Van hier, van hier, Naargeestigheid!
Gij kind uit Cerberus en Middernacht geboren,
Waar de Acheron zijn schaduw spreidt,
Bij aaklig spookgebroed en doodsche geestenkooren!
Ga, zoek een rotskloof die u past,
Waar nooit een leeuwrik zingt bij 't vriendlijk morgenkrieken,
Maar onverpoosd de rave krast,
En eeuwig Duister broedt op vale vleêrmuiswieken!
Zit daar in grauwe nevels neêr,
Omringd van wilde steenrotsbrokken,
Gegroefd als uw gelaat, verward gelijk uw lokken,
En steiger uit dien poel niet meer!
Maar breng Gij met vlugge schreden
Ons de gulle vreugde meê,
Heilbodesse, Euphrosiné!
Derde der Bevalligheden,
Wie de schoone Min--
--Godin,
Tot een lust en licht der aarde,
T' éener dracht heur Bacchus baarde!
Of, misschien wel zijt gij 't kind
Van den dartlen Lentewind,
Die zich met Aurore paarde
Op een Meischen Morgenstond,
Als hij haar met vriendlijk blozen
Tusschen rozen
Slapen vond!
Tooveresse, daal ter neder!
Immer blijde, maak ons blij!
Geef ons scherts en spotlust weder,
Breng ons jool en jokkernij,
Knikjens,
Blikjens,
Vol van leven,
Kortswijl uit des harten grond,
Gulle lachjens, als daar zweven
Over Hebees rozenmond--
Tot de rimpels zijn verdreven,
En de schaterlach in 't rond,
Vroolijke! uw triomf verkondt.
Huppel, trippel, zachtjens, zoetjens,
Op uw luchte feënvoetjens!
Voer de Nymf der bergwarand,
Voer de Vrijheid, aan de hand!
En, zoo ik u waardig eere,
Gun dat ik uw stoet vermeêre!
Geef dat ik met u en haar
Heel mijn leven lang verkeere,
Priester bij uw bloemaltaar!
'k Hoor dan vroeg den leeuwrik zingen
Op zijn hooge sterrenwacht,
Tot hij uit den schoot der Nacht
Eindlijk d' Ochtend op doet springen;
'k Buig, de trage scheemring moê,
Uit mijn venster mij voorover,
'k Roep, door roze- en wingertlover,
De Aard mijn: "goede morgen!" toe:
Middlerwijl, met kam en sporen
Prijkende, onder fieren tred,
't Haantjen, dat de kim ziet gloren,
't Laatste donker wegtrompet,
Om zijn hongrende sultanen
Naar de schuur een weg te banen.
'k Vang van ver den horenschal,
'k Hoor de vlugge brakken bassen,
Die in 't boschrijk heuveldal
't Opgeschrikte wild verrasschen.
Somtijds dwaal ik, voet voor voet,
Langs de bonte meidoornhagen,
Door twee oogjens gâgeslagen,
De Oosterpoorte te gemoet,
Waar de zon, in purpergloed
Tusschen bontgekleurde wolken,
Opvaart uit de glazen kolken.
En de veldman, vroeg ter hand,
Fluit zijn liedtje en ploegt het land;
Melkerts rappe vingers eischen
't Zuivelvee zijn schatting af;
En de maaier wet zijn zeissen,
En de scheper [2] zwaait zijn staf.
Diepe dalen, grauwe heiden,
Waar de witte lammren weiden;
Akkers, vol van goudgeel graan,
Bieden duizend schoonheên aan.
Hooge bergen zie ik rijzen,
Op wier schouder 't wolkjen slaapt,
Aan wier voeten de afgrond gaapt,
Tusschen groene paradijzen,
Waar de landjeugd bloemen raapt,
En de beekjens onder 't stoeien
Tot rivieren samenvloeien.
Van zoo menig steenrotstop
Rijst een aadlijk burchtslot op,
Wuivend met banier en vendel,
Waar het schoonste maagdelijn,
Waard een Koningin te zijn,
Wegkwijnt achter bout en grendel.
Daar beneden tusschen 't hout,
Waar de dunne rookwolk blauwt,
Onder rozen en violen,
Ligt de rieten stulp verscholen:
Daar zit Thyrsis, jong en teêr,
Naast heur Corydon ter neêr:
't Middaguurtjen heeft geslagen,
't Nedrig maal,
Op reine schaal,
Wordt door Phyllis opgedragen;
Die nog pas heur taak volbracht,
Of zij gaat heur Damon vinden,
Die op 't stoppelveld haar wacht,
Om de garven saam te binden:
Menig air
Van 't welig koren,
Leest ze, als Ruth, uit greb en voren,
Voor heur moeder bij elkaâr.
Somtijds wordt de streng getrokken,
Die den hoogtijklepel luidt,
En de klingelende klokken
Nooden tot een dansvreugd uit.
Nu vergaâren
Blijde paren,
Hupplende op de fiedelmaat,
Daar de strijkstok langs de snaren
Rustloos op en neder gaat;
Tot het maantjen door de blaâren
Heengluurt met jaloersch gelaat.
Of de Landheer geeft aan allen,
Oud en jonk, een vrijen dag,
Dien het hart naar welgevallen
Aan de vreugde wijden mag:
's Avonds mag de hoppe kralen
In den gladgeschuurden nap;
Elk, in onverpoosd gesnap,
Weet zijn sprookjen te verhalen:
Hoe de tooveresse Mab
Bij den een aan 't baksel knaagde,
Maar de korstjens overliet;
D' andren in zijn droomen plaagde,
Neep, en in de zijde stiet;
Of van lichtjens, die er waren,
Witte wiven, nickermaren;
Van een kobold, die vol kracht
Meerder koren dan tien mannen
In tien schoften dorschen, wannen,
Dorschte en wande in éenen nacht!
Eindlijk zwijgen alle tongen;
En, na de ernstige avondbeê,
Zoekt nu elk zijn legersteê,
Straks door 't windtje' in slaap gezongen.
Dan weêr trekt de Stad ons meê,
Met haar torens en haar wallen,
En 't gewoel der duizendtallen,--
De eindelooze menschenzee!
Eedle ridders en baroenen
Stroomen in hun feestdosch aan;
Lauwerblaân
En palmen groenen,
Prijken, schittren in de zon:
En de blanke hand der schoonen
Zal hem kroonen,
Die door moed of geest verwon.
Daar moog' Hymen intocht houên
Bij den glans
Der feestflambouwen,
Bij muziek en zang en dans,
Bij het rustloos gaan en komen
Van een maskeradestoet,
Bont en grillig als de droomen
Van een dichterlijk gemoed!
En zoo vaak de zorgen rijzen,
Huwe een zoete melody,
Een der Lydiaansche wijzen,
Zich aan 't woord der Poëzy,
Dat zij heel mijn ziel doordringe,
Met een gloed van hemellust,
Dat zij Orpheus wakker zinge,
Die aan de Elyzeesche kust
Op een bed van rozen rust,
En hem zulk een lied doe hooren
Als geen Pluto had' veracht,
Maar dat zeker de uitverkoren'
--Nu, helaas! op nieuw verloren!--
Gansch en al had' weêrgebracht
Uit den Acheronschen nacht!
Kunt gij zulke weelden geven,
Zeegnende Blijhartigheid!
'k Ben bereid
Met u te leven.