Ik begin op te merken.
De eerste voorwerpen, die eenigszins duidelijk in mijn geheugen
opdoemen, wanneer ik mij mijne eerste levensjaren voor den geest
haal, zijn mijne moeder met haar mooie haar en hare jeugdige vormen
en Peggotty zonder eenige vormen en met oogen zoo donker, dat ze
haar geheele gelaat schenen te verduisteren, en armen zoo hard en zoo
rood, dat het mij altijd verbaasde waarom de vogels niet liever daarin
pikten dan in de appels in onzen tuin. Ik herinner mij beiden zeer
goed, maar zij nemen altijd kleinere verhoudingen voor mij aan, omdat
ik ze mij voorstel gebukt of in knielende houding tegenover elkander
op den grond, terwijl ik van de eene naar de andere waggel. Ook is
mij nog de gewaarwording bijgebleven, die ik ondervond, wanneer ik
Peggotty's wijsvinger aanraakte, als zij die naar mij uitstak; die
vinger was van het naaien zoo ruw geworden als een muskaatraspje. Het
is mogelijk slechts verbeelding van mij dat ik mij dit herinner, hoewel
ik van meening ben dat onze herinnering veel verder reikt dan menigeen
vermoedt; evenzeer geloof ik dat het waarnemingsvermogen bij jonge
kinderen inderdaad verbazend scherp is in het kleine kringetje, waarin
zij zich bewegen. Ik ben zelfs van oordeel dat van menschen, die zich
door eene fijne opmerkingsgave onderscheiden, eerder gezegd kan worden,
dat zij die niet verloren dan dat zij die verkregen hebben en dit te
eerder, omdat ik meen opgemerkt te hebben, dat zulke menschen eene
zekere frischheid, zachtheid en vatbaarheid voor eenvoudige genoegens
hebben behouden, die zij als eene erfenis uit hunne kindsheid hebben
bewaard.
Ik mag wel vergeving vragen, omdat ik weder aan het ‚ronddolen’
ben gegaan, doch het aangevoerde brengt mij als van zelf tot de
opmerking, dat ik tot dit besluit gedeeltelijk gekomen ben door de
ervaring, die ik op mij zelven heb opgedaan; indien het dus in den
loop van dit verhaal mocht blijken, dat mij als kind eene buitengewone
opmerkingsgave was toebedeeld of als man eene levendige herinnering van
mijne kindsheid is bijgebleven, dan mag ik zekerlijk aanspraak maken op
deze beide eigenschappen.
Wanneer ik, zooals ik reeds zeide, op mijne eerste jeugd terugzie,
staan mijne moeder en Peggotty in mijne herinnering op den voorgrond.
Wat kan ik mij nog meer herinneren? Laat ons eens zien. Het eerst komt
het huis, waarin wij wonen, uit den nevel te voorschijn; het is niet
nieuw, maar gezellig ingericht. In de benedenverdieping is Peggotty's
keuken met eene deur, die op een plaatsje uitkomt, waarop een duiventil
stond zonder duiven en een groot hondenhok zonder hond; ook bevinden
zich daar eene menigte kippen, die bijzonder groot zijn in mijne
herinnering en deftig rondstappen. Er is één haan bij, die op een paal
vliegt om te kraaien en mij voortdurend in het oog houdt, wanneer ik
door het keukenraam naar hem kijk; in mijne herinnering ben ik bang
voor hem, zoo trotsch en kwaadaardig kijkt hij in het rond. Des nachts
droom ik van de ganzen, die mij met hunne logge lichamen nawaggelen,
wanneer ik het zijpoortje durf naderen; ik droom daarvan zooals een
man, die voortdurend tusschen de wilde dieren leeft, over leeuwen zou
droomen.
Een lange gang—in mijne herinnering een vergezicht—voert van de
voordeur naar Peggotty's keuken. Eene sombere provisiekamer komt
daarin uit en des avonds loopt men die liefst maar zoo snel mogelijk
voorbij; ik weet nog niet wat daar tusschen die tonnen en potten en
oude theekisten schuilde, die te zien kwamen wanneer daar iemand met
een klein lampje binnenging en een gemengde geur van zeep, inmaak,
peper, kaarsen en koffie door de geopende deur naar buiten drong.
Verder zijn er twee kamers: de eene, waarin wij, mijne moeder, Peggotty
en ik, 's avonds zitten—Peggotty zit altijd bij ons binnen, wanneer
zij haar werk heeft gedaan en er geen vreemden zijn—en dan de mooie
kamer, waar wij des Zondags zitten; deze is deftiger ingericht, maar
niet zoo gezellig. Deze kamer heeft een somberen, naargeestigen indruk
bij mij achtergelaten, want Peggotty vertelde mij—ik weet niet
wanneer, maar het schijnt mij eeuwen geleden toe—dat bij gelegenheid
van de begrafenis mijns vaders de volgers daar hunne zwarte mantels
omdeden. Op zekeren Zondagavond las mijne moeder Peggotty en mij daar
voor over Lazarus en diens opwekking uit den doode en was ik zoo
angstig geworden, dat men mij later uit mijn bed moest nemen en naar
het venster brengen, zoodat ik bij het heldere maanlicht het kerkhof
kon zien, waar de dooden allen rustig in hunne graven lagen.
Nooit heb ik iets gezien, dat zoo groen was als het gras op dat
kerkhof, nooit zag ik lommerrijker plekje, nooit iets dat kalmer
indruk maakte dan deze grafzerken. Wanneer ik des morgens op mijne
knietjes ging liggen in mijn bedje, dat in een afgeschoten gedeelte
van de slaapkamer mijner moeder was geplaatst, kon ik daar de schapen
zien grazen en den rooden gloed op den zonnewijzer en dacht: „zou de
zonnewijzer blijde zijn dat hij weer kan vertellen hoe laat het is?”
En dan onze bank in de kerk. Wat heeft die bank een hooge rugleuning.
Van onze plaats af kan ik door een der ramen ons huis zien en Peggotty
kan het ook zien en ziet er onder de morgengodsdienstoefening ook zoo
dikwijls naar als zij kan, om zich te overtuigen of het ook bestolen
wordt of in brand staat. Maar al dwalen Peggotty's oogen dikwijls af,
toch kijkt zij heel boos wanneer de mijnen het doen; en wanneer ik in
de bank opsta ziet zij mij met gefronste wenkbrauwen aan en beduidt
mij dat ik naar den dominee moet kijken. Maar ik kan niet voortdurend
naar den dominee kijken; ik ken hem wel, ook al heeft hij die witte
bef niet aan, en ik ben bang dat hij verwonderd zal zijn als ik hem
zoo voortdurend aankijk, dat hij zal ophouden om te vragen waarom ik
dat doe—en wat dan? Het is een vreeselijk gevoel als men in de kerk
moet gapen, maar ik kan het nu en dan niet nalaten. Ik kijk naar mijne
moeder, maar zij doet alsof zij mij niet ziet. Ik kijk naar een jongen
dicht bij den ingang en hij trekt leelijke gezichten. Ik kijk naar het
zonlicht, dat door de openstaande deur van het portaal naar binnen
dringt, en daar zie ik een afgedwaald schaap—ik bedoel geen zondaar
maar een heusch schaap—dat voornemens schijnt de kerk binnen te komen.
Ik voel dat ik, als ik er nog langer naar kijk, niet zal kunnen nalaten
iets hardop te zeggen—en wat zou er dan met mij gebeuren? Ik kijk naar
de grafschriften en tracht aan mijnheer Bodgers, den vorigen predikant,
te denken en aan het verdriet, dat mevrouw Bodgers moet gehad hebben,
toen haar echtgenoot zoo zwaar ziek lag en geen geneeskundige hulp
meer kon baten. Ik zou wel eens willen weten of zij dokter Chillip ook
geroepen hebben en of hij ook geen hulp heeft kunnen verschaffen; en
indien dit zoo is, hoe dokter Chillip het vindt om elke week daaraan
herinnerd te worden. Ik kijk van dokter Chillip in zondagsgewaad naar
den preekstoel en stel mij voor welk een prettige speelplaats deze zou
zijn, hoe goed hij voor kasteel zou kunnen dienen en hoe heerlijk het
zijn zou om, wanneer andere jongens de trap bestormden, hen met het
fluweelen kussen met kwasten om de ooren te smijten. Gaandeweg vallen
mijne oogen dicht en ik verbeeld mij dat de dominee in de warmte een
slaapliedje zingt.... ik hoor niets, totdat ik met een smak op den
grond val en Peggotty mij meer dood dan levend opbeurt en wegbrengt.
En nu zie ik de buitenzijde van ons huis met de zonneblinden voor de
vensters van de slaapkamer, die open staan om de frissche lucht binnen
te laten; ik zie de overblijfselen van de oude kraaiennesten in de
olmboomen in den voortuin. En nu ben ik in den achtertuin achter het
plaatsje, waar het ledige hondenhok en de duiventil staan—een ware
lusthof voor de kapelletjes, met eene hooge schutting, een poortje en
een hangslot, waar vruchten aan de boomen hangen, rijper en sappiger
dan in welken tuin ook en waar mijne moeder staat te plukken, terwijl
ik haastig de gesnoepte aalbessen inslik en dan rondkijk alsof er niets
gebeurd is. Er komt plotseling een hevige wind opzetten en dan is de
zomer in een oogwenk voorbij. Wij spelen in de schemering en dansen de
kamer rond en wanneer mijne moeder buiten adem is en in den grooten
leunstoel uitrust, kijk ik hoe zij hare lange krullen om hare vingers
windt en het lijf van hare japon glad trekt; niemand weet beter dan ik
hoe prettig zij het vindt, dat zij er zoo goed uitziet en hoe trotsch
zij is op haar mooi gezichtje.
Dit zijn de indrukken van mijn eerste kinderjaren, dit en een onbestemd
gevoel dat wij beiden een weinig bang waren voor Peggotty en ons in de
meeste dingen schikten naar haar wil.
Op zekeren avond zaten Peggotty en ik alleen bij den haard in het
kleine kamertje. Ik had Peggotty voorgelezen van krokodillen. Ik moet
bijzonder duidelijk gelezen of de goede ziel moet met groote aandacht
geluisterd hebben, want ik herinner mij dat, toen ik het hoofdstuk had
uitgelezen, zij in de meening verkeerde dat krokodillen een soort van
groente waren. Ik was vermoeid van het lezen en halfdood van den slaap,
maar omdat ik met veel moeite de toestemming verkregen had om op te
blijven tot mijne moeder, die bij een der buren een bezoek aflegde,
terugkwam, zou ik natuurlijk liever op mijn post zijn doodgebleven dan
naar bed te gaan. Ik had dien zekeren graad van slaperigheid bereikt,
waarin alles, ook Peggotty, reusachtige afmetingen begon aan te nemen.
Ik spalkte mijne oogleden met de beide voorste vingers open en keek
haar strak aan, terwijl zij zat te werken met het kleine eindje
waskaars voor zich, dat zij gebruikte om den draad door te halen—wat
was het oud en in alle richtingen doorsneden!—en het kleine huisje
met het rieten dak, waarin haar elletje lag, en het naaidoosje met den
schuifdeksel waarop eene voorstelling van de Sint Paulskerk met een
rozerood koepeldak geschilderd was. En dan keek ik weder naar haar
vinger met den vingerhoed van geel koper en naar haar zelve en vond
haar mooi. Ik was zoo slaperig dat ik ook werkelijk in een vasten slaap
zou zijn gevallen, als ik niet voortdurend mijne oogen op iets
gevestigd had gehouden.
„Peggotty,” vroeg ik plotseling, „zijt gij nooit getrouwd geweest?”
„Goede hemel, jongeheer David,” riep Peggotty uit, „hoe komt het in u
op?”
Zij antwoordde met zulk een drift dat ik er plotseling geheel wakker
van werd. En toen hield zij op met werken en keek mij aan, terwijl zij
de naald zoover van zich afhield als de draad lang was.
„Zijt gij heusch nooit getrouwd geweest, Peggotty?” herhaalde ik. „Gij
zijt immers een mooie vrouw.... zijt gij niet?”
Wel is waar vond ik eenig verschil tusschen haar en mijne moeder, maar
ik beschouwde haar als een uitnemend voorbeeld van eene andere soort
van ‚mooi’. Er was in onze mooie kamer een voetkussen, waarop mijne
moeder een bouquet had gewerkt. De grond van dat voetkussen en de kleur
van Peggotty's gelaat kwamen geheel overeen; wel was het kussen zacht
en Peggotty ruw, maar dat deed er niet toe.
„Ik mooi, David!” zei Peggotty. „O, Heere, neen, mijn beste jongen!
Maar hoe komt gij zoo over trouwen te denken?”
„Dat weet ik niet! Maar men mag immers maar met één persoon te gelijk
trouwen, nietwaar Peggotty?”
„Zeker,” antwoordde Peggotty zoo beslist mogelijk.
„Maar wanneer men met iemand getrouwd is en die iemand sterft, mag men
dan weder met een ander trouwen, Peggotty?”
„Jawel, beste jongen, als men dat verkiest; maar daarover denkt de een
zus en de ander zoo.”
„En hoe denkt gij er over, Peggotty?” vroeg ik, terwijl ik haar
nieuwsgierig aankeek, omdat zij mij zoo nieuwsgierig aankeek.
„Ik denk daarover,” antwoordde Peggotty, terwijl zij de oogen van
mij afwendde en haar werk opnam, „dat ik nooit getrouwd ben geweest,
jongeheer Davy, en dat ik ook wel nooit trouwen zal. Dat is alles wat
ik er van weet.”
„Gij zijt immers niet boos op mij, Peggotty?” vroeg ik, na eenige
oogenblikken te hebben gezwegen.
Ik meende inderdaad dat zij boos op mij was, omdat zij mij kortaf
geantwoord had; maar ik vergiste mij, want zij legde haar werk—een
kous van haar zelve—op zijde, breidde de armen uit, drukte mijn
krullebol tegen haar boezem en kuste mij hartelijk. Ik weet dat zij mij
stevig drukte, want aangezien zij zeer gezet was vlogen er bij meer dan
gewone inspanning altijd eenige knoopen van hare japon, die op den rug
was dichtgeknoopt. Ik herinner mij dat er twee naar den anderen kant
van de kamer vlogen toen zij mij zoo hartelijk omhelsde.
„Lees mij nu nog eens wat voor over de korkedillen,” zei Peggotty, die
den naam niet goed onthouden kon, „ik heb er nog niet half genoeg van
gehoord.”
Ik begreep volstrekt niet waarom Peggotty zoo vreemd keek en hoe zij op
eens zoo belust was geworden op de krokodillen; evenwel, wij keerden
tot die monsters terug en lieten hunne eieren in de zon uitbroeden en
ik was weder zoo wakker alsof het morgen was; wij gingen voor hen op de
vlucht en keerden ons telkens om, hetgeen zij met hunne logge lichamen
zoo vlug niet konden doen en gingen hen in het water achterna, even als
de inboorlingen en staken hun scherpe stukken hout in de keel en kwamen
eindelijk tot de overtuiging, dat krokodillen over hun gansche lichaam
een pantser hebben getrokken. Ik kwam ten minste tot die overtuiging,
maar of Peggotty het ook deed betwijfel ik; want zij zat zich onder het
voorlezen telkens met de naald in het gezicht en in de armen te pikken.
Wij hadden de krokodillen afgehandeld en begonnen aan de alligators,
toen de huisschel overging. Wij liepen de gang in en daar was mijne
moeder, die er, naar mijn oordeel, buitengewoon lief uitzag. Zij
werd thuis gebracht door een heer met prachtig zwart haar en zwarte
bakkebaarden, die den vorigen Zondag met ons uit de kerk naar huis was
gewandeld.
Toen mijne moeder mij op den drempel opnam en mij kuste, zei de vreemde
heer dat ik, zoo klein als ik was, meer bevoorrecht was dan een
koning—of iets dergelijks; ik voel zelf wel dat de ondervinding, op
lateren leeftijd opgedaan, mijn geheugen hier te hulp komt.
„Wat beteekent dat?” vroeg ik hem over mijn schouder heen.
Hij klopte mij op het hoofd, maar of ik hem of zijne zware stem niet
kon uitstaan, hoe het zij, ik wilde niet dat zijne hand mijne moeder
zou aanraken, hetgeen reeds het geval was. Ik duwde de hand weg zoo
goed als ik kon.
„O, David!” sprak mijne moeder op berispenden toon.
„Beste jongen!” zei de vreemdeling en voegde er bij: „Het verbaast mij
niets dat hij u aanbidt.”
Nooit had ik voor dien tijd mijne moeder zoo zien blozen als op dit
oogenblik. Zij beknorde mij zachtjes omdat ik zoo onvriendelijk was en
mij dicht tegen zich aandrukkende, keerde zij zich om en bedankte den
vreemden heer voor de moeite, die hij zich getroost had om haar thuis
te brengen. Zij stak hem de hand toe, terwijl zij sprak en toen zij de
zijne aanraakte, lachte zij, naar ik meende, mij toe.
„Laten wij elkander goeden nacht zeggen, lief ventje,” sprak de
vreemdeling, terwijl hij—ik zag het!—het hoofd over mijn moeders
kleine handje gebogen had.
„Goeden nacht!” zei ik.
„Kom, wij moeten goede vrienden worden,” antwoordde de vreemdeling
lachend. „Geef mij een hand.”
Mijne rechterhand lag in de linker van mijne moeder zoodat ik hem de
andere aanbood. „Wel, dat is het verkeerde handje,” zei hij, nog steeds
lachend.
Mijne moeder bracht mijne hand naar hem toe, maar ik was om de reeds
vermelde redenen vastbesloten hem die niet te geven en ik deed het ook
niet. Ik gaf hem de andere, die hij hartelijk schudde, zeggende: „gij
zijt een flinke jongen,” waarna hij heenging.
Nu nog zie ik hem den tuin doorloopen en zich omkeeren, om ons met
zijne onheilspellende zwarte oogen een laatsten blik toe te werpen, eer
de deur gesloten werd.
Peggotty, die geen woord gesproken en geen vinger verroerd had, schoof
onmiddellijk de grendels voor de deur, waarna wij te zamen naar de
huiskamer gingen. Tegen hare gewoonte—zij zat anders altijd in haar
leunstoel bij den haard—bleef mijne moeder aan het andere einde van de
kamer en neuriede een lied.
„Ik hoop dat gij een aangenamen avond gehad hebt, mevrouw,” zei
Peggotty, die met eene kaars in de hand, onbeweeglijk als een groote
ton midden in de kamer stond.
„Dank u, Peggotty,” antwoordde mijne moeder bijzonder opgeruimd. „Dank
u, ik heb een _zeer_ genoegelijken avond doorgebracht.”
„Och ja, vreemd gezelschap geeft wel eens eene aangename afwisseling,”
ging Peggotty voort.
„Ja, eene zeer aangename afwisseling inderdaad,” bevestigde mijne
moeder.
Aangezien Peggotty roerloos midden in de kamer bleef staan en mijne
moeder weder begon te neuriën, viel ik in slaap; maar ik sliep niet
zoo vast dat ik hare stemmen niet hoorde, al verstond ik niet wat zij
spraken. Toen ik uit deze onverkwikkelijke sluimering ontwaakte, vond
ik Peggotty en mijne moeder beiden in tranen en in druk gesprek.
„Zulk een zou mijnheer Copperfield zeker niet goedgevonden hebben, dat
zeg ik en daar doe ik een eed op!” zei Peggotty.
„Lieve Hemel!” riep mijne moeder, „gij zult mij nog razend maken! Welk
ongelukkig meisje werd ooit zoo slecht behandeld door hare dienstboden
als ik! Waarom doe ik mij toch onrecht door mij een meisje te noemen?
Ben ik dan niet getrouwd geweest, Peggotty?”
„God weet dat gij het geweest zijt, mevrouw,” antwoordde Peggotty.
„Hoe durft gij het dan zeggen,” sprak mijne moeder.... „gij weet wel,
dat ik niet bedoel hoe gij het durft, Peggotty, maar hoe gij zoo
onhartelijk kunt zijn om mij het leven zoo onaangenaam te maken en mij
zulke bittere woorden toe te voegen, terwijl gij heel goed weet dat ik,
behalve u, geen sterveling heb met wien ik er over spreken kan!”
„Reden te meer,” antwoordde Peggotty, „om te zeggen dat het niet
gebeuren moet. Neen! Dat het niet gebeuren moet! Neen! Voor geen geld
op de wereld mag het gebeuren! Neen!...”
Ik dacht dat Peggotty den kandelaar van zich wilde afwerpen, zoo
opgewonden zwaaide zij er mede rond.
„Hoe kunt gij toch zoo overdrijven, Peggotty?” sprak mijne moeder, in
tranen uitbarstende. „Hoe is het mogelijk op zulk eene onrechtvaardige
wijze te spreken! Hoe kunt gij zoo doorslaan alsof alles al
onherroepelijk beslist was, terwijl ik u een- en andermaal vertel,
wreed schepsel, dat er niets dan gewone burgerlijke beleefdheden zijn
gewisseld. Gij spreekt over bewonderen? Maar als de menschen zoo dwaas
zijn om mij te bewonderen, is dat dan _mijne_ schuld? Wat moet ik
daartegen doen? Ik vraag het u, wat moet ik daartegen doen? Zoudt gij
willen dat ik mijne haren liet afscheren of mijn gezicht zwart maken
of mij misvormde door een brandvlek of iets dergelijks? Ik geloof dat
gij zoo iets wel zoudt willen, Peggotty. Ik geloof dat gij er u in
verheugen zoudt, Peggotty.”
Naar het mij voorkwam trok Peggotty zich dit verwijt zeer aan.
„En mijn lieve jongen,” riep mijne moeder uit, terwijl zij op den
leunstoel toeliep en mij liefkoosde, „mijn eigen, kleine David! Zal
men wellicht willen beweren dat ik te kort schiet in liefde voor mijn
heerlijken schat, voor het liefste, kleine kereltje, dat ooit heeft
bestaan?”
„Niemand zal dat ooit beweren,” antwoordde Peggotty.
„En gij hebt het gedaan, Peggotty!” hernam mijne moeder. „Gij weet dat
gij het gedaan hebt. Wat anders kon ik afleiden uit hetgeen gij hebt
gezegd, gij, onvriendelijk schepsel; terwijl gij evengoed weet als ik,
dat ik alleen ter wille van hem laatst geen nieuwe parasol heb willen
koopen, niettegenstaande de oude groene bijna geheel versleten is en
de franje er aan ontbreekt. Dat weet gij heel goed, Peggotty. Gij kunt
dat niet ontkennen.” Daarna keerde zij zich naar mij en legde haar wang
tegen de mijne. „Ben ik eene slechte moeder voor u, Davy? Ben ik eene
slechte, wreede, zelfzuchtige moeder? Zeg dat ik het ben, mijn kind,
zeg ‚ja’, beste jongen, dan zal Peggotty van u houden en Peggotty's
liefde is veel meer waard dan de mijne. Ik heb u in 't geheel niet
lief, doe ik wel?”
Na deze woorden begonnen wij in koor te schreien. Ik vermoed dat ik het
luidst schreide, maar ik ben er zeker van dat wij het allen ernstig
meenden. Het was hartverscheurend en ik vrees in de eerste vlaag van
opgewondenheid Peggotty een „beest” genoemd te hebben. De goede, trouwe
ziel was diep bedroefd, dat herinner ik mij zeer goed, en zal bij deze
gelegenheid vermoedelijk al haar knoopjes verloren hebben, want het was
een geregeld snelvuur in de kamer, toen zij, na zich met mijne moeder
verzoend te hebben, bij den grooten leunstoel neerknielde en zich ook
met mij verzoende.
Wij gingen allen in een bedrukte stemming naar bed. Ik snikte zoo
hevig dat ik niet slapen kon en toen ik ten gevolge van een bijzonder
krachtigen snik opsprong, vond ik mijne moeder over mij heengebogen op
mijn bed zitten. Ik viel in hare armen in slaap en sliep tot laat op
den dag rustig door.
Of ik reeds den volgenden Zondag dien vreemden heer zag of dat er meer
tijd is verloopen tusschen de beide ontmoetingen kan ik mij niet meer
herinneren. De datums staan mij niet helder meer voor den geest. Maar
op dien Zondag was hij in de kerk en wandelde met ons naar huis. Hij
kwam ook binnen om eene reusachtige geranium te bewonderen, die in
het kleine kamertje stond. Het komt mij nu voor dat hij er niet veel
aandacht aan schonk, maar eer hij heenging verzocht hij mijne moeder
hem er een takje van te geven. Zij verzocht hem er zelf een uit te
kiezen, maar dat weigerde hij—ik kon niet verstaan waarom—en toen
plukte zij er een af en gaf het hem. Hij zeide toen dat hij er nooit,
nooit van zou scheiden en ik dacht dat hij erg dom moest zijn, om niet
te weten dat het binnen één of twee dagen verwelkt zou wezen.
Peggotty begon des avonds weg te blijven; zij zat niet meer altijd bij
ons, zooals zij vroeger gedaan had. Mijne moeder ontzag haar meer dan
ooit—_ik_ merkte dit zelfs op—en wij waren de beste vrienden, toch
waren wij anders dan vroeger, anders dan wij gewoon waren, wij voelden
ons niet op ons gemak. Somtijds meende ik dat Peggotty het niet kon
verkroppen als mijne moeder al de mooie japonnen droeg, die zij in de
kast had, en dat zij het niet goed vond als mijne moeder zoo dikwijls
bij diezelfde buren op visite was; maar ik kon het toch met mij zelven
niet eens worden wat er eigenlijk haperde.
Langzamerhand begon ik er mij aan te gewennen dien heer met de zwarte
bakkebaarden dikwijls te zien. Ik hield niet meer van hem dan bij de
eerste ontmoeting en bleef jaloersch op hem; maar indien ik al eenige
andere aanleiding daartoe had dan een instinctmatigen kinderlijken
afkeer en het gevoel, dat Peggotty en ik mijne moeder genoeg konden
liefhebben, dat was toch niet de aanleiding, die ik op lateren leeftijd
daartoe zou gehad hebben. Zoo iets kwam zelfs niet in mij op. Ik kon
mijne opmerkingen maken, als het ware bij gedeelten; maar van die
verschillende onderdeelen een geheel samen te stellen, daartoe was ik
veel te jong.
Op zekeren herfstmorgen was ik met mijne moeder in den voortuin, toen
mijnheer Murdstone—ik wist nu, hoe hij heette—te paard langs kwam.
Hij richtte zich in de stijgbeugels op om mijne moeder te groeten en
vertelde, dat hij op weg was naar Lowestoft om eenige vrienden te
bezoeken, die daar met een yacht waren. Hij was zoo lief om voor te
stellen mij mede te nemen voor op het zadel, ten minste als ik niet
bang was.
Het was zulk heerlijk weer en het paard scheen zelf zooveel lust
te hebben in den rit—het stond te trappelen en te snuiven bij de
tuindeur—dat het denkbeeld mij bijzonder toelachte. Ik werd dus
naar boven gezonden, naar Peggotty, om wat opgeknapt te worden en
gedurende dien tijd steeg mijnheer Murdstone af en wandelde met de
teugels over den arm langzaam op en neer langs de buitenzijde van de
heg, terwijl mijne moeder hem aan de binnenzijde gezelschap hield. Ik
herinner mij nog hoe Peggotty hen door het kleine venster van mijne
slaapkamer bespiedde; ik herinner mij nog hoe dicht zij met de hoofden
bij elkander kwamen, toen zij de heg, die tusschen hen was, met de
grootste aandacht bekeken en hoe Peggotty, die eerst zoo goed gemutst
was geweest, plotseling boos werd en mijne haren bijzonder hard den
verkeerden kant op kamde.
Mijnheer Murdstone en ik draafden een oogenblik later over het groene
gras, dat langs den weg stond. Hij hield mij met ééne hand losjes
vast en ik geloof niet, dat ik in den regel zoo onrustig was als
ditmaal; maar ik kon, terwijl ik daar voor hem zat, niet nalaten nu
en dan mijn hoofd om te wenden en hem aan te kijken. Hij had die
zekere doffe, zwarte oogen—ik kan oogen, die geen diepte hebben,
niet anders beschrijven—die, wanneer ze doelloos rondzien, door de
eene of andere eigenaardigheid van het licht misvormd schijnen, die
nu en dan scheel lijken. Telkens wanneer ik hem aankeek, merkte ik
deze eigenaardigheid met een zekeren angst op en was nieuwsgierig
naar hetgeen, waarover hij zoo zat te peinzen. Zijn haar en zijne
bakkebaarden waren zwarter en dikker dan ik ooit gemeend had. Iets
vierkants in het benedengedeelte van zijn gezicht en de sporen van den
zwarten baard, dien hij elken dag afschoor, deden mij denken aan de
wassen beelden, die een half jaar te voren in ons dorp te zien waren
geweest. Dit, zijne regelmatige wenkbrauwen en het fraaie wit, zwart
en bruin van zijne gelaatskleur—vervloekt zij zijne gelaatskleur en
zijne nagedachtenis!—brachten mij, in weerwil van mijn afkeer, tot de
overtuiging dat hij een knap man moest zijn. Ik twijfel niet of mijne
arme moeder dacht er eveneens over.
Wij stapten af aan een hôtel dicht bij het strand en vonden in eene
kamer twee heeren, die in een wolk van sigarendamp waren gehuld. Zij
lagen ieder op minstens vier stoelen en waren gekleed in wijde, ruige
buizen. In een hoek waren een aantal jassen en schippersbuizen benevens
een vlag opgestapeld.
Toen wij binnenkwamen sprongen beide heeren van hunne stoelen op—of
liever, zij lieten zich er afrollen—en riepen: „Wel, Murdstone, zijt
gij daar? Wij dachten dat gij dood waart!”
„Nog niet!” antwoordde mijnheer Murdstone.
„En wat is dat voor een kereltje?” vroeg een van hen, toen hij mij in
het oog kreeg.
„Dat is Davy,” antwoordde mijnheer Murdstone.
„Davy.....?” vroeg de vreemde heer nogmaals. „Jones?”
„Copperfield,” verbeterde mijnheer Murdstone.
„Wat? Een zoontje van die betooverende mevrouw Copperfield, van dat
mooie, lieve weeuwtje?”
„Quinion,” zei mijnheer Murdstone, „wees voorzichtig als ik u verzoeken
mag. Zeker iemand is bij de pinken.”
„Wien bedoelt gij?” vroeg de vreemde heer lachend.
Ik keek snel op, want ik was nieuwsgierig te weten wien hij bedoelde.
„Zekere Brooks van Sheffield,” zei mijnheer Murdstone. Ik was bepaald
honderd pond lichter nu zij mijnheer Brooks bedoelden, want in het
eerste oogenblik meende ik dat ik zelf zoo bij de pinken was.
Er scheen iets grappigs verbonden te zijn aan dien mijnheer Brooks van
Sheffield, want beide heeren barstten in lachen uit, toen zijn naam
werd genoemd en mijnheer Murdstone lachte hartelijk mede. Na eenige
oogenblikken zei de heer, dien hij Quinion genoemd had: „En hoe denkt
mijnheer Brooks van Sheffield over de plannen?”
„Wel, ik geloof niet dat mijnheer Brooks er op het oogenblik veel van
begrijpt,” antwoordde mijnheer Murdstone, „maar ik geloof ook dat zijn
oordeel niet gunstig is.”
Er werd na dit gezegde nog harder gelachen en mijnheer Quinion schelde
en bestelde sherry, ten einde op de gezondheid te drinken van mijnheer
Brooks. Toen de wijn gebracht was, schonk hij een glas halfvol, gaf
er mij een beschuitje bij en eer ik dronk, stond hij op en zei: „De
drommel hale Brooks van Sheffield!” Deze toast werd met gejuich
begroet en zij lachten zoo hartelijk dat ik begon mee te doen, waarop
zij nog harder lachten. Kortom, wij amuseerden ons kostelijk. Daarna
gingen wij op de rotsen wandelen en in het gras zitten en keken door
een verrekijker—ik zag niets, wanneer zij mij er door lieten kijken,
maar beweerde dat het heel mooi was—en toen keerden wij terug naar
het hôtel en dineerden vroeg. Zoolang wij buiten waren rookten de
beide vreemde heeren onophoudelijk door en indien ik moest afgaan op
de lucht van hunne ruige jassen, moeten zij dat wel gedaan hebben van
het oogenblik af, waarop deze van den kleermaker gekomen waren. Ik zou
bijna vergeten te vertellen dat wij ook aan boord van het yacht gingen
en dat de drie heeren, zoodra zij in de hut waren, zich verdiepten in
eenige papieren, die daar lagen. Toen ik door de lantaarn naar beneden
keek, waren zij ijverig aan het schrijven. Zij hadden mij aan de hoede
toevertrouwd van een aardigen man met een bijzonder groot hoofd, rood
haar en een glimmenden hoed van wasdoek, waarop in hoofdletters het
woord „Leeuwerik” geschreven stond. Ik meende dat hij zoo heette en
dat hij, op het schip geen straatdeur hebbende om zijn naam bij te
plaatsen, dit boven den rand van zijn hoed deed; maar toen ik hem
„mijnheer Leeuwerik” noemde, vertelde hij mij dat het de naam van het
schip was.
Ik merkte den geheelen dag op, dat mijnheer Murdstone deftiger en
bedaarder was dan de beide andere heeren, die erg vroolijk en zorgeloos
schenen. Zij schertsten veel met elkander, maar in het geheel niet met
mijnheer Murdstone. Het kwam mij voor dat hij bekwamer en voornamer
was dan zij en dat zij ongeveer op dezelfde wijze over hem dachten als
ik. Ik merkte eenige malen op dat mijnheer Quinion, als hij sprak,
mijnheer Murdstone van ter zijde aankeek, om zeker te zijn dat hij
hem niet mishaagde; en dat mijnheer Passnidge—zoo heette de andere
heer—eerstgenoemde op den voet trapte en in het geheim een wenk gaf
om eens op mijnheer Murdstone te letten, die zwijgend voor zich zat te
kijken. Op dit oogenblik herinner ik mij dat mijnheer Murdstone in het
geheel niet lachte dien dag behalve over de Brooks-van-Sheffield-grap,
die van hem zelf was.
Wij keerden des avonds vroeg naar huis terug. Het was een mooie avond
en mijne moeder en hij maakten nog eene wandeling langs de heg, terwijl
ik naar binnen werd gezonden om thee te drinken. Toen hij weg was moest
ik mijne moeder alles vertellen wat ik gezien en gehoord had en wat
zij gezegd en gedaan hadden. Ik vertelde hetgeen zij van haar gezegd
hadden, waarop zij begon te lachen en zei dat die heeren heel ondeugend
waren en onzin praatten—maar ik wist dat het haar genoegen deed. Ik
wist dat toen even goed als ik het nu weet. Ik nam de gelegenheid
waar om te vragen of zij ook een zekeren Brooks van Sheffield kende;
zij antwoordde „Neen”, doch onderstelde dat het een scharen- en
messenfabrikant was.
Kan ik zeggen dat haar gezicht, al weet ik dat ik het mij veel ouder
voorstel dan ik het mij eigenlijk voorstellen moest en dat het tot
stof is vergaan, kan ik zeggen dat het weg is, terwijl ik het mij zoo
duidelijk voor den geest kan halen als een gezicht, dat ik verkies
aan te kijken in een propvolle straat? Kan ik van hare meisjesachtige
schoonheid, die nu vergaan is, zeggen dat zij weg is, terwijl ik nu nog
haar adem op mijne wang voel evenals dien avond? Kan ik zeggen dat zij
ooit veranderd is, wanneer ik haar mij altijd slechts kan voorstellen
zooals zij toen was, wanneer mijn geheugen blijft vasthouden aan
hetgeen ik in mijne jeugd heb liefgehad?
Ik schrijf over haar zooals zij was, toen ik naar bed was gegaan op
dien avond en zij mij goeden nacht kwam zeggen. Met een lachend gezicht
knielde zij voor mijn ledikantje neer en terwijl zij haar kin op hare
gevouwen handen legde, vroeg zij:
„Wat zeiden zij ook weer, Davy? Vertel het mij nog eens. Ik kan het
niet gelooven.”
„De betooverende...,” begon ik, maar mijne moeder legde mij de handen
op den mond. „‚Betooverende’ kunnen zij niet gezegd hebben,” sprak zij
lachend. „Het kan niet ‚betooverend’ geweest zijn. Dat weet ik zeker,
Davy.”
„Jawel, betooverende mevrouw Copperfield,” herhaalde ik nogmaals. „En
‚mooie’.”
„Neen, neen, ‚mooie’ niet”, zoo viel mijne moeder mij in de rede,
terwijl zij opnieuw de hand op mijn mond legde.
„Jawel; mooi, lief weeuwtje.”
„Dwaze, onbeschaamde mannen!” riep mijne moeder lachend uit, terwijl
zij de handen voor het gelaat hield. „Het is belachelijk! Vindt gij ook
niet, Davy? Zeg eens, lieve Davy....”
„Wat is het, mama?”
„Vertel het toch niet aan Peggotty; zij zou misschien boos worden. Ik
ben ook boos op die heeren, maar ik wilde het toch liever niet aan
Peggotty vertellen.”
Natuurlijk beloofde ik het en wij kusten elkaar herhaaldelijk en
eindelijk viel ik in slaap.
Den tijd, die sedert verloopen is, in aanmerking genomen, komt het mij
voor, dat Peggotty den volgenden dag het buitengewone en avontuurlijke
voorstel deed, dat ik nu zal vertellen—en toch waren er vermoedelijk
twee maanden verloopen sedert mijn tocht naar Lowestoft.
Op zekeren avond—mijne moeder was uit—zaten wij, zooals gewoonlijk,
in gezelschap van de breikous en het elletje en het stukje waskaars en
de naaidoos met de Sint-Paulskerk op het deksel en het krokodillenboek
in de huiskamer, toen Peggotty, na mij verscheidene malen aangekeken
en haar mond geopend te hebben alsof zij iets zeggen wilde,—ik dacht
dat zij slaap had en gaapte, anders zou het mijne aandacht wel eerder
getrokken hebben—plotseling zei: „Hoe zoudt gij er over denken,
jongeheer Davy, eens veertien dagen met mij naar Yarmouth te gaan,
naar mijn broeder? Zou dat niet prettig zijn?”
„Is uw broeder een lieve man, Peggotty?” vroeg ik, om niet terstond toe
te happen.
„O, hij is zulk een lieve man!” riep Peggotty met de handen in de
hoogte. „En dan de zee... en de schepen en de schuiten... en de
visschers en het strand en Am om mede te spelen....” Zij bedoelde haar
neef Ham, over wien ik in het eerste hoofdstuk gesproken heb.
Ik was in de wolken over al de heerlijkheden, die zij opsomde, en zei
dat het inderdaad heel, heel prettig moest zijn, maar vroeg toch ook
wat mijne moeder er van zeggen zou.
„Wel, ik verwed er een guinje om,” zeide Peggotty, mij scherp
aankijkende, „dat zij ons zal laten gaan. Indien gij er lust in hebt
zal ik het haar vragen zoodra zij thuis komt. Wat zegt gij daar nu
van?”
„Maar hoe zal mama het stellen wanneer wij weg zijn?” vroeg ik, mijn
kleine elleboogjes op de tafel steunend ten einde de zaak met ernst te
bespreken. „Zij kan ons zoo slecht missen.”
Het scheen wel dat Peggotty naar een gaatje zocht in den hiel van de
kous, die zij over hare hand had getrokken; maar het moet wel een heel
klein gaatje geweest zijn—niet waard om te stoppen.
„Ik zeg, mama kan ons niet missen, Peggotty; verstaat gij mij niet?”
„Groote goedheid, weet gij het dan nog niet? Uwe mama gaat veertien
dagen bij mevrouw Grayper—zoo heette de buurdame—logeeren. Mevrouw
Grayper krijgt het huis vol gasten.”
„O, als dat zoo is, wil ik gaarne met u medegaan.”
Met het grootste ongeduld wachtte ik tot mijne moeder van haar bezoek
aan mevrouw Grayper thuis kwam, ten einde zekerheid te krijgen of
dat heerlijke plan verwezenlijkt zou kunnen worden. Mijne moeder was
volstrekt niet zoo verrast als ik gedacht had dat zij zijn zou, en
bewilligde onmiddellijk in ons verzoek; alles werd dienzelfden avond al
geregeld; er zou voor kost en inwoning betaald worden. De dag, waarop
ons vertrek bepaald was, naderde snel, voor mij zelfs te snel, hoewel
ik hem met koortsachtig ongeduld te gemoet zag en maar vreesde dat
eene aardbeving of eene uitbarsting van een vuurspuwenden berg of een
dergelijk natuurverschijnsel nog een hinderpaal zou opwerpen voor de
uitvoering. Wij zouden met den vrachtwagen gaan, die dagelijks na het
ontbijt vertrok, en ik had wel wat willen geven, als ik mij den avond
te voren maar in een deken had mogen rollen en met den hoed op en de
laarzen aan had mogen slapen.
Terwijl ik dit zoo luchthartig vertel, spijt het mij, als ik mij
herinner, hoe ik er naar verlangde mijn gelukkig tehuis te verlaten,
niet vermoedende dat het voor eeuwig zijn zoude.
Ik ben blijde mij te herinneren dat, toen de vrachtwagen voor het
tuinhek stond en mijne moeder mij kuste, een gevoel van dankbare
gehechtheid aan haar en aan de oude woning mijn hart binnensloop en
dat ik luid begon te schreien. Ik ben blijde te weten dat mijne moeder
ook schreide en dat ik haar hart tegen het mijne voelde kloppen. Ik
ben blijde mij te herinneren dat, toen de wagen zich in beweging
zette, mijne moeder het tuinhek uitliep en den voerman toeriep op te
houden, omdat zij mij nog een kus wilde geven. Ik zie nog hoe teeder en
liefdevol zij haar gelaat naar het mijne bracht en mij een kus op den
mond drukte.
Toen wij wegreden en zij aan den weg bleef staan, naderde juist
mijnheer Murdstone van den anderen kant en het scheen wel dat hij
haar beknorde, omdat zij zoo aangedaan was. Ik keek om den hoek van
de kar en was nieuwsgierig te weten, wat het hem eigenlijk aanging en
Peggotty, die langs den anderen kant van de kar keek, scheen alles
behalve tevreden; dat was duidelijk op haar gezicht te lezen, toen zij
weder rechtuit keek.
Ik zat eenigen tijd naar Peggotty te kijken, verdiept in allerlei
mogelijke en onmogelijke onderstellingen, o. a. of ik, indien zij was
uitgezonden om mij kwijt te raken evenals de jongen in het sprookje,
den weg naar huis zou kunnen terugvinden door het spoor te volgen van
de knoopjes, die zij onder weg zou verliezen.