Op zijn vijftiende jaar.
Klinkt reeds de toon zoo zoet, uw vroege jeugd ontschoten,
Waarin verbeelding nog in 't licht der waarheid gloeit,
Ontroeren ons reeds thands uw goddelijke noten,
Waarmeê, in zoete smart, uw ziel te samenvloeit:
O, wat bewondering zal dan uw deel niet wezen,
Wanneer de wetenschap uw rijken geest beschijnt,
Uw smaak veredelt en verfijnt,
En uw ontwaakt Genie, in vlammen opgerezen,
In al zijn kracht verschijnt!--
Ga, dierbre Jongling, ga! Blijf op het pad volharden,
Dat, u ten heil, natuur met rozenbloesems tooit!
Smeek groeikracht voor het zaad, zoo kwistig uitgestrooid!
En rukk' geen wervelwind de jonge loot aan flarden,
Die eens dat zaad ontspruit en 't jeugdig blad ontplooit!
Ga, moge u moed noch kracht ontbreken,
En wil, met de almacht van de Dichtkunst toegerust,
De boezems niet in weelde en dartle drift ontsteken,
Maar in 't gewijde vuur van reine hemellust!
Wees gij gelukkiger in Vriendschap en in Liefde
Dan al te vaak, helaas! de Dichter wezen mag!
En blink' de roem, wiens straal nu de uchtendwolkjens kliefde,
Eenmaal voor U in vollen dag!
Veracht den Hoogmoed en 't Vooroordeel!
Sta Rede en Waarheid U ter zij!
Blijv' stille Needrigheid op al uw schreên U bij,
En wacht alleen van Deugd en zuivre Oprechtheid voordeel!
Zoo smaak dan voorspoed, vrede en roem!
Zoo blijv' de zoetste vreugd u op uw weg bejeegnen!
En o! pluk méer op aard dan huldes morgenbloem--
God zal uw levensloop en Keith uw liedren zeegnen!