I KORINTHEN I : 30.

"Uit Hem zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid

van God en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing."

Angstig tastende als de blinden,

Doolde ik onophoudelijk voort:

Zoekend, zonder ooit te vinden,

Vragend, maar niet aangehoord:

Tot ik naar de Bron der waarheid

Jezus volgde, en Hem-alléen,

En in onbewolkte klaarheid

Mij de _Wijsheid_ Gods verscheen

Troosteloos van éen gereten,

Kwijnde mijn doemschuldig hart;

Maar in 't wroegende geweten

Bleef de prikkel mijner smart:

Tot ik met mijn zielewonden

Naar het kruis van Jezus ging,

En in ruil voor al mijn zonden

Zijn _gerechtigheid_ ontfing!

'k Zocht de lauwerkrans te plukken,

Die de deugd haar Priestren biedt:

Menig zonde deed ik bukken,

Maar het harte bukte niet:

Tot de valsche lauwren dorden,

Tot de Geest, dien Jezus geeft,

Hier dat nieuwe hart deed worden,

Dat naar _Heiligmaking_ streeft!

Zielevreugd en boezemprangen

Wisslen ieder oogenblik:

'k Voel een ongestild verlangen

Tot mijn allerjongsten snik.

Maar de Hoop verguldt de zoomen

Van des waerelds nachtgordijn:

Jezus komt eens--en volkomen

Zal dan mijn _Verlossing_ zijn!

Poëzy Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate · 第 21 / 144 题