Niet hun-alleen die juichen mogen,
Heeft God Zijn zegen weggeleid:
Zijn troostende barmhartigheid
Verschijnt ook slaaploos-schreiende' oogen.
De blik, die nu door neevlen ziet,
Wordt ras glimlachende opgeslagen;
Want pijnlijke uren, dorre dagen,
Zijn heilbeloften voor 't verschiet!
Daar is een dag van licht en vrede
Voor elken zwarten, bangen nacht;
En houdt de Droefheid te avond wacht,
De morgen brengt de Vreugde mede.
O gij wier oog, de jaren door,
Met bittre dropplen 't graf beparelt!
O, wendt het naar die Beter Waereld,
Die 't eerst hergeeft wie 't vroegst verloor!
Gelooft! al bracht u de oogst van 't leven
De leêge halmenschoof der smart!
Hebt lief en hoopt! en brak u 't hart,
Dit zij uw psalm: "Daar staat geschreven!"
God telde elk traantjen dat er dreef;
Uw winter wacht Zijn lange lente,
En de Eeuwigheid betaalt met rente,
Wat hier de Tijd u schuldig bleef!