De dief der jeugd, de vlugge tijd, ontstal
Mij op zijn wiek mijn drie-en-twintig jaren.
Mijn dagen vliên--'k zocht vruchtloos overal:
Mijn spade lent' doet bloem noch knop ontwaren.
Mijn uiterlijk misleidt: 'k zal haast mij scharen
Bij 't mannenkoor, naar mijner jaren tal;
Maar heb ik ook die geestes-rijpheid al,
Die vroegontwikkelden bij zich ervaren?
't Zij schittrend of gering, 't zij vroeg of laat,
Mijn krachten ook vervullen eens heur maat,
En doen mij 't pad van mijn bestemming loopen,
Waarheen de tijd en 's hemels wil mij drijft.
Blijf ik mijn roeping trouw--Gods Trouw ook blijft:
Mijn toekomst ligt voor 's Meesters oogen open.