Wij scheidden in droefheid, maar zwegen van scheiden;
Ons hart gaf zich op aan den drang van 't verstand.
Ik durfde niet _zien_ of heur oogjens ook schreiden:
Ik _voelde_ den traan op heur siddrende hand.
Wij wisten, 't verleden was redloos verloren;
Wij wisten, 't verschiet had geen hoop op herstel.
Zij bloedde aan de wond, die mijn borst moest doorboren,
_Ik_ deinsde terug voor het eeuwig Vaarwel!
De jaren vervlogen! Steeds lachte de lente,
Als toen zij voor 't eerst onze liefde bescheen.
De jaren vervlogen! De troost bracht zijn rente,
Maar geen enkle herinnring van 't afscheid verdween!
Het lied van den vogel, die 't lover doorhuppelt,
Herroept _haar_ den droom die al zingende ontvlood:
En de dauw, die des avonds de bloesems bedruppelt,
Spreekt _mij_ van den traan, dien de ontwaking vergoot!