Veranderingen.
Het paard van de vrachtkar was het luiste dier van de wereld, naar ik
hoop, en liep op een sukkeldrafje met hangenden kop voort, alsof het er
vermaak in schiep de menschen, aan wie de pakjes geadresseerd waren,
te laten wachten. Ik verbeeldde mij telkens dat het nu en dan hoorbaar
lachte over dit denkbeeld, maar de voerman zei dat „zijn beestje”
verkouden was. De voerman had de gewoonte het hoofd naar beneden te
houden evenals zijn paard en droomerig voor zich te kijken, terwijl
hij mende, met een van zijne armen op beide knieën. Ik zeg „mende”,
maar ik onderstel, dat de kar ook zonder hem wel te Yarmouth zou zijn
aangekomen, want het paard volgde zijn eigen wil; spreken deed de
voerman niet, alleen floot hij nu en dan eens.
Peggotty had een mand met eetwaren bij zich, waarmede wij zouden zijn
toegekomen, al hadden wij op deze wijze naar Londen moeten rijden.
Een groot gedeelte van den tijd werd met eten, een ander gedeelte met
slapen doorgebracht. Peggotty sliep voortdurend met haar kin op het
hengsel van de mand, die zij niet losliet en ik zou het niet kunnen
gelooven, als ik het niet zelf gehoord had, dat ééne zwakke vrouw zoo
kan snorken.
Wij reden zoo dikwijls zijwegen in en weder terug, hadden zooveel
tijd noodig voor het afladen van een ledikant aan een herberg en voor
allerlei boodschappen, dat ik erg vermoeid en blijde was, toen wij
eindelijk Yarmouth voor ons zagen liggen. Toen ik een blik wierp op de
kale vlakte aan de overzijde der rivier, kwam er eene gewaarwording
in mij op, alsof ik op eene reusachtige, natte spons keek en ik vroeg
mij zelven met verbazing af hoe in mijn aardrijkskundig leerboek kon
beweerd worden, dat de aarde rond was, terwijl er zulk een onafzienbare
vlakte voor mij lag. Ik bedacht mij echter, dat Yarmouth wel aan een
van de polen kon liggen waardoor het raadsel zou zijn opgelost.
Toen wij wat dichter bij kwamen en de eindelooze horizon voor ons
lag, maakte ik tegen Peggotty de opmerking dat een berg of zoo iets
het landschap wel eenigszins verfraaid zou hebben en ook dat, als de
afscheiding tusschen het land en de zee een weinig scherper was en de
stad en het water niet zoo dooreen gemengd waren, het geheel zeker
mooier zou zijn geweest.
Maar Peggotty zei met meer geestdrift dan ik van haar gewoon was dat
men de dingen moest nemen zooals ze waren en dat zij er trotsch op was
een Yarmouther bokking te zijn.
Toen wij de straat binnenreden—voor mij reeds eene vreemde
gewaarwording—en de visch, het pek en het teer roken en de zeelui
zagen rondwandelen en de karren over de steenen hoorden ratelen, voelde
ik dat ik het nijvere plaatsje onrecht had aangedaan; ik zei dit tegen
Peggotty, die zich oprecht verblijdde over mijne ingenomenheid en mij
vertelde dat Yarmouth bekend stond—vermoedelijk alleen bij hen, die
het geluk hadden tot de bokkingen te behooren—als een van de mooiste
plaatsjes van de geheele wereld.
„Daar is mijn beste Am!” gilde zij eensklaps. „Hij is zoo gegroeid dat
ik hem bijna niet zou herkennen.”
Inderdaad stond Ham ons bij de herberg op te wachten en alsof ik een
oude kennis van hem was, vroeg hij mij hoe ik het maakte. Ik kon niet
zeggen dat ik hem even goed kende als hij mij, want al was hij sedert
den nacht, waarin ik geboren was, niet meer bij ons geweest, hij had
toch iets op mij voor. De vriendschap was echter spoedig gesloten
toen hij mij op zijn rug naar huis bracht. Hij was een sterke, grof
gebouwde kerel van zes voet lang en naar evenredigheid breed, met
ronde schouders, doch met een dom, lachend, jongensachtig gezicht en
krullend licht haar, dat hem iets schaapachtigs gaf. Hij droeg een buis
van zeildoek en zulk een stijve broek, dat dit kleedingstuk ook zonder
beenen er in rechtop zou hebben blijven staan. Ook kon men niet zeggen
dat hij een hoed op had, maar dat hij evenals een oud gebouw met iets
gedekt was, dat erg naar teer rook.
Terwijl Ham mij en een klein koffertje droeg, dat ons toebehoorde,
en Peggotty een ander koffertje voor haar rekening had genomen,
gingen wij eenige straten door, bezaaid met houtspaanders en
kleine zandheuveltjes, en langs gasfabrieken, touwslagerijen,
scheepstimmerwerven, slooperswerven, teerstokerijen, smederijen en
een aantal kleinere werkplaatsen, totdat wij de vlakte naderden, die
ik reeds op grooten afstand had gezien. Eensklaps zei Ham:
„Daar ginds is ons huis, jongeheer Davy.”
Ik keek in alle richtingen, zoover als mijn oog reikte, over de zee,
over de rivier, maar geen spoor van een huis was te ontdekken. Wel
zag ik een zwarte schuit of een ander soort afgedankt vaartuig op
eenigen afstand hoog en droog op het strand liggen; er stak een ijzeren
kachelpijp bovenuit, die voor schoorsteen dienst deed en hard rookte,
maar overigens was er geen enkele menschelijke woning te zien.
„Dat is het toch niet?” vroeg ik. „Dat ding, dat zooveel op een schip
lijkt?”
„Dat is het, jongeheer Davy,” antwoordde Ham.
Al had ik het paleis van Sultan Aladdin voor mij gezien met den vogel
Rok op den koop toe, zou ik niet meer verrukt kunnen geweest zijn
over het romantische denkbeeld om daar te wonen. Aan den zijkant was
er op kunstige wijze een deur in gemaakt, het had een dak en kleine
raampjes; maar de grootste aantrekkelijkheid was dat het een wezenlijk
schip was, dat zonder twijfel honderden malen op de zee had gevaren,
en nooit bestemd was geweest om tot woning te dienen op het land. Dat
was voor mij de grootste aantrekkelijkheid. Indien het gebouwd was voor
het doel, waartoe het nu diende, zou ik het klein, ongezellig, eenzaam
hebben gevonden, maar nu het eene andere bestemming had gehad, was het
in mijn oog eene onverbeterlijke woning.
Van binnen zag alles er even keurig en zindelijk uit. Er was een
tafel, een Friesche klok, een latafel en op de latafel stond een
theeblad terwijl er een plaat boven hing, eene dame met een parasol
voorstellend, die eene wandeling deed met een kind, dat de uniform
droeg van een militair en met een hoepel speelde. Het theeblad werd
voor vallen behoed door een bijbel en ware het theeblad gevallen
dan zou het een aantal kopjes en schoteltjes, een theepot en een
suikerpot hebben meegesleept, die om den bijbel stonden. Aan den wand
hingen eenige leelijk gekleurde teekeningen van voorstellingen uit de
Heilige Schrift, alle in lijsten en achter glas; wanneer ik later deze
teekeningen in handen zag van prentenhandelaars, kwam mij altijd het
inwendige van de woning van Peggotty's broeder weder voor den geest.
Abraham in het rood, die een blauwen Izaäk ging offeren, en Daniël
in het geel voor groene leeuwen geworpen, vielen het eerst in het
oog. Boven den schoorsteenmantel hing een afbeeldsel van den logger
„de Sarah-Jane,” die te Sunderland was gebouwd; en daaronder stond
een werkelijke houten achtersteven van een schip, een meesterwerk van
houtsnijkunst in mijne oogen en een van de meest benijdenswaardige
bezittingen, die de wereld kon opleveren. In de balken, die de
zoldering droegen, waren eenige haken geslagen, waarvan ik het doel
niet terstond raden kon; in het rond stonden eenige kastjes, kisten
en dergelijke meubels, die tot zitplaatsen dienden en dus de stoelen
vervingen.
Dit alles had ik in een oogwenk gezien, nadat ik den drempel had
overschreden—met de opmerkingsgave, die volgens mijne bewering aan
kinderen eigen is—en toen opende Peggotty eene kleine deur en wees mij
mijne slaapkamer. Het was de volmaaktste en gezelligste slaapkamer,
die ik ooit gezien heb—in den achtersteven van het schip, met een
klein raampje, waar vroeger het roer doorheen was gegaan; een kleinen
spiegel, juist hoog genoeg voor mij aan den muur opgehangen, in eene
lijst van oesterschelpen; een klein bedje, waar men bijna niet kon
instappen zonder zijn hoofd te stooten, en een ruiker van zeewier
in een blauwe vaas op de tafel. De wanden waren krijtwit en de
schitterende kleuren van de lappendeken, die over het bed lag, deden
mij pijn aan de oogen. Eén ding vooral trof mij in deze eigenaardige
woning, namelijk de vischlucht, die zoo doordringend was dat, toen
ik mijne zakdoek aan mijn neus bracht, het vermoeden in mij opkwam
of men mij ook stilletjes een kreeft in den zak had gestopt. Toen ik
deze ontdekking in vertrouwen aan Peggotty meedeelde, vertelde zij
mij dat haar broeder handel dreef in kreeften, krabben en allerlei
andere schaaldieren en later vond ik ook eene geheele verzameling van
deze dieren, die alle aan elkander vastkleefden, omdat zij hetgeen zij
eenmaal vast hadden niet meer loslieten, in een hoek van een uitbouw,
waarin de potten en pannen bewaard werden.
Wij werden verwelkomd door eene vriendelijke vrouw met een witten
boezelaar; ik had haar reeds zien wuiven toen ik, op Ham's rug
zittende, nog een kwart mijl van de woning verwijderd was. Ook was daar
een heel mooi, klein meisje—ten minste daarvoor hield ik haar—met
een snoer van blauwe kralen om den hals; zij wilde zich niet laten
kussen toen ik aanstalten daartoe maakte, maar liep weg en verschuilde
zich ergens. Toen wij het middagmaal gebruikt hadden—gekookte bot met
gesmolten boter en aardappelen en een cotelet voor mij—kwam er een
man binnen, die erg harig was, maar een vriendelijk uiterlijk had.
Hij noemde Peggotty „meid” en gaf haar een klinkenden kus op de wang,
zoodat ik, wetende dat zij de zedigheid zelve was, niet twijfelde of
deze man was haar broeder; dit bleek juist te zijn, want hij werd
voorgesteld als baas Peggotty, de eigenaar van de woning.
„Het verheugt mij u te zien, jongeheer.” zei baas Peggotty. „Gij zult
ons misschien wat ruw vinden, maar daarom meenen wij het toch goed.”
Ik bedankte hem en antwoordde dat het mij zeker wel zou bevallen in
zulk eene prettige omgeving.
„Hoe maakt het uwe mama, jongeheer?” vroeg baas Peggotty. „Was zij wel,
toen gij op reis gingt?”
Ik zei dat zij zoo wel was als ik maar wenschen kon en dat zij de
complimenten verzocht had—dit laatste was een beleefd verzinsel van
mij.
„Gij moet haar wel bedanken,” antwoordde baas Peggotty. „Welnu,
jongeheer, als gij het met haar”—hij wees op Peggotty—„en Ham en de
kleine Emily een veertien dagen hier kunt uithouden, zullen wij wat
trotsch zijn op uw gezelschap.”
Na mij verwelkomd en op zulk een gastvrije wijze de eer van zijne
woning opgehouden te hebben, ging baas Peggotty naar buiten om zich te
wasschen in een pot vol warm water, waarbij hij de opmerking voegde,
dat hij zich met koud water niet schoon kon krijgen. Hij keerde weldra
erg opgeknapt terug, maar zoo rood, dat ik niet kon nalaten aan een
kreeft te denken, die zwart in het kokende water gaat en er rood weder
uitkomt.
Na de thee, toen de deur en alle vensters en luikjes gesloten
waren—de avonden begonnen koud en mistig te worden—scheen het mij
de heerlijkste verblijfplaats, die men zich zou kunnen wenschen.
Te luisteren naar den wind, die langzamerhand uit de zee opkwam,
te weten dat daar buiten de eentonige vlakte in een dikke mist was
gehuld, naar het vuur te kijken en te denken dat er geen enkele
woning in de nabijheid en dat deze ééne een schuit was.... zie, dat
was verrukkelijk! De kleine Emily had hare schuwheid overwonnen en
zat naast mij op het laagste en kleinste bankje, dat juist groot
genoeg was voor ons beiden en juist in het hoekje van den schoorsteen
paste. Juffrouw Peggotty met den witten boezelaar zat aan den
tegenovergestelden kant te breien en Peggotty zat daar met haar
naaiwerk en haar doos met de Sint-Paul en het stukje waskaars zoo op
haar gemak bij, alsof zij hier nooit weg was geweest. Ham, die mij
mijne eerste les in het edele kaartspel gegeven had, stond zich zelven
uit een spel vuile kaarten waar te zeggen en maakte met zijn duim op
elke kaart een afdruk, die sterk naar visch riekte. Baas Peggotty
rookte een pijp en ik voelde dat het oogenblik gekomen was om een
gesprek te beginnen.
„Baas Peggotty!” zei ik.
„Wel, jongeheer?”
„Hebt gij uw zoon Ham genoemd, omdat gij in een soort ark woont?”
Baas Peggotty scheen dit eene diepzinnige vraag te vinden en antwoordde:
„Neen, jongeheer; ik heb hem in het geheel geen naam gegeven.”
„Wie gaf hem dan een naam?” vroeg ik op een toon alsof ik baas Peggotty
zijn cathechismus overhoorde.
„Zijn vader, jongeheer,” zei baas Peggotty.
„Ik meende dat gij zijn vader waart!”
„Neen; mijn broeder Joe was zijn vader,” zei baas Peggotty.
„Dood, baas Peggotty?” vroeg ik na eene kleine pauze op fluisterenden
toon.
„Verdronken,” zei baas Peggotty.
Ik was ten hoogste verbaasd dat baas Peggotty Ham's vader niet was
en begon te denken, dat ik mij ook wel eens kon vergist hebben in de
voorstelling, die ik mij gemaakt had van zijne verhouding tot alle
andere huisgenooten. Ik was zoo nieuwsgierig geworden dat ik moed vatte
om baas Peggotty uit te hooren.
„Is de kleine Emily een dochtertje van u, baas Peggotty?” vroeg ik met
een blik op mijn buurmeisje.
„Neen, jongeheer. Mijn schoonbroeder, Tom, was haar vader.”
Ik kon het niet helpen. „Dood, baas Peggotty?” fluisterde ik weder.
„Verdronken,” antwoordde baas Peggotty.
Ik voelde hoe moeilijk het was dit onderwerp verder uit te spinnen,
maar wilde toch geheel op de hoogte er van zijn; dus vroeg ik:
„Hebt gij geen kinderen, baas Peggotty?”
„Neen, jongeheer,” antwoordde hij met een glimlach. „Ik ben nooit
getrouwd geweest.”
„Nooit getrouwd geweest!” riep ik verbaasd. „En wie is dat dan, baas
Peggotty?” Ik wees daarbij op de breiende juffrouw met den boezelaar.
„Dat is juffrouw Gummidge,” zei baas Peggotty.
„Gummidge....?”
Op dit oogenblik gaf Peggotty—ik bedoel mijn eigen Peggotty—mij zulke
welsprekende wenken om niet verder te vragen, dat ik niets kon doen dan
stil zitten kijken naar het zwijgende gezelschap tot het tijd was om
naar bed te gaan. Toen Peggotty later met mij alleen was, vertelde zij
mij dat Ham en Emily een neef en een nichtje waren, die mijn gastheer,
toen zij wees waren geworden, tot zich genomen had en dat juffrouw
Gummidge de weduwe was van den medeeigenaar van de schuit en in zeer
behoeftige omstandigheden was achtergelaten. „Mijn broeder is zelf ook
wel arm,” voegde Peggotty er bij, „maar zoo goed als goud en zoo trouw
als staal”—dit waren hare geliefkoosde vergelijkingen. Het eenige,
waarover hij zich ooit driftig maakte of zich een vloek liet ontvallen,
was over zijn eigen edelmoedigheid en wanneer er ooit door een van
allen over gesproken werd, dan sloeg hij met de rechterhand op de tafel
en zwoer bij hoog en laag dat hij „gekielhaald” mocht worden, als hij
niet voor altijd wegliep, wanneer er weder over gesproken werd. Hoewel
ik niet wist wat eigenlijk „kielhalen” beduidde, begreep ik toch, dat
het iets verschrikkelijks zijn moest.
De edelmoedigheid van mijn gastheer had mij diep getroffen en nog onder
den indruk daarvan en van al de gewaarwordingen van dien dag viel ik in
slaap, na nog gehoord te hebben dat het vrouwelijk personeel aan den
anderen kant van de boot op een dergelijk kamertje als het mijne haar
bed opzocht en baas Peggotty en Ham twee hangmatten voor zich zelve
ophingen aan de haken, die mijne nieuwsgierigheid hadden opgewekt. Ik
hoorde nog hoe de wind langs de schuit en over de vlakte huilde en
gedurende een oogenblik kwam de vrees in mij op, dat de zee des nachts
het land wel eens zou kunnen overstroomen. Ik bedacht echter dat wij
dan toch in een boot waren en dat het in zulk een geval een geluk mocht
heeten een man als baas Peggotty aan boord te hebben.
Er gebeurde echter niets ergers dan dat het weder morgen werd. Bijna
onmiddellijk nadat de lijst van oesterschelpen om mijn spiegel verlicht
werd, was ik uit mijn bed en met de kleine Emily aan het steentjes
zoeken op het strand.
„Gij zult zeker ook al goed kunnen varen?” vroeg ik aan Emily. Ik
weet niet of ik het zelf geloofde, maar ik vond het beleefd iets te
zeggen van dien aard; bovendien werd op dit oogenblik in hare mooie,
schitterende oogen een zeil weerkaatst, dat in onze nabijheid was,
zoodat deze vraag plotseling in mij opkwam.
„Neen,” antwoordde Emily, haar hoofdje schuddend, „ik ben bang voor de
zee.”
„Bang!” riep ik, op het punt om stoutmoedig te worden en met een
trotschen blik naar den oceaan. „Ik ben niet bang!”
„O, de zee is zoo wreed,” zei Emily. „Ik heb gezien hoe wreed de zee
kan zijn voor sommigen. Ik heb de zee een schuit in stukken zien slaan,
zoo groot als ons huis.”
„Ik hoop toch dat het de schuit niet was, waarmede....”
.... „Mijn vader verongelukt is?” zei Emily. „Neen. Die was het niet;
ik heb die nooit gezien.”
„Maar uw vader toch wel?” vroeg ik.
De kleine Emily schudde het hoofd. „Ik kan er mij niets van herinneren.”
Dat was een punt van overeenkomst in ons leven. Ik begon onmiddellijk
te vertellen dat ik mijn eigen vader ook nooit gezien had en dat mijne
moeder en ik altijd zoo heel gelukkig samen waren geweest en hoopten
altijd zoo gelukkig te zullen blijven; dat het graf van mijn vader op
het kerkhof was dicht bij ons huis, dat er een groote boom bij stond en
dat ik daar dikwijls des morgens de vogels hoorde zingen. Toch was er
naar het bleek een groot verschil in Emily's leven en het mijne. Zij
had hare moeder nog vóór haar vader verloren en waar het graf van haar
vader was wist niemand—hij lag ergens op den bodem van de zee.
„Buitendien,” zei Emily, schelpen en steentjes zoekende, „uw vader was
een heer en uwe moeder is eene dame en mijn vader was een visscher en
mijne moeder was de dochter van een visscher en mijn oom Dan is ook een
visscher.”
„Is uw oom Dan dezelfde als baas Peggotty?” vroeg ik.
„Oom Dan.... ginds!” antwoordde Emily en wees naar ons huis.
„Ja, ik bedoel _hem_. Hij moet erg goed zijn.... ten minste, dat denk
ik zoo.”
„Goed?” zei Emily. „Als ik ooit eene dame word, geef ik hem een
hemelsblauw buis met diamanten knoopen, een nanking broek, een rood
fluweelen vest, een hoed met goud, een groot gouden horloge, een
zilveren pijp en een beurs met geld.”
Ik antwoordde dat baas Peggotty al die schatten zeker wel verdiende,
maar ik moet bekennen, dat het mij wel eenigszins moeielijk viel
mij voor te stellen, dat baas Peggotty zich erg op zijn gemak zou
gevoelen in de kleedij, die zijn dankbare, kleine nichtje voor hem had
uitverkoren, vooral wat betrof den gegaloneerden hoed; maar ik hield
deze opmerking maar voor mij zelven alleen.
De kleine Emily had het schelpen zoeken gestaakt en keek bij de
opsomming van al deze heerlijkheden naar den hemel, alsof zij daar een
visioen zag, waarin dat alles eenmaal werkelijkheid zou zijn. Daarna
gingen wij voort met onze onschuldige bezigheid.
„Zoudt gij wel eene dame willen zijn?” vroeg ik.
Emily keek mij aan en lachte en knikte „ja.”
„Heel gaarne,” zeide zij. „Dan zouden wij allen te zamen heeren en
dames zijn. Ik en Oom en Ham en juffrouw Gummidge. Dan zou het ons
weinig kunnen schelen of er stormweer in aantocht was. Ik bedoel: voor
ons zelven. Maar voor de arme visschers zouden wij heel goed zijn en
wij zouden hun geld geven wanneer er weder een ongeluk plaats had.”
Deze wensch kwam mij zeer billijk en daarom de vervulling niet al te
onwaarschijnlijk voor. Ik verdiepte mij gaarne met haar in zulk eene
schoone toekomst en kleine Emily was ondeugend genoeg om te zeggen,
hoewel schuchter:
„Meent ge nu nog dat gij niet bang zijt voor de zee?”
De zee was kalm genoeg om mij gerust te stellen, maar ik zou zonder
twijfel het hazenpad gekozen hebben, indien ik een eenigszins hooge
golf had zien aanrollen, zoo angstig had mij het verhaal van al hare
verdronken bloedverwanten gemaakt. Toch zei ik „neen” en voegde er bij:
„Gij schijnt er ook niet bang voor te zijn, al zegt gij het”; zij liep
op dit oogenblik veel te dicht langs den kant van een uitstek of houten
steiger, waarop wij gespeeld hadden en ik was bang dat zij er af zou
vallen.
„Voor mij zelve ben ik niet bang,” zei kleine Emily, „maar wanneer de
storm des nachts zoo hevig loeit, kan ik niet slapen uit angst voor
oom Dan en Ham en meen ik hen om hulp te hooren roepen. Daarom zou ik
ook zoo gaarne een dame willen zijn. Maar voor mij zelve ben ik niet
bang.... niets; kijk maar!”
Zij snelde vooruit, langs een balk, die boven het water uitstak en
geen enkel houvast aanbood. Dit voorval heeft zulk een indruk op
mij gemaakt, dat, ware ik een teekenaar, ik het nu nog zou kunnen
weergeven, juist zooals het plaats had; de kleine Emily, in haar
verderf loopende—zooals mij toen voorkwam—met den blik op de zee
gevestigd. Nimmer zal dat beeld uit mijn geheugen verdwijnen.
De kleine, lichte, vermetele gedaante kwam heelhuids bij mij terug en
weldra lachte ik om mijn angst en om den kreet, dien ik had geuit;
vruchteloos in elk geval, want er was niemand in de nabijheid. Op
lateren leeftijd heb ik dikwerf gedacht: zou het mogelijk zijn, dat
de plotselinge roekeloosheid van het kind en haar starende blik over
de eindelooze watervlakte het gevolg waren van eene geheimzinnige
aantrekkingskracht, die van haar overleden vader uitging? Heeft hij
haar dien dag tot zich gewenkt? Er zijn oogenblikken geweest in mijn
leven, waarin ik mij heb afgevraagd, of, indien haar lot mij op dat
oogenblik ware geopenbaard, zoodat een kind het begrijpen kon, en haar
behoud had afgehangen van eene enkele beweging mijner hand, ik de
hand zou hebben mogen uitstrekken om haar te redden. Er is een tijd
geweest—ik zeg niet dat die tijd lang heeft geduurd, maar hij is er
geweest—dat ik mij zelven heb afgevraagd of het niet beter geweest
ware, als ik de kleine Emily dien morgen voor mijne oogen had zien
verdrinken, en dat ik moest antwoorden: „Ja....”
Maar ik loop mijne geschiedenis vooruit. Ik schreef dit te spoedig,
doch laat het nu maar staan.
Wij speelden langen tijd te zamen en stopten onze zakken vol met
allerlei dingen, die in onze oogen zeldzaam waren, en brachten eenige
zeesterren, die op het droge verdwaald waren, zoo voorzichtig mogelijk
in het water terug—ik ben zelfs nu nog niet genoeg vertrouwd met de
gewoonten van deze dieren, om te weten of ze ons daarvoor dankbaar
moesten zijn of niet—en daarna gingen wij naar huis terug. Wij bleven
een oogenblik achter den uitbouw staan en wisselden een onschuldigen
kus, waarna wij blakend van gezondheid en levenslust op het ontbijt
aanvielen.
„Precies twee jonge lijsters,” zei baas Peggotty, welk gezegde ik als
een compliment opvatte.
Natuurlijk was ik verliefd op Emily. Ik ben overtuigd, dat ik het kind
even oprecht, even teeder, doch reiner en onzelfzuchtiger liefhad dan
eene liefde op lateren leeftijd, hoe rein en edel ook, zijn kan. In
mijne verbeelding was het lieve kind met hare mooie, blauwe oogjes een
klein hemelsch wezentje, een engeltje en had zij op een zonnigen morgen
plotseling een paar vleugeltjes uitgespreid om voor mijne oogen weg te
vliegen, dan zou mij dat volstrekt niet verbaasd hebben. Ik verwachtte
eigenlijk niet anders.
Uren achtereen wandelden wij in die dagen te zamen over de eentonige
vlakte bij Yarmouth. De dagen vlogen voorbij. Ik vertelde Emily dat
ik haar aanbad en dat, zoo zij mij dezelfde bekentenis niet deed, ik
genoodzaakt zou zijn mij met een sabel dood te steken. Zij bekende mij
echter dat zij mij ook lief had; en ik ben overtuigd dat zij het deed.
Bezwaren over verschil in opvoeding en stand of over onzen jeugdigen
leeftijd hadden wij niet; wij dachten immers niet verder dan aan het
heden. Het woord toekomst kenden wij zelfs niet. Wij dachten evenmin
aan ouder worden als aan jonger worden. Peggotty en juffrouw Gummidge
waren in ééne bewondering van ons en als wij des avonds kinderlijk
verliefd naast elkander op het kleine bankje zaten, fluisterden zij
meer dan eens: „Hemel, hoe lief!” Baas Peggotty zat, met een glimlach
op zijn gelaat, over zijne pijp heen naar ons te kijken en Ham
grinnikte den geheelen avond—anders deed hij niets. Ik vermoed dat
zij met evenveel genoegen naar ons keken als zij naar een mooi stuk
speelgoed of naar een miniatuur-afbeeldsel van het Colosseum zouden
gekeken hebben.
Spoedig kwam ik tot de ontdekking dat juffrouw Gummidge niet altijd
zulk een lief humeur had, als zij, de omstandigheden en hare verhouding
tot baas Peggotty in aanmerking genomen, wel had mogen hebben. Juffrouw
Gummidge kon zelfs bijzonder kwade buien hebben en schreide veel meer
dan in zulk een bekrompen verblijf voor de andere bewoners wenschelijk
was. Ik had veel medelijden met haar, maar er waren oogenblikken,
waarin ik dacht dat het aangenamer zou geweest zijn, indien juffrouw
Gummidge een lief kamertje voor zich alleen had gehad en daar was
gebleven tot de bui over was.
Baas Peggotty ging nu en dan naar een herberg „Het Dorstige Hart”
genaamd. Ik ontdekte dit, toen hij den derden of vierden avond van mijn
verblijf in Yarmouth uit was, aan de wijze waarop juffrouw Gummidge
telkens naar de ouderwetsche klok keek en aan haar gezegde dat hij
daarheen was en dat, wat meer zeide, zij 's morgens reeds geweten had
dat hij er heen zou gaan. Juffrouw Gummidge was den geheelen dag uit
haar humeur geweest en in den voormiddag, toen het vuur rookte, in
tranen uitgebarsten. „Ik ben een ellendig, ongelukkig schepsel,” had
zij gezegd, toen die onaangename gebeurtenis voorviel, „alles loopt mij
altijd tegen.”
„O, het zal wel spoedig ophouden,” zei Peggotty—ik bedoel weder _onze_
Peggotty—„en bovendien, het is voor ons toch even onaangenaam als voor
u.”
„Ik voel het veel erger,” zei juffrouw Gummidge.
Het was een bijzonder koude dag; de wind blies scherp over de vlakte.
Juffrouw Gummidge's hoekje aan den haard scheen mij het warmste en
gezelligste plekje toe uit het geheele vertrek, evenals haar stoel de
zachtste en gemakkelijkste zitplaats was; maar dien dag was zij met
niets tevreden. Zij klaagde voortdurend over de koude en beweerde dat
deze haar een ongemak in den rug zou bezorgen, „de kruipziekte”, zooals
zij het noemde. Eindelijk begon zij ook daarover weder te schreien en
beweerde zij nogmaals, dat zij een ellendig en ongelukkig schepsel was
en dat alles haar altijd tegenliep!
„Ja,” zei Peggotty, „het is zeker erg koud; iedereen moet dat wel
voelen.”
„Ik voel het erger dan iemand anders,” antwoordde juffrouw Gummidge.
Zoo ook bij het middagmaal. Juffrouw Gummidge werd altijd onmiddellijk
na mij bediend, aan wien de voorrang werd gegeven als een gast van
aanzien. De visch was klein en graterig en de aardappelen waren
aangebrand. Wij vonden dit allen minder aangenaam, maar juffrouw
Gummidge zeide, dat zij het erger voelde dan wij en begon opnieuw te
schreien en gaf met nog grooter bitterheid de oude verklaring van zich
zelve.
Het gevolg was dat, toen baas Peggotty te ongeveer negen uur thuis
kwam, juffrouw Gummidge dood ongelukkig, met de wanhoop op het gelaat
in haar hoekje zat te breien. Peggotty daarentegen was zeer opgeruimd
en zat eveneens te werken. Ham had een paar groote waterlaarzen zitten
oplappen en ik had, met de kleine Emily naast mij, voorgelezen.
Juffrouw Gummidge had geen enkel teeken van leven gegeven dan nu en dan
een diepen zucht en sinds de thee geen enkele maal de oogen opgeslagen.
„Wel, maatjes,” zei baas Peggotty, terwijl hij op zijne gewone plaats
ging zitten, „hoe gaat het er mee?”
Allen zeiden een enkel woord om hem te verwelkomen of wierpen hem een
vriendelijken blik toe, behalve juffrouw Gummidge, die hoofdschuddend
doorbreide.
„Wat scheelt er aan?” vroeg baas Peggotty, in de handen klappend. „Moed
gevat, oudje!”
Juffrouw Gummidge scheen niet in staat om moed te vatten. Zij haalde
een ouden, zwart zijden zakdoek te voorschijn en veegde daarmede hare
oogen af, maar in plaats van den zakdoek in haar zak te steken, hield
zij dien in de hand, veegde nogmaals hare oogen af en hield den doek in
de hand gereed.
„Wat scheelt er aan, moedertje?” vroeg baas Peggotty.
„Niets,” antwoordde juffrouw Gummidge. „Gij komt uit ‚Het Dorstige
Hart’, Dan?”
„Wel ja, ik heb van avond wat zitten praten in ‚Het Dorstige Hart’,”
antwoordde baas Peggotty.
„Het spijt mij dat ik u daarheen jaag,” zei juffrouw Gummidge.
„Jagen! Ik behoef volstrekt niet gejaagd te worden,” hernam baas
Peggotty, vriendelijk lachend. „Ik ga er maar al te gaarne heen.”
„Zeer gaarne,” zei juffrouw Gummidge, haar hoofd schuddende en hare
oogen afvegend. „Ja, ja, zeer gaarne. Het spijt mij, dat gij er om mij
zoo gaarne heengaat.”
„Om u? Ik ga er niet heen om u!” riep baas Peggotty. „Geloof daar toch
niets van!”
„Ja, ja, het is wel waar,” hernam juffrouw Gummidge. „Ik weet wat ik
ben. Ik weet, dat ik een ellendig, ongelukkig schepsel ben en dat alles
mij tegenloopt en ik iedereen tot last ben. Ja, ja, ik voel alles veel
erger dan andere menschen en ik toon het meer. Dat is juist mijne
rampzaligheid.”
Terwijl ik daar zat, kon ik niet nalaten te denken, dat de
rampzaligheid zich behalve tot juffrouw Gummidge ook tot de andere
leden van de familie uitstrekte; maar baas Peggotty zei niets van dien
aard; hij antwoordde slechts met eene vernieuwde uitnoodiging aan
juffrouw Gummidge om moed te vatten.
„Ik ben niet wat ik zou kunnen zijn,” hernam juffrouw Gummidge. „Dat is
er ver vandaan. Ik weet wat ik ben. Mijn verdriet maakt dat ik iedereen
tot last ben. Ik voel mijn verdriet zoo, daarom ben ik iedereen tot
last. Ik wilde dat ik het niet zoo voelde, maar ik doe het. Ik wilde
dat ik er mij tegen verzetten kon, maar dat kan ik niet. Ik ben een
lastpost in huis en dat verbaast mij niet. Ik ben uwe zuster altijd tot
last geweest en den jongeheer David...”
Ik voelde mij plotseling zoo getroffen dat ik uitriep: „Neen, juffrouw
Gummidge, dat zijt gij niet!” Ik was hevig ontroerd.
„Het is heel slecht van mij, dat ik het doe,” vervolgde juffrouw
Gummidge. „Het is zeer ondankbaar van mij. Ik deed beter naar het
werkhuis te gaan en daar te sterven. Ik ben een ellendig, ongelukkig
schepsel en deed veel beter hier niemand meer tot last te zijn. Als
alles mij toch tegen loopt en ik ook mij zelve tot last ben, laat ik
dan een lastpost zijn in mijn eigen kerspel, Dan! Ik moest liever naar
het werkhuis gaan en daar sterven... dan waart gij mij kwijt.”
Na deze woorden ging juffrouw Gummidge naar haar eigen kamer en naar
bed. Toen zij weg was, keek baas Peggotty, op wiens gelaat slechts
medelijden te lezen was geweest en nog was, ons allen een voor een aan
en zei hoofdschuddend: „Zij heeft weer aan den oude zitten denken.”
Ik begreep niet goed welken oude baas Peggotty bedoelde, maar toen
Peggotty mij naar bed bracht, legde zij mij uit dat het baas Gummidge
was; „mijn broeder is overtuigd,” voegde zij er bij, „dat juffrouw
Gummidge bij zulke gelegenheden altijd aan haar overleden echtgenoot
denkt en dit ontroert hem telkens weder.” Eenige oogenblikken nadat
baas Peggotty zijn hangmat had opgezocht, hoorde ik hem ook tegen Ham
zeggen: „Arm schepsel! Zij heeft weder aan den oude zitten denken!”
En telkens als juffrouw Gummidge gedurende ons verblijf zulk eene bui
had—dit gebeurde nog eenige malen—zei hij altijd hetzelfde tot hare
verontschuldiging en altijd op een toon, die zijn innig medelijden
verried.
Zoo gingen de veertien dagen voorbij, door niets afgewisseld dan
door het getij, dat verandering bracht in baas Peggotty's uitgaan en
thuiskomst en ook in Ham's bezigheden. Wanneer Ham niets te doen had,
wandelde hij met ons en liet hij ons de schepen en de schuiten zien en
eens nam hij ons zelfs mede in zijne roeiboot. Ik weet niet, waarom
sommige indrukken, somtijds van de onbeduidendste zaken, meer dan
andere aan eene plaats verbonden blijven, hoewel ik meen, dat zulks ten
opzichte van herinneringen uit de kinderjaren met alle menschen het
geval is. Ik hoor of lees den naam Yarmouth nooit of ik word herinnerd
aan zekeren Zondagmorgen op het strand en hoor de kerkklok luiden en
voel de kleine Emily tegen mijn schouder leunen en zie Ham peinzend
steentjes in het water werpen en de zon boven de zee door de dikke
mist heenbreken en de schepen in de verte, als schimmen van zich zelve.
Eindelijk naderde de dag van vertrek. Ik hield mij ferm bij het
afscheid van baas Peggotty en Ham en juffrouw Gummidge, maar dat ik
ook de kleine Emily verlaten moest, maakte mij bijna wanhopig. Arm
in arm wandelden wij naar de herberg waar de voerman stalde en onder
weg beloofde ik haar te zullen schrijven.—Later heb ik deze belofte
vervuld in letters zoo groot als die, waarin gewoonlijk huizen of
kamers te huur worden aangeboden.—Bij het afscheid waren wij beiden
bijna niet tot bedaren te brengen en indien ik ooit eene ledige plaats
in mijn hart heb gevoeld, was het op dezen dag.
Gedurende den geheelen tijd, dien ik te Yarmouth had doorgebracht, was
ik hoogst ondankbaar geweest jegens mijn ouderlijk huis en had ik er
bijna in het geheel niet aan gedacht. Nauwelijks was ik echter op de
terugreis of mijn geweten begon te spreken en scheen met dreigenden
vinger daarheen te wijzen; juist omdat ik zoo verdrietig was, voelde
ik dat ik daar thuis behoorde en dat mijne moeder mijne troosteres en
mijne vriendin zou zijn. Naarmate wij verder kwamen, nam dit gevoel
toe in kracht; zoodat ik, hoe dichter wij ons huis naderden en hoe
bekender alle voorwerpen mij toeschenen, hoe langer hoe meer verlangde
bij haar te zijn en mij in hare armen te werpen. Maar in plaats van dit
gevoel aan te wakkeren, deed Peggotty haar best—zij het dan ook op
vriendelijken toon—om mij tot kalmte aan te manen en zelve keek zij
verlegen en verdrietig rond.
Blunderstone's Kraaiennest zou echter, haar ten spijt, in het gezicht
komen, wanneer het paard het ten minste verkoos—en dit deed het. Hoe
goed herinner ik mij dien kouden, grauwen namiddag met die betrokken
lucht en dien voortdurenden motregen! De deur werd geopend en half
lachend, half schreiend van zenuwachtige aandoening zocht ik mijne
moeder. Zij had echter de deur niet geopend—ik zag niets dan eene
vreemde dienstmeid.
„Hoe is het nu, Peggotty,” sprak ik teleurgesteld, „is zij niet
teruggekomen?”
„Ja, zeker, jongeheer David,” antwoordde Peggotty. „Zij is thuis
gekomen. Wacht een oogenblik, jongeheer David, dan zal ik.... dan zal
ik u iets vertellen.”
Tengevolge van hare zenuwachtigheid en haar aangeboren onhandigheid
nam Peggotty, bij het verlaten van de kar, de zonderlingste houdingen
aan, maar ik was te moedeloos om er haar opmerkzaam op te maken. Toen
zij op den weg stond, nam zij mij bij de hand, bracht mij tot mijne
onbeschrijfelijke verbazing in de keuken en sloot de deur.
„Peggotty!” vroeg ik angstig, „wat is er gebeurd?”
„Niets van belang, mijn beste jongeheer David,” antwoordde zij, haar
best doende om opgeruimd te kijken.
„Er moet iets gebeurd zijn; dat weet ik zeker. Waar is mama?”
„Waar uwe mama is, jongeheer David?” herhaalde Peggotty.
„Ja, waarom is zij niet aan het hek gekomen en waarom zijn wij hier
heengegaan? O, Peggotty!” Mijne oogen schoten vol tranen en ik voelde
dat ik deze onzekerheid niet lang zou verduren.
„God zegene den lieven jongen!” riep Peggotty, mij tot zich trekkende.
„Wat is er? Spreek toch, mijn lieveling.”
„Zij is immers niet dood, Peggotty?”
Peggotty riep, „Neen!” met eene verbazend harde stem, daarna ging zij
zitten en begon te hijgen en te zuchten en zei dat ik haar een schrik
op het lijf had gejaagd.
Ik omhelsde haar, ten einde den schrik van haar af te nemen en ging
toen voor haar staan en keek haar angstig vragend aan.
„Zie, beste jongen, ik had het u al eerder moeten vertellen,”
begon zij, „maar ik had daarvoor geen gelegenheid. Ik had er eene
gelegenheid voor moeten zoeken maar ik kon er eigenlijk niet goed toe
besluiten—vergeef het mij.”
„Ga voort, Peggotty,” zei ik nog angstiger dan te voren.
„Jongeheer David,” vervolgde zij, haar hoed losmakend en sprekende
alsof zij geheel buiten adem was, „wat zegt gij daar nu wel van?....
Gij hebt weer een papa gekregen!”
Ik begon te beven en werd zoo wit als een doek. Iets—ik weet zelf niet
wat of hoe—iets dat in verband stond met het kerkhof en de opstanding
uit den dood scheen langs mij heen te strijken als een tochtwind.
„Een nieuwe,” zei Peggotty.
„Een nieuwe?” herhaalde ik.
Peggotty maakte eene beweging alsof zij een zeer hard stuk inslikte en
zeide, mij bij den arm nemende: „Kom, ga mede, dan zult gij hem zien.”
„Maar ik wil hem niet zien.”
.... „en uwe mama ook,” vervolgde Peggotty.
Ik verzette mij niet langer en wij gingen rechtstreeks naar de mooie
kamer, waar Peggotty mij alleen liet. Aan de eene zijde van den haard
zat mijne moeder, aan de andere.... mijnheer Murdstone. Mijne moeder
legde haar werk neer en stond haastig, doch, naar het mij voorkwam, met
iets schroomvalligs in hare houding, op.
„Nu, Clara, lieve,” zei mijnheer Murdstone. „Herinner u wat wij
afgesproken hebben. Bedwing u zelve, bedwing u zelve altijd. Dag,
David, hoe gaat het u?”
Ik gaf hem eene hand en na een oogenblik geaarzeld te hebben, ging
ik naar mijne moeder en kuste haar; zij kuste mij ook en klopte mij
vriendelijk op den schouder en.... ging weder aan haar werk. Ik kon
haar niet aanzien, ik kon ook hem niet aanzien, ik wist zeer goed dat
hij ons beiden aankeek; ik keerde mij daarom naar het venster en keek
naar buiten, naar eenige heesters, die in de koude het hoofd lieten
hangen.
Zoodra ik kon wegsluipen, kroop ik de trap op. Mijne oude,
vriendelijke slaapkamer was geheel veranderd en ik was verhuisd naar
de andere zijde van het huis. Ik ging weder naar beneden om iets te
vinden dat hetzelfde was gebleven, zoo scheen alles veranderd, en kwam
op de plaats. Maar ik nam al heel spoedig de vlucht want het hondenhok
was bewoond door een grooten hond—met een zware stem en zwart haar,
evenals _hij_—die boos werd toen hij mij zag en uit zijn hok sprong om
mij te bijten.