Ver van mijn huis en erve,
Geslingerd op de zee,
Om vreemden rijk te maken,
Nam mij de dwingland meê.
Voor wat armzalig zilver
Kocht en verkocht men mij--
Maar, klemt de slavenketen,
De zielen blijven vrij!
De onbandige gedachte
Zoekt, Blanken! naar het recht,
Waarmeê ge uws Meesters doornen
Ons om de slapen vlecht.
Heeft mij als u geen moeder
Gedragen onder 't hart?
En vraagt misschien de Liefde
Als gij naar wit of zwart?
Waartoe de plant geschapen,
Waarvoor ik zwoegen moet?
Verschroeit haar, o mijn tranen!
Verstik haar, o mijn bloed!
Ach, dacht gij 't in, gij meester!
Hoe duur uw feestvreugde is,
Wat schouders zijn verbrijzeld,
Voor 't zoete van uw disch!
Regeert er Éen daarboven,
Wiens vonnis ons verwees?
Heeft Hij bevel gegeven
Te handlen in ons vleesch?
Heeft Hij de zweep gevlochten,
Den boei zoo vast geschroefd,
Die onze kranke leden
Tot op 't gebeente groeft?
Hij andwoordt--in de stormen,
Die schepen doen vergaan,
Die steden en plantaadjes
Tot gruizels nederslaan;
Hij ziet vergramd Zijn kindren
In 't martelbloed vertreên,
En dondrende op uw daken,
Spreekt Hij Zijn heilig: "_NEEN_!"
O, bij ons bloed, vergoten
In wilde menschenjacht,--
Bij 't lijden en de ellende,
Waarmeê ge uw vloot bevracht,--
Bij 't stijgen van den jammer,
Die op uw markten gilt,--
Bij 't harte, dat verbroken
In duizend boezems trilt,--
Niet langer dus Gods schepsel
Beneden 't dier verlaagd,
Alleen omdat zijn voorhoofd
Uw bleeken tint niet draagt!
Gij slaven van uw zilver,
Die 't recht der menschheid schent,
Toont menschlijke gevoelens
Eer gij ze in ons ontkent!