DE LAATSTE ZOMERROOS.

't Is 't laatste der roosjens,

Dat bloeiend bleef staan:

Heur lieflijke zustren

Zijn lang reeds vergaan.

Geen bloem van heur maagschap,

Geen knopje' onder 't mosch,

Herhaalt meer heur zuchtjens,

Weêrkaatst meer heur blos.

Neen! 'k ga niet hardvochtig

Uw stengel voorbij:

Zijn ze allen ontslapen,

Ontslaap dan als zij!

Zoo strooi ik uw blaadtjens

Al zachtkens daarheen,

En meng ze met de assche

Der uwen dooreen!

Zoo ras moge ik volgen,

Als me alles begaf,

Als Vriendschap en Liefde

Me ontzonken in 't graf.

Als al wat ons lief was,

In 't stof ligt vergaârd,

Wie bleef dan nog gaarne

Verlaten op aard'?

Poëzy Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate · 第 133 / 144 题