II.

Als ik mijn klepper prikkel met de sporen,

Die tot de heupen voortwaadt door het gras,

Klinkt mij 't eentonig hoefgestamp in de ooren,

Ja, bijna of het heiligschennis was.

Wie weet? als we eens der graven rust ontwijdden?

Slaapt hier misschien een volk uit vroeger tijden,

En is dit stof wellicht der dooden asch,

Eens tintelend van leven?--Dat vermelden

Die muren, rijzend boven 't eikenwoud,

Heenblikkende over de eindloosheid der velden!

't Geslacht, dat eens dit bolwerk heeft gebouwd,

Is lang reeds van de moederaard verdwenen.

't Was jong en sterk, en stapelde zijn steenen

Reusachtig op, terwijl de westerzon

In Griekenland misschien de rots bestraalde,

Het voetstuk van het heerlijk Parthenon!

Hier droeg de grond hun welig graan; hier dwaalde

Hun grazend vee; hier liet de buffelstier

Den stuggen nek in 't juk des ploegers klemmen;

Hier klonken eens de honderdduizend stemmen

Van levenslust en arbeid en vertier.

Hier zwierven menigmaal verliefde paren

In 't eenzaam rond bij d' avondzonnestraal,

Geloften wisslend in vergeten taal,

En klanken--wie zal zeggen uit wat snaren

Getokkeld, of uit welk welluidend riet

Geblazen?--met hun teeder minnelied

Meêgevend met de winden!.... Maar daar daagde

De Roodhuid op: het oud geslacht verdween,

Dat deze muren bouwde. 't Was als vaagde

De storm hen weg, en eeuwen achtereen

Mocht de Eenzaamheid alreeds hun plaats bekleeden.

De wolf zoekt in de wildernis naar buit;

De schildpad holt den leêgen bodem uit,

Eens overdekt met dichtbevolkte steden.

't Is alles weg--alleen de heuvlen niet,

Waar 't oud geslacht zijn beendren achterliet;

De hoogten niet, waar ze op de groene zooden

Zich bogen voor hunne onbekende goden;

De wallen niet, ten bolwerk saamgeprest

Voor 's vijands woên: tot straks de Wilde er brulde,

De schansen overrompelde, en de vest

Met lijkenheuvels van verslaagnen vulde.

De gieren schoten in al dichter kring

Ter neder op de doôn: wie zou hen storen

In 't gruwzaam maal?--Een enkle vluchteling

Doordwaalde 't woud, op 't glibbrig pad verloren,

Tot de eenzaamheid hem wreeder scheen dan 't graf,

En hij zich in des vijands handen gaf.

Niet alle vonken van 't gevoel verdoofden:

Hij vindt een plaats in schaûw des rieten daks;

De onbandige overwinnaars gunnen straks

Hem, meerbeschaafde, een zetel bij hun Hoofden.

Nu kiest hij uit hun dochtren zich een bruid;

Vergeten schijnt wat nimmer werd vergeten,

Zijn eerste liefde en menig dierbre spruit,

Met heel zijn ras vermoord, in 't slijk versmeten

Door 't eigen volk, dat nu de broederhand ontsluit!

Poëzy Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate · 第 139 / 144 题