Als de dag zijn uren telde,
En de stemmen van den nacht
't Beter Ik daarbinnen wekken
Tot een vreugde, rein en zacht:
Als de luchters nog niet branden,
En het flikkrend haardsteêvuur
Wondre schaduwen doet dansen
Op den halfverlichten muur:
O, dan glippen dierbre schimmen
Binnen door de ontsloten deur!
Dan bezoeken mij de dooden,
Die ik reeds zoo lang betreur!
Zij, de jeugdigen en sterken,
Hunkrend naar een eedlen strijd,
Maar op d' eersten marsch bezweken,
Ver nog van het worstelkrijt:
Zij, de heiligen en zwakken,
Met des lijdens kruis belaân,
Eindlijk met gevouwen handen,
Bleek en spraakloos heengegaan;
En dan, 't wonder lieflijk wezen,
't Bloemtjen in mijn wildernis,
Die mij boven alles minde
En nu ginds een Engel is!
Zachtkens zet zij aan mijn zijde
Op den leêgen stoel zich neêr;
En zij drukt mijn koude vingers
Met een handdruk, naamloos teêr.
En zij zit mij aan te blikken
Met dat diep en vriendlijk oog,
Kalm en heilig als de sterren
Aan den blauwen hemelboog.
't Is mij als versta ik alles
Wat zij mij te zeggen heeft,
Tot ze, na een teêr vermanen,
Spraakloos mij heur zegen geeft.
O, hoe eenzaam en verlaten,
Ik gevoel geen angst of nood,
Mag ik maar in stilte peinzen
Aan hun leven, aan hun dood!