Gij, beurtlings zacht en teêr, of vol van majesteit,
Natuur! wat zijt gij schoon in uw verscheidenheid!
_Nu_ streelt gij 't juichend hart door hemelzoete ontroering,
_Dan_ heft gij 't naar omhoog in stoute geestvervoering,
Of slaat het met den schrik des Heeren!--Gij betreedt
De frissche dalen, en--het groene moschtapeet
Ontluikt; de vruchtbre dauw drupt uit uw mantelzoomen;
Uw vinger strooit alom de kleuren: 't groen der boomen,
't Sneeuwwit der lelie, 't blauw des hemels!--Alles leeft
En knopt en bloesemt en draagt vruchten, waar gij zweeft.
Elk zonnestraaltjen is een glimlach uwer oogen,
Elk balsemluchtjen, dat ons aanwaait uit den hoogen,
Uw vriendlijke ademtocht! En wat er klinkt en zingt,
De luide waterval, die van de rotsen springt,
Het beekjen, ritslend door de velden, 't kwinkeleeren
Der duizend zangers, die met wapperende veêren
Het bosch doorkruisen of zich heffen naar 't azuur,
't Zijn klanken uwer stem, welluidende Natuur!
Maar trotscher wordt uw blik, als gij de bergwoestijnen
Doorzwerft, de wolken plooit tot zwarte tentgordijnen,
En zetelt op uw throon van onverganklijk ijs.
Dan sneeuwt het vliegend zwerk uw blonde lokken grijs,
Dan vlamt uw grimmig oog van rosse bliksemstralen,
Dan schudt gij de Alpen, scheurt hun lenden, dreigt de dalen
Met uw lawinen; loeit in aardschok en orkaan
En donderslagen, en--jaagt de Aard den doodschrik aan!