Daar waar Caraöns zilvren vloed
't Bekrompen heuvelvlak dooradert,
Verhief, in grijsverleden tijd,
Een rieten stulp zich in 't gebladert'.
Verwijderd van het stadsgewoel,
Slechts starende op den Albehoeder,
Bloeide Emma hier in stille rust,
In de armen van de beste moeder.
Auroor' gelijk, wanneer ze in 't rond
De lentezangren doet ontwaken,
Zoo bloeide ook Emma de ochtendblos
Des levens op albasten kaken.
Elk meisjen wist ze in ijverzucht,
Elk jongeling in min te ontgloeien:
Zoo zien wij, bij den dageraad,
Het roosjen op heur stengel bloeien.
De jeugdige Edward, weêrgekeerd
Uit Schotlands overzeesche stranden,
Gevoelde alras zich 't hart voor haar
In onverdoofbre min ontbranden.
En zij, zij minde ook Edward weer,
Als hij ontgloeid in echte liefde,
En gaf de zaalge drift gehoor,
Die haar het hart zoo teeder griefde.
Maar even als een schaduwbeeld,
Dat vluchtig wegdrijft voor de winden,
Zoo moest al spoedig hun genot,
Hun zoete mijmerij verzwinden.
Zijn zuster, 't vloekbaar beeld des Nijds,
Wien Cerberus aan d' afgrond teelde,
Nam tandenknarsend list bij list
Te baat tot storing hunner weelde.
De vader--maar wat woekeraar
Kan deernis of gevoel bevatten?--
Zijn leven was--zijn goudtresoor,
Zijn wellust--snoodverkregen schatten.
Nog nauw bemerkt hij 't vuur der min,
Dat Edward in het harte gloorde,
Als plotseling zijn dwangbevel
Des jonglings vreugdedroom verstoorde.
Hoe gruwzaam worstlen Liefde en Plicht
Thands in zijn boezem met elkandren:
Natuur ('t kan zijn) behoudt heur recht,
Maar--kan de oprechte Min verandren?
Vaak blijft hij, 's vaders oog ontvlucht,
In 't overhangend groen der blaâren,
Op 't dierbaar meisjen van zijn hart
Met tranen in zijne oogen staren.
Vaak dwaalt hij, bij het licht der maan,
De barre wildernis in 't ronde,
En daar slaat hopelooze min
Hem 't brekend harte wond bij wonde.
Des jonglings kaak, zoo schoon weleer,
Is thands van 't bleek des doods betogen,
Gelijk de siddrende uchtendknop,
Door de onweêrsvlagen neêrgebogen.
Ten laatsten kan geen enkle traan
Hem meer het stervend oog ontwellen,
En daaglijks smeekt hij d' Opperheer
Een eindpaal aan zijn smart te stellen.
De vader prest, van angst vermast,
Zijn dierbren telg aan 't bloedend harte;
't Geweten, in zijn borst ontwaakt,
Kwelt hem met namelooze smarte.
Vergeefs zijgt hij al snikkend neêr
En smeekt, bij zijn besneeuwde hairen,
Den God van al wat adem heeft,
Om hem 't zieltogend kind te sparen.
"Ik sterf!" zucht hem de jongling toe,
"Maar zoo uw hart zich kan ontfermen,
Voer haar dan, die ik eeuwig min,
Voor 't laatst in dees mijn trillende armen!'
Zij komt en zinkt hem aan het hart,
Maar ach! zij blijft in tranen stikken:
Die tranen zijn den dauw gelijk,
Die 't stervend bloemtjen komt verkwikken.
De jongling, worstlend met den dood,
Ontsluit nog flauw de brekende oogen;
"Vaarwel, mijn Emma!" barst hij uit,
En--de adem is zijn borst ontvlogen.
Zij keert terug langs 't kerkhofpad,
Geen ster bleef aan de kimmen gloren;
De nachtuil stemde in 't stormgegrom,
En deed haar 't somber lijklied hooren.
Verwilderd hoort zij Edwards zucht
In elk geritsel door de bladeren,
En telkens waant ze, dat ze in 't loof
Zijn bleekbestorven schim ziet naderen.
Zij heeft nog nauw heur stulp bereikt,
Of de angst doet plotsling haar verstommen;
Op eenmaal hoort ze op 't kerkhofpad
De doodsklok haar in de ooren brommen.
Heur boezem weigert d' ademtocht,
Al hijgend stort ze in 't stulpjen neder:
"O moeder!" gilt zij siddrende uit,
"Neen, nimmer zie ik Edward weder!
"Ik volg hem in het rustig graf:
'k Voel mij 't geschokte harte breken!"
Het hoofd zinkt op heur boezem neêr,
En geest en adem zijn ontweken.