(Missolonghi, 22 Januari 1824).
O, sprak in 't eind dit hart niet meer,
Nu toch geen hart zich 't mijne wijdt!
Maar toch, al mint mij niemand meer,
Ik min altijd.
Mijn dagen zijn in 't najaarsgrauw,
Der liefde bloem en vrucht verdween;
De worm, de kanker en de rouw
Zijn mijne alleen!
Een eiland werd mijn dor gemoed,
Een rots, met lava in den schoot;
Geen toorts ontsteekt men aan zijn gloed:
Zijn vuurvlam doodt!
De hoop, de vrees, de zoete smart,
't Is al voorbij als droombedrog:
Slechts klinkt aan mijn gestorven hart
De keten nog!
Maar 't is niet _hier_, en 't is niet _thans_,
Dat zulk gevoel mij schokken moet,
Waar Glorie met onwelkbren krans
Heur helden groet!
Hier blinkt het zwaard, hier wuift de vaan,
De roem omringt me op Hellas' grond.
Op 't schild getorscht, zag geen Spartaan
Ooit vrijer rond!
Ontwaak! (niet Hellas--'t is ontwaakt!)
Ontwaak, mijn hart! Bedenk _waarvoor_
Ge uw dierste banden hebt geslaakt--
Voleind uw spoor!
Nu moet uw oude gloed vergaan:
Die driften zijn den man onwaard!
De roos der schoonheid is voortaan
Voor u ontblaârd.
Betreurt ge uw jeugd? waarom _geleefd_?
De dood der eere baart geen schrik:
Die hem begeert, trekt uit en--geeft
Den jongsten snik!
Zoek--wat men vaak eer vond dan zocht--
Een heldengraf aan vreemde kust!
Kies u een plek, met roem gekocht,
En--neem uw rust!