(Aan mijnen vriend, den zestienjarigen Dichter J.J.L. ten Kate.)
--Sevenaer 1836.--
Kent gij den droom vol wondre harmonieën,
Waarin een glans des Hemels ons omzweeft,
Dien zich de jeugd in zoete fantasieën
Uit de eerste smart en de eerste vreugde weeft?
Kent gij hem wel? Ook lange nog na 't scheiden
Blijft trouw zijn beeld door 't leven ons geleiden.
Als onze geest de teêre vleugels wiegelt,
En worstlend naar een Hooger Schoonheid smacht,
Als in zijn blik een Tooverwaereld spiegelt,
Een Lustwarand, waaruit de vrede lacht,
Dan zou hij gaarne, in namelooze weelde,
Verwerklijken wat zich zijn wensch verbeeldde.
Toch slaat de geest wel vruchtloos hier beneden
De wieken uit naar reiner lichtgebied:
Zijn jonkheidsdroom van een verloren Eden,
Zijn heimweezucht stilt déze waereld niet:
Totdat hij leerde in stil geloofsvertrouwen
Naar 't Vaderland daar Boven heen te schouwen.
Wie schonk ook U die zilverzuivre snaren,
Wier windharp-toon den wensch naar Boven voert?
Wie leerde ook U zoo vroeg en diep ervaren,
Wat bitterzoet een Dichtrenhart ontroert?
Moest ook úw hart reeds in zijn lente leeren
Geduldig te verwachten en te ontbeeren?....
O, laat het lang en God ter eere bloeien,
Dat Paradijs dat opging in uw ziel!
Laat lang daar 't licht des stillen weemoeds gloeien,
Een straal gelijk die uit den Hemel viel!
De beelden, die daar zeegnende U omzweven,
Zijn diep verwant aan 't innig zielenleven.
Vaar moedig voort op zuivren toon te zingen!
Vervolg uw weg in 't koele palmgeblaârt!
Wat waereldsch is, kan 't harte niet bedwingen;
Wat hemelsch is, stijgt vrolijk hemelwaart:
De zoete droomen, die hier vroeg verstoven,
Hervinden wij verwezendlijkt daar Boven!