Gij gaarden, door de woestenij gekweekt,
Gij weiden, onbegrensd en ongeschoren,
Wier naam aan Englands trotsche taal ontbreekt!
Prairiën, neen! ik zag u nooit te voren;
En nu, terwijl mijn oog u overziet,
Hoe bruisend stroomt op eens mij 't bloed door de aâren!
Gij strekt u uit naar 't eindeloos verschiet,
Gelijk een staande zee, wier groene baren
Voor eeuwig onbeweeglijk zijn. Maar neen!
Op eens herneemt gij de oude vrijheid weder.
Gevleugeld trekt de wolkenschaduw heen;
De vlakte ontwaakt en wiegt zich op en neder;
De lichte hoogten buigen om en om,
De donkre diepten golven. Dartel stoeien
De windtjens met de bloemen, die alom
Als uitgestrooide zonnevonken gloeien;
En roerloos zeilt de valk der woestenij
Hoog in de lucht op breede wiek voorbij.
Gij dartle windtjens! kustet Texas druiven,
Gij deedt de Mexikaansche palmen wuiven,
Gij volgdet door de Zuider-lustwarand
De beekjens, die, Sonoraas klare wellen
Ontsprongen, even lustig zeewaards snellen;
Maar hebt gij ooit een schooner wonderland
Dan dit doorwaaid? 't Heeft niets aan Menschlijk pogen
Te danken: 't Is Gods werk! Dezelfde hand,
Die ginds den bouw voltrok der hemelbogen,
Schiep ook die zee van gras, andre oceaan,
Waar eeuw aan eeuw de groene golven gaan,
En woud aan woud als eilanden verrijzen,
Een archipel van frissche Paradijzen!
Die bodem is den hemeltempel waard,
En bootst de starren van zijn koepelwelven
Met mozaïk van bloemen na!.... Schoone Aard,
Hoe lokt gij hier den hoogen hemel-zelven
Ter neder, tot hij altijd teêrder blauwt,
En eindlijk wegsmelt in uw levend emeraud!