Weêr ontwaakt gij, bloeiende Aard'!--
Door geen boeien meer bezwaard,
Doet ge uw lofzang schaatren;
En, glimlachende in de zon,
Die de vrijheid hun herwon,
Vloeien thands uw waatren.
Weêr ontwaakt gij, bloeiende Aard!--
Wie zou suffen bij den haard,
Daar uw jonkheid keerde?
Tooi en plooi uw loovertent,
Als toen de allereerste lent'
't Paradijs regeerde!
Schalle uw vogel 't uit van vreugd,
Met den toongalm die hem heugt
Sints uw morgenstralen--
Ach, maar éens groent onze jeugd,
De uwe, duizend malen!
Weêr ontwaakt gij, bloeiende Aard!--
Als toen 't blauwend wolkgevaart
D' eerstlingknop deed geuren....
O, mijn neêrgebogen hart,
Zeg, nu alles levend werd,
Zult gij langer treuren?
Al te lang suste u de Min
Met haar kranke droomen in,
In gewaand genuchte:
Slaapt ge voort, in wangevoel,
Zonder werking, zonder doel,
Schoon uw jeugd ontvluchtte?
Neen, waak op! Het bloeiend pad
Lokt u, of ge voorwaarts tradt
Roept u tot viktorie!
Op! en, eer u, moede en mat,
De arm des bleeken doods omvat,
Pluk u nog een enkel blad
Uit den krans der glorie!