuste haar en het kleine broertje en was toen erg bedroefd; niet

omdat ik heenging, want er was toch reeds een klove tusschen ons,

die met elken dag grooter werd. En niet de kus, dien zij mij bij

het heengaan gaf, leeft in mijne herinnering voort, al was die zoo

hartelijk mogelijk, maar wel hetgeen op die omhelzing volgde.

Ik zat reeds in de kar, toen ik haar nog hoorde roepen; ik keek

achterom en zag haar in het tuinhek staan met haar kindje hoog

opgelicht, om mij mijn broertje nog eens te laten zien. Het was koud,

stil weer en geen haar op haar hoofd, geen plooi van haar kleed bewoog,

terwijl zij daar naar mij stond te kijken met haar kindje in de hoogte.

Zoo zag ik haar voor het laatst. Zoo zag ik haar later in mijne droomen

naast mijn bed staan, mij aankijkende met denzelfden strakken blik en

met haar kindje in de armen.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 21 / 79 题