III.

Zoo wisselt alles hier!

Éen wenk des Heeren,

En ziet! geslachten, heerlijk, jong en frisch,

Verrijzen, bloeien, om tot stof te keeren!....

De Roodhuid ook verliet de wildernis,

Wier paden hij heeft platgetreên, wier boomen

Hij telde--om nu, op 't hoog gebergt' verstrooid,

Een rijker jagersbuit op 't spoor te komen.

Niet langer huist de bever aan dees stroomen:

Ver aan de vrije waatren, die nog nooit

Een blank gelaat weêrkaatsten, aan de zoomen

Van d' Oregon, die trotsch en eenzaam vloeit,

Bouwt hij zijn klein Venetië.--Hier loeit

Geen buffel meer: nog tweemaal twintig mijlen

Van 't plekjen waar de lichte rookkolom

Verkondigt dat de verste jagers wijlen,

Dwaalt hij in wilde kudden zorgloos om;

Dáar steekt hij fier de horens op, dáar kneden

Zijn reuzenhoeven de aard, die davert bij zijn schreden!

Poëzy Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate · 第 140 / 144 题