Gelijk, wanneer de lente bloost,
De vlinderkoningin van 't Oost,
Op purpren wieken uitgesneld,
Het knaapjen lokt in 't geurig veld,
Hem uren lang met vluggen voet
Van bloem tot bloem haar volgen doet,
Dan wegsnelt en hem achterlaat
Met hijgend hart en schreiende oogen:
Zóo lokt, in 's levens dageraad,
Op de eigen wieken uitgevlogen,
De Schoonheid ook 't volwassen kind--
Een ijdle jacht van hoop en vreezen,
Wier droevig eind een traan zal wezen,
Gelijk zij met een lach begint!
Bezit men haar, ach! de eigen rouw
Wacht dan den vlinder en de vrouw:
Zij kwijnen weg, hun lust verteert,
Door 't spel des kinds, de luim des mans:
De dierbre buit, zoo wild begeerd,
Derft, eens gevangen, al haar glans.
De zelfde hand, die straks haar ving,
Vernielt allengs haar schoonste kleuren,
Tot ze als een bleeke zwerveling
In de eenzaamheid zich dood kan treuren.
Het hart verscheurd, de wiek gewond,
Ach, wat kan d' offers ruste geven?
Kan 't vlindertje, als in d' ochtendstond,
Nog over tulp en rozen zweven?
Of Schoonheid tot genot herleven,
Als de onschuld met heur schoon verzwond?
Geen vlinder treurt er in den hof,
Al zijgt een andre neêr in 't stof;
Vergeeflijk klopt het vrouwenhart--
Alleenlijk niet voor vrouwenzonden;
Het heeft een traan voor ieders wonden--
Slechts voor geen zusters schande en smart!