Toch leeft altijd de oneindige woestijn.
Wie zal haar duizenden bij namen noemen?
Insekten, die, niet minder dan de bloemen,
Met licht en kleuren overgoten zijn;
En vogels, die ter nauwernood nog weten
Wat vrees voor menschen is; een slanggebroed,
Voortschuivend als een dichtgeschubde keten,
Afgrijslijk schoon, in goud en purpergloed!
De ranke hinde is schuw naar 't woud gevlogen;
Ginds briescht het paard, nog maagd van toom en trens;
De bij, veel stouter planter dan de mensch,
Met wien zij uit het Oost is meêgetogen,
Doorgonst op vliezen vlerkjens wijd en zijd
De zonnige _savanne_ en zoekt heur woning:
Een eik, als in den gouden fabeltijd,
Bergt in zijn hollen stam haar schat van honing.
Ik luister lang naar 't welbekend geluid:
't Is of ik reeds de scharen aan zie zweven,
Die de eenzaamheid bezielen met nieuw leven.
Hoort! dartelende kinderen schaatren 't uit!
Daar ruischen meisjensstemmen! Tonen galmen,
Als noodde een sabbatsklok tot bede en psalmen!
Ik zie de lammren door de klaver gaan;
Het schelletjen der hamels doet zich hooren;
De boogert kraakt; welluidend ruischt het koren....
Daar waait op eens een frissche wind mij aan,
Mij wekkend uit mijn liefelijken waan--
En 'k sta weêr eenzaam in de wildernis verloren!