Als zefiers aâm de golfjens krult
En over 't zeevlak huppelt,
Als de avondzon het schuim verguldt,
Dat op zijn oevers druppelt:
Dan breekt mijn blijdschap uit haar knop
Als 't bloemtjen uit heur blaâren;
Ik klim de geele duinen op,
En volg den loop der baren.
Dan dansen mijn gedachten meê,
Dan dartlen mijn gepeizen
Met al de golfjens van de zee,
Die altijd verder reizen.
Maar--als op eens de storm ontsteekt,
En met verwoede slagen
Den kristallijnen spiegel breekt,
En bergen op doet dagen:
Dan vluchten al mijn droomen heen,
En zinken in de golven,
Als drenkelingen éen voor éen
Verrast en overdolven!
Dan zie ik naar dat beter Blauw,
Waarin de starren drijven:
En wensch mij boven 't wolkengrauw,
Om eeuwig daar te blijven.
Doorploeg' wien 't lust den wijden plasch
Met volgetaste barken!
En zeile hij naar 's waerelds as
Met uitgespannen vlerken:
Ik blijf aan 't strand! Ik zag in 't meir
Zoo menig een begraven;
En zet me aan 's Heeren voeten neêr,
Niet verre van de haven!