Zoo wisselt alles hier!
Éen wenk des Heeren,
En ziet! geslachten, heerlijk, jong en frisch,
Verrijzen, bloeien, om tot stof te keeren!....
De Roodhuid ook verliet de wildernis,
Wier paden hij heeft platgetreên, wier boomen
Hij telde--om nu, op 't hoog gebergt' verstrooid,
Een rijker jagersbuit op 't spoor te komen.
Niet langer huist de bever aan dees stroomen:
Ver aan de vrije waatren, die nog nooit
Een blank gelaat weêrkaatsten, aan de zoomen
Van d' Oregon, die trotsch en eenzaam vloeit,
Bouwt hij zijn klein Venetië.--Hier loeit
Geen buffel meer: nog tweemaal twintig mijlen
Van 't plekjen waar de lichte rookkolom
Verkondigt dat de verste jagers wijlen,
Dwaalt hij in wilde kudden zorgloos om;
Dáar steekt hij fier de horens op, dáar kneden
Zijn reuzenhoeven de aard, die davert bij zijn schreden!