Sic juvat perire.
O zoete sluimring in der graven schoot,
Wanneer 't geloof de peluwe mag spreien!
Hoe heerlijk is het sterven voor die schreien,
Die schreien en verlangen naar den dood!
Ziet gij dat bed, waar duizend bloemtjens staan,
Die geurend biddend, fluistrend Amen zeggen?
Dáar wenschte ik 't moede hoofd ter rust te leggen,
Dáar, de afgebeden grafrust in te gaan!
O, dat geen traan mijn zerk besproeien moog',
Geen dan de dauwdrup, die er 's avonds glore!
O, dat geen zuchtjen er de stilte store,
Geen dan het suizend windtjen van omhoog!