I.

Ik word geboren.

Of ik zelf dan wel een ander de held van deze geschiedenis worden zal,

zullen de volgende bladzijden moeten leeren. Om te beginnen met het

begin van mijne lotgevallen, deel ik mede dat ik—naar men mij verteld

heeft en ik ook voor waarheid aanneem—geboren ben op een Vrijdag,

te twaalf uur middernacht. De opmerking is gemaakt dat ik begon te

schreeuwen op hetzelfde oogenblik dat de klok hare twaalf slagen deed

hooren.

Dag en uur van mijne geboorte brachten de baker en eenige hoogst wijze

vrouwen uit de buurt, die gedurende de eerste maanden levendig belang

in mij stelden zonder dat ik persoonlijk kennis met haar maakte, tot

het besluit dat mij een leven vol tegenspoed te wachten stond en ik

in staat zou zijn spoken en geesten te zien; beide deze eigenschappen

waren naar haar oordeel onherroepelijk verbonden aan kinderen, die des

Vrijdags te middernacht het levenslicht aanschouwden.

Wat de eerste voorspelling betreft, daarvan behoef ik niets mede te

deelen, want deze bladzijden zullen voldoende aantoonen of er al dan

niet waarheid in gelegen is. Wat de tweede echter aangaat kan ik

slechts verklaren dat, indien deze gave mij ten deel is gevallen, ik

die als zuigeling moet hebben opgemaakt, aangezien mij daarvan op

lateren leeftijd niets is overgebleven. Ik beklaag mij daarover in

geenen deele en mocht iemand anders zich in het bezit er van verheugen,

dan zij hem dat van harte gegund.

Ik werd met een helm geboren, die in de nieuwsbladen tegen den geringen

prijs van vijftien guinjes te koop werd aangeboden. Ik weet niet of de

zeevarenden op dat tijdstip slecht bij kas waren of de voorkeur gaven

aan zwemgordels, maar het is een feit dat er slechts één bod werd

gedaan en dit wel door een wisselmakelaar, die aanbood twee pond in

contanten en de rest in sherry te betalen, maar geen penny meer wilde

geven om tegen verdrinken gewaarborgd te zijn. Dientengevolge waren de

onkosten van de advertentie noodeloos gemaakt—mijne arme moeder was

in die dagen genoodzaakt haar eigen wijn zelfs te verkoopen—en tien

jaar later werd de helm ergens in onze buurt onder vijftig deelnemers

verloot tegen een halve kroon per hoofd, terwijl de winner nog vijf

shilling zou toegeven. Ik was er bij tegenwoordig en herinner mij nog

zeer goed hoe verlegen en beschaamd ik was, dat daar met een stukje van

mij zelven op zulk eene wijze werd omgesprongen.

De helm werd gewonnen door eene oude juffrouw, die, hoewel met

tegenzin, de afgesproken vijf shilling in halvestuivers uit haar

hengelmandje te voorschijn haalde; zij gaf echter twee en een halven

stuiver te weinig en er was heel wat tijd en heel wat rekenkunst

noodig om haar dit aan het verstand te brengen. Als een hoogst

merkwaardig feit moet ik hier vermelden, dat zij niet verdronken, doch

zacht en kalm op haar bed overleden is, op haar tweeënnegentigste jaar.

Later heb ik vernomen dat zij er zich op beroemde nooit op het water

te zijn geweest dan op een brug en op hare theekransjes, waarvan zij

eene eerste liefhebster was, meermalen hare verontwaardiging lucht gaf

over de goddeloosheid van zeelieden en anderen, die de roekeloosheid

begingen om door de wereld „rond te dolen.” Te vergeefs werd haar

voorgehouden, dat allerlei geriefelijkheden—thee waarschijnlijk

daaronder begrepen—aan dit verafschuwde bedrijf te danken waren; zij

kwam telkens met nog grooter nadruk en voor zich zelve overtuigd van de

onomstootelijke waarheid terug op hare meening: „Dat ronddolen moest

niet plaats hebben.”

Ten einde ook zelf niet te gaan ronddolen, keer ik terug naar mijne

geboorte.

Ik werd geboren te Blunderstone in Suffolk, zes maanden nadat mijn

vader voor eeuwig de oogen gesloten had, zoodat ik een halve wees

was. Zelfs nu nog komt er eene zonderlinge gewaarwording in mij op,

wanneer ik bedenk dat hij mij nooit gezien heeft; maar vreemder nog

wordt het mij te moede bij de vage herinnering aan mijne eerste

kinderlijke opmerkingen over de witte zerk op het kerkhof, over

de onbarmhartigheid, dat wij hem daar alleen lieten liggen in den

duisteren nacht, terwijl in ons kleine kamertje de haard en de lamp

brandden, ja, dat wij zelfs zoo wreed waren de deur te sluiten en te

grendelen.

Eene tante van mijn vader en bijgevolg eene oudtante van mij, van

wie ik bij gelegenheid nog wel eens iets heb te vertellen, was de

voornaamste persoon in de familie. Miss Trotwood of miss Betsey, zooals

mijne moeder haar altijd noemde, wanneer zij moed genoeg had om het

gesprek op deze door haar zoo gevreesde persoon te brengen—hetgeen

slechts zelden het geval was—was getrouwd geweest met een man, die

jonger dan zij en heel mooi was, behalve in den zin van het aloude

spreekwoord: „mooi is wie mooi doet”; hij stond namelijk onder

verdenking miss Betsey geslagen en op zekeren dag, bij eene oneenigheid

over geldelijke aangelegenheden, in drift gedreigd te hebben haar

uit een venster van de tweede verdieping te zullen werpen. Dit zeer

duidelijk bewijs van de onvereenigbaarheid hunner karakters had tante

Betsey doen besluiten hem af te koopen en met wederzijdsch goedvinden

van hem te scheiden. Hij vertrok met zijn geld naar Indië en volgens

eene onzinnige overlevering in onze familie heeft iemand hem daar

ontmoet, rijdende op een olifant en in gezelschap van eene Indische

prinses. Hoe het zij, tien jaar later werd uit Indië zijn doodbericht

ontvangen. Niemand heeft ooit geweten of dit bericht mijne tante

bijzonder heeft getroffen; zij nam haar jongemeisjesnaam weder aan,

liet een huisje voor zich bouwen in een klein dorpje aan de zeekust,

vestigde zich daar metterwoon en bleef voortaan met ééne dienstmeid in

de strengste afzondering leven.

Mijn vader had, naar ik meen, altijd een wit voetje bij haar gehad,

maar zijn huwelijk kon zij hem nooit vergeven, omdat mijne moeder

volgens hare bewering „een wassen popje” was. Zij had mijne moeder

nooit ontmoet, maar wist dat zij nog niet ten volle twintig jaar oud

was. Mijn vader heeft tante Betsey nooit meer gezien. Hij was twee

malen zoo oud als mijne moeder en niet bijzonder sterk. Een jaar na het

huwelijk stierf hij en, zooals ik reeds meedeelde, zes maanden na zijn

dood aanschouwde ik het levenslicht.

Zoo was de stand van zaken in den namiddag van dien merkwaardigen

Vrijdag—men zal het mij wel niet euvel duiden dat ik dien dag

zoo noem. Ik kan er dus niet op bogen op dat tijdstip geweten te

hebben hoe de zaken stonden of mij van hetgeen volgt iets te kunnen

herinneren, dat op eigen waarneming is gegrond.

Mijne moeder zat in eene droefgeestige stemming en verre van gerust

door hare tranen heen in het vuur te staren, vol angst en kommer over

zich zelve en het kleine vaderlooze wezentje, dat door een paar lood

spelden in eene lade op de bovenkamer welkom werd geheeten in eene

wereld, wie zijne komst geen greintje belang inboezemde; mijne moeder

zat, zooals ik zeide, bij het vuur op dien helderen, stormachtigen

achtermiddag in Maart. Zij was verre van opgewekt en twijfelde of

zij de proef, die zij zou moeten doorstaan, wel zou te boven komen.

Terwijl zij nu het hoofd oplichtte om de oogen af te wisschen, zag zij

plotseling eene vreemde dame door den tuin aankomen. Een onbedriegelijk

voorgevoel zeide haar, dat die dame tante Betsey was. Zooals die

vreemde dame daar, door de ondergaande zon over het tuinhek beschenen,

kwam aanwandelen in eene stijve houding, bedaard alsof zij daar thuis

was, kon het niemand anders zijn dan tante Betsey, en toen zij de

woning bereikt had, gaf zij een overtuigend bewijs dat zij het was en

niemand anders. Mijn vader had meermalen ter loops gezegd, dat zij zich

zelden gedroeg als een gewoon christenmensch en ziet.... in plaats van

te bellen, keek zij door het venster en drukte daartoe haar neus zoo

hard tegen de ruiten dat, volgens verklaring van mijne moeder, dit

lichaamsdeel in een oogenblik geheel plat en wit was geworden.

Mijne moeder was door deze verschijning zoo ontsteld, dat ik het

ongetwijfeld aan tante Betsey te danken heb op een Vrijdag geboren te

zijn. In hare ontsteltenis was mijne moeder van haar stoel opgestaan en

had de wijk genomen naar een hoek van de kamer; maar tante Betsey bleef

onderzoekend het vertrek rondkijken tot zij mijne moeder ontdekte,

waarbij hare oogen in haar hoofd ronddraaiden als een moorenkop in

eene ouderwetsche Friesche klok. Toen nam zij mijne moeder van het

hoofd tot de voeten op en maakte, als iemand die gewoon is onmiddellijk

gehoorzaamd te worden, een gebaar om de deur te komen openen. Mijne

moeder voldeed aan haar verlangen.

„Mevrouw David Copperfield, onderstel ik?” vroeg tante Betsey; de

nadruk, dien zij op deze laatste woorden legde, had waarschijnlijk

betrekking op de rouwkleederen, die mijne moeder droeg en op den

belangwekkenden toestand, waarin zij verkeerde.

„Jawel,” antwoordde mijne moeder schuchter.

„Juffrouw Trotwood,” stelde de bezoekster zich voor. „Gij zult wel eens

over mij hebben hooren spreken, nietwaar?”

Mijne moeder antwoordde dat zij dit genoegen wel eens had gehad, maar

had daarbij de onaangename gewaarwording, dat haar toon niet zulk een

bijzonder groot genoegen te kennen gaf.

„En nu ziet gij haar voor u,” hernam tante Betsey.

Mijne moeder knikte en noodigde haar uit om binnen te komen.

Zij gingen naar het kamertje, waar mijne moeder gezeten had—in de

mooie kamer brandde geen vuur en had sinds den dood van mijn vader geen

vuur gebrand—en toen beiden hadden plaats genomen en tante Betsey

niets zeide, begon mijne moeder, na zich vruchteloos er tegen verzet te

hebben, te schreien.

„Tut, tut, tut,” zei tante Betsey met veel drukte, „dat behoeft nu

volstrekt niet! Kom, kom!” Mijne moeder kon het echter niet laten en

schreide daarom eerst uit.

„Neem uw mutsje eens af, mijn kind,” zei tante Betsey, „laat ik u eens

bekijken.”

Hoewel mijne moeder lust gevoelde om aan dit zonderlinge verzoek geen

gevolg te geven, was zij toch zoo bevreesd voor haar dat zij dit

niet durfde. Zij deed daarom wat haar verzocht werd, maar met zulke

zenuwachtig bevende handen dat haar volle, mooie haar los ging en over

haar gelaat viel.

„Wel, lieve Hemel!” riep tante Betsey, „gij lijkt waarlijk nog op een

schootkindje!”

Het was niet te loochenen dat mijne moeder er zelfs voor haar leeftijd

buitengewoon jong uitzag; zij liet haar hoofdje hangen alsof het haar

eigen schuld was, 't arme schepsel, en zei snikkend dat zij bang was

eene kinderachtige weduwe te zijn en ook eene kinderachtige moeder te

zullen wezen—als zij het leven er afbracht. Er volgde op deze woorden

een oogenblik van stilte, waarin mijne moeder meende tante Betsey's

hand op heur haar te voelen—heel zachtjes en vriendelijk—maar toen

zij zich schuchter en bedeesd omwendde, hopende zich niet vergist te

hebben, zag zij haar met den rand van haar rok opgeslagen, de handen

over een knie gevouwen en de voeten op den haardrand naar het vuur

staren.

„Waarom toch in 's Hemels naam Kraaiennest?” vroeg tante Betsey

plotseling.

„Bedoelt gij het huis, tante?”

„Waarom, Kraaiennest?” herhaalde zij. „Hoe is het mogelijk dat menschen

met gezond verstand zulk een naam aan hun huis kunnen geven?”

„Copperfield heeft dien naam gekozen,” antwoordde mijne moeder. „Toen

hij het huis kocht, nestelden hier tallooze kraaien in den omtrek.”

De avondwind blies op dit oogenblik zoo hevig door eenige oude olmen

in den tuin, dat mijne moeder noch mijne tante konden nalaten dien

kant uit te kijken. Wanneer de olmen tot elkander overbogen gelijk

reuzen, die geheimen hadden te verhandelen, en, na een oogenblik rust,

weder in heftige beweging kwamen en hunne takken als armen uitstaken,

alsof hunne vertrouwelijke mededelingen zoo snood waren dat ze hunne

gemoedsrust verstoorden, werden werkelijk op de hoogste takken eenige

verlaten kraaiennesten heen en weer geslingerd als wrakken op eene

onstuimige zee.

„Waar zijn de vogels?” vroeg tante Betsey.

„De.....?” Mijne moeder had aan andere dingen zitten denken.

„De kraaien? Wat is er mee gebeurd?” herhaalde tante Betsey.

„Zoolang wij hier gewoond hebben is er geen enkele kraai geweest,” zei

mijne moeder. „Wij meenden.... Copperfield meende.... dat er heel veel

waren, maar het bleken oude nesten te zijn, die door de vogels waren

verlaten.”

„David Copperfield op en top!” riep tante Betsey uit. „David

Copperfield op en top! Noemt het huis ‚Kraaiennest’, terwijl er geen

kraai in de buurt is en neemt maar op goed geloof aan dat er vogels

zijn als hij de nesten ziet! O! O!”

„Mijn beste Copperfield is dood,” zei mijne moeder. „Ik verwacht dat

gij niet op minachtenden toon over hem zult spreken....”

Ik geloof waarlijk dat mijne goede moeder een aanval op mijne tante op

het oog had, die haar met een pink zou hebben kunnen omgooien, zelfs al

was mijne moeder in gunstiger omstandigheden voor een gevecht geweest

dan op dezen avond. Het bleef er echter bij dat zij van haar stoel

opstond en weer ging zitten, waarna zij in eene flauwte viel.

Toen zij weder bijkwam of door tante Betsey was bijgebracht, stond deze

bij het venster. De schemering was intusschen door volslagen duisternis

opgevolgd en had de haard niet gebrand, dan zouden zij elkander in het

geheel niet hebben kunnen zien.

„Wel?” zei tante Betsey, weder plaats nemende alsof er niets gebeurd

was, „wanneer verwacht gij de nieuwe wereldburgeres?”

„Ik weet niet.... ik beef zoo....” stamelde mijne moeder. „Ik zal het

zeker niet overleven”.

„Gekheid.... drink maar een kopje thee.”

„O, lieve Hemel, zou dat goed voor mij zijn?” riep mijne moeder

radeloos uit.

„Zeker, zeker.... het is niets dan verbeelding,” hernam tante Betsey.

„Hoe heet uw meisje?”

„Maar ik weet immers niet of het een meisje zijn zal,” antwoordde mijne

moeder onschuldig.

„De Hemel beware het kind!” riep tante Betsey, de tweede spreuk op het

bakerkussen in de lade herhalend, doch in plaats van op mij, op mijne

moeder toepassende. „Dat bedoel ik niet; ik bedoel uw dienstmeisje.”

„Peggotty,” zeide mijne moeder.

„Peggotty!” herhaalde tante Betsey. „Gij zult toch niet beweren dat er

ooit een menschelijk wezen in een christenkerk gedoopt is met den naam

Peggotty?”

„Het is haar familienaam,” hernam mijne moeder bedeesd. „Copperfield

noemde haar altijd zoo, omdat zij denzelfden voornaam heeft als ik.”

„Hela! Peggotty!” riep tante Betsey, de kamerdeur openende, „breng wat

thee. Mevrouw is niet wel. Vlug wat!”

Nadat zij deze bevelen gegeven had op een toon van gezag, alsof er zoo

lang het huis had bestaan nooit iemand anders aan het hoofd van de

huishouding had gestaan dan zij, en na zich even vertoond te hebben aan

de verbaasde Peggotty, die op het geluid van de vreemde stem met een

kandelaar in de hand kwam aanloopen, sloot zij de deur en nam hare oude

plaats weer in: met de voeten op den haardrand, den rok van de japon

opgeslagen en de handen gevouwen over ééne knie.

„Gij zeidet zoo even dat gij niet wist of het een meisje zal zijn,”

begon zij. „Ik ben er zeker van dat het een meisje zijn zal. Ik heb

een voorgevoel dat het een meisje zijn zal. En, mijn kind, van het

oogenblik van de geboorte van het meisje....”

„Misschien is het een jongen,” waagde mijne moeder op te merken.

„Ik zeg u: ik heb een voorgevoel dat het een meisje zijn zal,”

herhaalde tante Betsey. „Spreek mij niet tegen. Van het oogenblik

af, dat uw meisje geboren wordt, ben ik voornemens eene vriendin voor

haar te zijn. Ik wil haar peet zijn en ik verzoek haar te noemen:

Betsey Trotwood Copperfield. _Deze_ Betsey Trotwood mag het aan niets

ontbreken in haar leven en vooral mag er niet met het hart van het arme

kind gespeeld worden. Zij moet eene goede opvoeding hebben en er voor

behoed worden, haar vertrouwen te schenken aan onwaardigen. Daarvoor

zal ik weten te zorgen.”

Na elken volzin knikte tante Betsey met het hoofd, alsof al het geleden

onrecht weder bovenkwam; blijkbaar kostte het haar moeite om er niet

telkens over te beginnen. Mijne moeder kwam dit ten minste zoo voor,

toen zij haar gadesloeg bij het doffe schijnsel van het haardvuur;

eigenlijk was zij te bang voor tante Betsey, te verlegen en te pijnlijk

om alles goed waar te nemen en te weten, wat zij antwoorden moest.

„En was David een goed echtgenoot, mijn kind?” vroeg tante Betsey na

eenige oogenblikken gezwegen te hebben; de bewegingen met het hoofd

hadden nu geheel opgehouden. „Kondt gij het goed met elkaar vinden?”

„Wij waren heel gelukkig,” antwoordde mijne moeder. „Copperfield was

eigenlijk veel te goed voor mij.”

„Hij heeft u zeker erg bedorven,” hernam tante Betsey.

„Ja, ik vrees wel dat hij het gedaan heeft,” snikte mijne moeder, „nu

ik geheel alleen ben achtergebleven en op mijne eigen beenen moet staan

in deze ruwe wereld, voel ik het maar al te goed.”

„Kom! Gij moet nu niet schreien!” zei tante Betsey. „Gij pastet niet

bij elkander—alsof ooit twee menschen bij elkander passen—daarom deed

ik deze vraag. Gij waart wees, niet waar?”

„Ja.”

„Gouvernante?”

„Ik was bonne bij eene familie waar Copperfield aan huis kwam.

Copperfield was altijd heel vriendelijk jegens mij, bewees mij allerlei

oplettendheden en bood mij eindelijk hart en hand aan. Ik wees hem niet

af en zoo trouwden wij,” antwoordde mijne moeder op hare ongekunstelde

manier.

„Och! Arm kind!” mompelde tante Betsey, terwijl zij met gefronst

voorhoofd naar het vuur keek. „En hebt gij ook verstand van een en

ander?”

„Hoe bedoelt gij dat, mevrouw?” stotterde mijne moeder.

„Van de huishouding bijvoorbeeld?”

„Niet veel, naar ik vrees,” antwoordde mijne moeder. „Niet zooveel als

ik wel wenschte, maar Copperfield was een goed leermeester....”

„En hij wist er zelf zooveel van!” riep tante Betsey uit.

„.... en ik zou zeker spoedig op de hoogte zijn geweest, want ik was

zeer begeerig om te leeren en hij geduldig in het onderrichten, indien

mij niet het groote ongeluk van zijn dood....” mijne moeder barstte

opnieuw in tranen uit en kon niet voortgaan.

„Zoo, zoo!” zei tante Betsey.

„Ik hield mijn huishoudboek geregeld aan en maakte elken avond met

Copperfield de balans op,” riep mijne moeder in wanhoop uit. Zij was op

het punt om nogmaals flauw te vallen.

„Zoo, zoo!” herhaalde tante Betsey. „Maar schrei dan toch niet zoo.”

„.... En ik verzeker u dat wij nooit een enkel woord verschil er over

hadden dan wanneer Copperfield vond, dat mijne drieën en vijven te veel

op elkaar geleken of dat ik te groote krullen aan de zevens en negens

maakte,” vervolgde mijne moeder snikkende en bleef al weder steken.

„Gij zult u nog ziek maken,” zei tante Betsey, „en dat zou noch voor u,

noch voor mijn peetdochtertje goed zijn. Kom! Laat dat nu maar!”

Dit argument bracht mijne moeder een weinig tot kalmte en nu volgden er

eenige oogenblikken stilte, alleen afgebroken door het herhaalde ‚Zoo,

zoo!’ van tante Betsey, die met de voeten op den haardrand zat.

„Ik weet dat David eene lijfrente voor zichzelven gekocht had,” sprak

zij eindelijk. „Wat heeft hij voor u gedaan?”

„Copperfield,” antwoordde mijne moeder—het kostte haar zichtbaar

inspanning—„Copperfield is zoo omzichtig geweest om een gedeelte

daarvan op mijn naam te doen overschrijven.”

„Hoeveel?” vroeg tante Betsey.

„Honderd en vijf pond 's jaars,” antwoordde mijne moeder.

„Dat had slimmer kunnen zijn,” zei tante. Het woord „slimmer” was

met het oog op de omstandigheden van dit oogenblik zeer eigenaardig

gekozen. Mijne moeder was zooveel „slimmer”, dat Peggotty, die met

de lamp en het theeblad de kamer binnenkwam, ziende hoe onwel mijne

moeder was—ware het lichter geweest, dan zou tante Betsey het ook

wel opgemerkt hebben—haar terstond naar boven, naar hare eigen kamer

bracht en haar neef, Ham Peggotty, die reeds eenige dagen heimelijk,

zonder dat mijne moeder het wist, in de keuken opgesloten was geweest

om in geval van nood als koerier dienst te doen, naar den dokter en de

baker zond.

Deze verbonden machten waren niet weinig verbaasd, toen zij,

eenige minuten na elkander binnenkomend, eene vreemde dame met een

onheilspellend uiterlijk bij den haard vonden zitten, met de muts over

den linkerarm en watten in de ooren. Peggotty kon geen opheldering

omtrent haar geven en mijne moeder sprak ook geen woord over haar,

zoodat zij daar zat als een levend geheim; terwijl het feit, dat zij

een geheele scheepslading watten in hare zakken scheen te hebben en

maar voortging met het vullen van hare ooren, volstrekt geen afbreuk

deed aan het statige in haar voorkomen.

Toen de dokter, die terstond naar boven was gegaan, weder beneden kwam

en zich, naar ik onderstel, intusschen gemeenzaam gemaakt had met het

denkbeeld, dat hij waarschijnlijk eenige uren tegenover die vreemde

dame bij den haard zou moeten zitten, had hij zonder twijfel besloten

zoo beleefd en gezellig mogelijk te zijn. Hij was de zachtzinnigste

man, dien men zich denken kan, die kleine dokter Chillip. Hij deed

altijd zijn best, om waar hij ook was zoo min mogelijk plaats in te

nemen en liep nog zachter dan het spook in Hamlet. Hij droeg het hoofd

een weinig op zijde, zoowel uit bescheiden geringschatting van zich

zelven, als om iedereen verzoenend te stemmen. Het is te weinig, indien

ik beweer dat hij zelfs geen hond een barsch woord zou hebben kunnen

toevoegen—hij zou het zelfs geen _kwaden_ hond hebben kunnen doen. Hij

zou hem misschien een vriendelijk woord of een half woord of een stukje

van een woord hebben toegevoegd, want hij sprak even zacht als hij

liep; maar hij zou hem voor geen geld ter wereld boos of barsch hebben

kunnen aanspreken.

Mijnheer Chillip dan keek mijne tante vriendelijk aan, met het hoofd op

zijde, maakte eene kleine buiging en op de watten doelende, raakte hij

even haar linker oor aan, zeggende:

„Eene plaatselijke aandoening, mevrouw?”

„Wat?” riep mijne tante, terwijl zij de watten als een kurk uit een der

ooren trok.

Mijnheer Chillip ontstelde zoo van dezen uitval, dat het, zooals

hij later aan mijne moeder vertelde, een wonder was dat hij zijne

tegenwoordigheid van geest niet verloor. Hij herhaalde op vriendelijken

toon:

„Een plaatselijke aandoening, mevrouw?”

„Nonsens!” antwoordde mijne tante en kurkte haar oor met één duw weder

dicht.

Dokter Chillip kon daarna niets doen dan nu en dan een nieuwsgierigen

blik op haar werpen, terwijl zij in het vuur zat te kijken, totdat hij

weder boven geroepen werd. Na een kwartier ongeveer kwam hij weer

beneden.

„Wel?” vroeg mijne tante, terwijl zij het oor, dat het dichtst bij hem

was, ontkurkte.

„Ja, mevrouw,” antwoordde hij, „wij vor.... vor.... deren langzaam,

mevrouw.”

„Zoo—o—o” zeide zij en stopte het oor weer toe.

Daar lag zooveel minachting in den toon, waarop zij dit enkele woord

uitsprak, dat zelfs dokter Chillip—zooals hij later aan mijne moeder

vertelde—zich beleedigd gevoelde, wel te verstaan, alleen als

deskundige. Toch bleef hij nog twee uren lang in haar gezelschap,

terwijl zij in het vuur zat te staren. Toen werd hij weder boven

geroepen en teruggekomen, volgde dezelfde vraag:

„Wel?”

„Wel, mevrouw, wij vor.... vorderen langzaam, mevrouw.”

„Ja...a...!” zei tante Betsey en snauwde den armen dokter op zulk een

wijze af, dat hij het niet langer kon verdragen. Hij zou er geheel door

van zijn stuk zijn geraakt, verklaarde hij later. Hij gaf er daarom de

voorkeur aan op de donkere, tochtige trap te gaan zitten, tot hij weer

boven werd geroepen.

Ham Peggotty, die op de volksschool ging en uitnemend tehuis was in

zijn cathechismus, waarom hij als een geloofwaardige getuige mag

aangemerkt worden, vertelde den volgenden dag, dat, toen hij het een

uur later waagde om de deur van het kleine kamertje te kijken, hij

onmiddellijk door tante Betsey, die zenuwachtig heen en weer wandelde,

ontdekt en bij den kraag gegrepen werd; dat het geluid van voetstappen

en stemmen van de bovenkamer zonder twijfel door de watten moet zijn

gedrongen, want het bleek duidelijk dat de dame hem tot afleider

gebruikte, wanneer die geluiden het hevigst waren; dat zij voortdurend

met hem op en neer liep alsof hij ontnuchterd moest worden, hem bij

den kraag van zijne jas bleef vasthouden en hem bij elken kreet, die

van boven tot haar doordrong, door elkander schudde, zijn haar door

de war haalde, zijn boordje verkreukelde en zijne ooren dichtstopte

in de meening dat het de hare waren en hem op alle mogelijke wijzen

mishandelde en havende. Gedeeltelijk werd dit ook door zijne tante

bevestigd die hem om half één terugzag en verklaarde, dat hij toen even

rood was als ik.

De goedhartige dokter Chillip, die geen kwaad met kwaad wilde

vergelden—dat deed hij trouwens nooit—kwam, zoodra hij boven gereed

was, de kamer binnen en zeide met zijne zachtste stem: „Nu, mevrouw, ik

ben blijde u te kunnen gelukwenschen.”

„Waarmede?” vroeg mijne tante bits.

Dokter Chillip ontstelde nogmaals van den barschen, onaangenamen

toon mijner tante; hij maakte daarom weder eene kleine buiging en

glimlachte, ten einde haar wat zachter te stemmen.

„Lieve Hemel, wat een man! Wat wil hij toch?” riep tante ongeduldig

uit. „Heeft hij zijne spraak verloren?”

„Kalm, mijne waarde mevrouw,” sprak dokter Chillip bijna onhoorbaar.

„Er is volstrekt geen reden tot eenige bezorgdheid. Gij kunt gerust

zijn.”

Het mag nog altijd een wonder genoemd worden, dat mijne tante hem toen

niet, evenals Ham, bij den kraag heeft gepakt, ten einde hetgeen hij

te zeggen had uit hem te schudden. Zij boog haar eigen hoofd alleen

voorover, maar zij deed dit op eene wijze, dat al zijn moed hem in de

schoenen zonk.

„Wel, mevrouw,” herhaalde hij, toen hij zich een weinig hersteld

had, „ik ben blijde u te kunnen gelukwenschen. Alles is uitnemend

afgeloopen.”

Gedurende de vijf minuten of daaromtrent, die dokter Chillip noodig had

om deze redevoering af te steken, staarde mijne tante hem doordringend

aan.

„Hoe gaat het haar?” vroeg zij, de armen over elkander slaande,

niettegenstaande haar hoed nog over haar linker arm hing.

„Wel, mevrouw, zij zal spoedig geheel hersteld zijn, naar ik hoop,”

antwoordde dokter Chillip. „Zij zal zich spoedig zoo wel gevoelen als

eene jonge moeder onder zulke omstandigheden doen kan. Er bestaat

geen enkel bezwaar voor u om niet eens bij haar te gaan. Het zal haar

integendeel goed doen.”

„En _zij_? Hoe gaat het _haar_?” vroeg mijne tante bits.

Dokter Chillip bracht zijn hoofd nog een weinig meer op zijde en keek

haar aan als een tam vogeltje.

„Het kind,” zei mijne tante. „Hoe maakt _zij_ het?”

„Ik meende dat gij het al wist, mevrouw,” antwoordde dokter Chillip.

„Het is een jongen.”

Mijne tante sprak geen woord meer, doch nam haar hoed bij de banden,

op de wijze zooals men een slinger aanvat, sloeg er mede naar dokter

Chillip's hoofd, zette hem op en liep boos heen om niet meer terug

te komen. Zij verdween als eene misnoegde fee, of als een van die

bovennatuurlijke wezens, die, naar de overlevering luidt, voor mij

zichtbaar zouden zijn—en kwam nooit meer terug.

Neen; ik lag in mijn wiegje, en mijne moeder in haar bed, maar Betsey

Trotwood Copperfield behoorde voor altijd tot het land der droomen

en schimmen, tot het geheimzinnige land, waaruit ik zooeven was

aangekomen; en het licht uit onze kamer viel door het venster op de

laatste rustplaats van tallooze dergelijke reizigers en op die van hem

zonder wien ik er nooit zou zijn geweest.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 14 / 79 题