Mijn geest is vol van schoonheid, en mijn hart
Van vreugde? Neen: 't is zacht, maar diep bewogen:
Een wisseling van zaligheid en smart
Lokt, bitterzoet, de tranen mij naar de oogen.
Geur zachtkens voort, gij frissche bloemenzoom!
Uw kalmte sust mijn wilden gloriedroom:
Mijn trots versmelt, 'k Zou thands niet kunnen haten....
Och, of die zucht mij nimmer mocht verlaten!
Gij heldre vliet, die tusschen rozen glijdt,
Wat rept ge u dus om de open zee te ontmoeten?
Gij zult (te laat!) die ijdele onrust boeten:
Want u verwacht een waereld vol van strijd.
Blijf hier; behoud uw weelderige dalen,
Het ruischend lied, waarmeê uw golfjen springt,
Dat dag en nacht de lieve zon bezingt,
Het maantjen en de starren, die in 't dwalen
U volgen, en u kussen met haar stralen!
O de oceaan.... gij kent den wilde niet:
Hij schuimbekt.... hoor, hoe daar zijn kreten loeien!
De reus rijst op, en schudt de onzichtbre boeien,
En brult, of hij zijn kerker openstiet;
Hij woelt en tobt, als om, met ijzren vingren,
Wat ademt in zijn diepte neêr te slingren.
Gij spiegel van d' Oneindige! mijn oog
Zoekt vruchteloos op uw onmeetbre stroomen
Een plekjen waar het eindlijk rusten moog':
Zij weemlen voort, wijd, boômloos, zonder zoomen,--
Tot mijn gedachte in doffe duizeling
Ter nederzinkt. Toch houdt uw tooverkring
Haar vast. Ze ontwaakt en zweeft weêr op uw baren,
En stroomt met die al verder, en daar blauwt
Geen grenspaal op. Gij, waatren! gij zijt oud
Gelijk gij sterk zijt. Want onheugbre jaren
Rolt gij daarheên. Gij jammerdet een klacht,
Eer nog een oor uw stem heeft mogen hooren.
Gij, weeprofeet van een aanstaand geslacht,
Gij, levend graf, wachtte in den langen nacht
Uw arbeid af, eer iemand was geboren.
De stonde sloeg: heraute van den Dood,
Verzwolgt ge heel de waereld in uw schoot.
En weder klonk, bij 't somber golfgewemel,
Uw kreet alleen door d'uitgestorven hemel!
En schoon het drooge is weêrgekeerd, o Zee!
Wat met u gaat is droef en neêrgeslagen:
De schuwe zeemeeuw deelt uw eigen wee,
Uw eigen geest, in snerpend jammerklagen.
Het hooge klif ziet uit zijn grauwe sfeer
Zwaarmoedig op uw witte branding neêr;
En ruischend staan aan d' oever uwer golven
De dennen daar, en mengelen hun stem
Als monniken ten somber Requiem
Voor al de dooden, in uw schoot bedolven!