HET BEEKJEN.

Gij, beekjen! welt met zacht geluid

Onopgemerkt uw woudbron uit;

Gij vormt een kleinen waterval,

Terwijl gij nederspringt in 't dal;

Dan effent gij uw golfjens weêr,

En zoekt de schaduw als weleer.

Hoe dikwerf, in mijn jonge jeugd,

Hebt gij mijn speelziek hart verheugd!

Als dan de lente, lang verwacht,

Verscheen in de eerste bloemenpracht,

Als 't gras, fluweelig uitgespreid,

Doorvloeid was van welriekendheid:

Dan vlood de knaap de doffe kluis,

En voelde eerst aan uw zoom zich thuis!

Dáar hoorde hij den kwartel slaan,

Dáar lachte hem 't viooltjen aan,

Zoo jong en frisch, zoo frisch en blijd,

Als gij, mijn beekjen! zelve zijt.

En toen ik opwies en de dorst

Naar glorie tintelde in mijn borst,

Beproefde ik bij uw stillen vliet

In de eenzaamheid mijn eerste Lied!

Het leven schitterde, als de dag,

Die duizendkleurig voor mij lag;

Ik droomde van mijn vleugelros,

En schreef--'k herdenk het met een blos--

Mijn naam met zooveel fierheid neêr,

Als blonk hij reeds van eeuwige eer!

Gij, beekjen! kent geen ouderdom;

Uw hooge ahornen staan rondsom

Wel groen en krachtig nog te prijk,

Maar achtbren grijsaards nu gelijk.

Zij leeren mij maar al te goed,

Hoe snel de tijd is weggespoed,

Sints ik, niet zonder huivering,

Voor 't eerst mij neêrzette in hun kring.

Maar gij, mijn beekjen! vloeit maar toe,

En wordt des rennens nimmer moê.

Nog altijd huppelt ongestoord

Uw golfjen over keizels voort.

Gij volgt uw eigen klokslag, gij!

En kent geen jaren zoo als wij.

Welluidend ruischt uw zacht geplasch,

Als toen ik nog een knaapjen was.

Nog zijt gij blank als kristallijn;

Nog vonkelt ge in den zonneschijn;

Nog tooit uw oeverriet zijn pluim

Met vlokken van uw zilverschuim;

Nog siert u, even teêr en blauw,

't Viooltjen in den morgendauw;

Nog dobbert ginder, groen en versch,

Schier wortelloos, de waterkers;

En vroolijk kweelt de vooglenschaar,

Nog even als voor twintig jaar!

Gij, beekjen! zijt dezelfde steeds;

Maar ik--ach, hoe veranderd reeds!

Gij ziet het knaapjen van weleer

Nu als een man, een vreemdling, weêr.

Aanschouw mijn trekken! gij hervindt

Geen enklen zweem van 't zorgloos kind,

Dat eenmaal dartelde aan uw zoom.

Vervlogen is der jonkheid droom,

Dien 't hart uit gouden draden spon,

Te schoon dan dat hij duren kon.

'k Heb de echte waereld nu bespied,

Maar die ik droomde, ging te niet.

Een bleef getrouw tot op dit uur,

Al heur beloften hield--Natuur!

Want immer schittert voor mijn oog

Het groene veld, de blauwe boog,

Zoo jong, zoo vol van heerlijkheên,

Als eer mijn eigen lent verdween!

Nog weinig jaren en daar treedt,

Gebukt, vergrijsd in lief en leed,

Uw speelnoot aan met wanklen voet,

Mijn beekje'! en--brengt u d' afscheidsgroet.

Mijn doffe blik zal dan misschien

Uw glinstring door een nevel zien,

En mooglijk dringt dan tot mijn oor

Uw vroolijk murmlen niet meer door.

Dan sterf ik--Maar onaangedaan

Ziet gij des waerelds wissling aan.

Een nieuw en jong geslacht verschijnt,

Groeit op, veroudert en--verdwijnt.

Maar schoon ook jaar aan jaar ontvliedt,

Gij speelt uw spel en zingt uw lied,

Gij kust de rozen aan uw zoom,

En droomt altijd uw jonkheidsdroom.

Soms wel--wie weet het?--fluistert gij:

"Wat gaat de Mensch toch ras voorbij!"

Poëzy Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate · 第 142 / 144 题