't Is 't laatste der roosjens,
Dat bloeiend bleef staan:
Heur lieflijke zustren
Zijn lang reeds vergaan.
Geen bloem van heur maagschap,
Geen knopje' onder 't mosch,
Herhaalt meer heur zuchtjens,
Weêrkaatst meer heur blos.
Neen! 'k ga niet hardvochtig
Uw stengel voorbij:
Zijn ze allen ontslapen,
Ontslaap dan als zij!
Zoo strooi ik uw blaadtjens
Al zachtkens daarheen,
En meng ze met de assche
Der uwen dooreen!
Zoo ras moge ik volgen,
Als me alles begaf,
Als Vriendschap en Liefde
Me ontzonken in 't graf.
Als al wat ons lief was,
In 't stof ligt vergaârd,
Wie bleef dan nog gaarne
Verlaten op aard'?