Die avondwolk, die bleeke straal,
Die purpertint aâmt jubeltaal,
Die d' Ongeschapen' tracht te prijzen.
Doe hij dan, die zoo ras vergaat,
Wiens aanzijn slechts een span beslaat,
De mensch, tot Hem zijn danktoon rijzen!
Hoe vaak bewondren wij den trans,
Als wij den deinende' avondglans
De blauwe wolken langs zien stroomen!
Hoe zelden is ons oog gericht
Op Hem, die haar Zijn hemellicht
Schonk, tot borduursel van haar zoomen!