"Uit Hem zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid
van God en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing."
Angstig tastende als de blinden,
Doolde ik onophoudelijk voort:
Zoekend, zonder ooit te vinden,
Vragend, maar niet aangehoord:
Tot ik naar de Bron der waarheid
Jezus volgde, en Hem-alléen,
En in onbewolkte klaarheid
Mij de _Wijsheid_ Gods verscheen
Troosteloos van éen gereten,
Kwijnde mijn doemschuldig hart;
Maar in 't wroegende geweten
Bleef de prikkel mijner smart:
Tot ik met mijn zielewonden
Naar het kruis van Jezus ging,
En in ruil voor al mijn zonden
Zijn _gerechtigheid_ ontfing!
'k Zocht de lauwerkrans te plukken,
Die de deugd haar Priestren biedt:
Menig zonde deed ik bukken,
Maar het harte bukte niet:
Tot de valsche lauwren dorden,
Tot de Geest, dien Jezus geeft,
Hier dat nieuwe hart deed worden,
Dat naar _Heiligmaking_ streeft!
Zielevreugd en boezemprangen
Wisslen ieder oogenblik:
'k Voel een ongestild verlangen
Tot mijn allerjongsten snik.
Maar de Hoop verguldt de zoomen
Van des waerelds nachtgordijn:
Jezus komt eens--en volkomen
Zal dan mijn _Verlossing_ zijn!