EEN BLIK VOORUIT.

Als eens mijn uurtjen komen zal,

En ik van de aard moet scheiden,

Wil Gij dan in het schaduwdal,

O Jezus! mij geleiden.

'k Beveel in Uwe hand mijn geest,

En volg, o Heer! U onbevreesd

Naar 's Hemels groene weiden!

Wel zal ik beven op 't gezicht

Van al mijn duizend zonden,

Daar mijn geweten-zelf mij richt

En schuldig heeft bevonden:

Maar denken wil ik aan Uw dood,

O Heer! en vlieden tot Uw schoot,

En schuilen in Uw wonden.

Ik weet in Wien mijn hart gelooft:

Gij zult mij niet begeven!

Zijn niet Uw leden, Godlijk Hoofd,

Onscheidbaar saamgeweven?

Ja, als ik sterf, dan sterf ik U,

Want, Heer! Uw dood verwerft reeds nu

Mijn ziel een eeuwig leven!

Nu Gij den dood verwonnen hebt,

Blijf ik in 't graf niet rusten:

Mijn ziel, die reeds de vleugels rept,

Vreest 's waerelds leed noch lusten.

Waar Gij nu zijt zal ik eens zijn!....

Gegroet dan, eeuwge Zonneschijn,

En blijde Hemelkusten!

Zoo sterve ik zonder vrees of schrik,

Getroost in Uw erbarmen:

Mijn sluimring duurt éen oogenblik--

Gij zult mijn stof beschermen.

Straks roept Uw stem: "Ontwaak! Ik klop!"

Dan rijs ik uit de windsels op,

En--werp mij in Uwe armen!

'T IS VOLBRACHT.

Op den Berg der Jammren,

Herder zonder lammren,

Sprakeloos en koud,

Met gebroken oogen,

't Heilig hoofd gebogen,

Hangt de Heer aan 't hout.

Welk een throon

Voor 's Vaders Zoon!

Is dan 't gapend graf een woning

Voor den Hemelkoning?

Ach, wat angsten lijdt Hij!

Ach, wat doodskamp strijdt Hij,

Bloedende overal!

Is van al Zijn vrinden

Dan niet éen te vinden

Die Hem redden zal?

Menschen gaan

Voorbij, en staan

't Wee, dat de Englen weg doet schrikken.

Grijnzende aan te blikken!

Brandend van genade,

Sloegt Ge, o Heer! ons gade,

Voeldet Ge onzen nood:

Goddelijken vrede

Bracht Ge, o Heiland! mede

Uit des hemels schoot.

En, Gods licht

Op 't aangezicht,

Sterft Gij nu als offerande

Op 't altaar der schande!

Gij, de Zoon des Vaders,

Tusschen gruweldaders!

Wat ontzinde waan,

Welk een duivlenwoede,

Eenig Reine en Goede!

Heeft U dàt gedaan?

Ach, een ras

Van stof en asch,

Kaïns zaad, maar tienmaal wreeder.

Sloeg U, Abel! neder.

Ja, ter Hoofdscheêlplaatse

Bracht u dit melaatsche,

Doodsche zondaarshart.

Ik, in schuld verloorne,

Vlocht de scherpste doorne

Door Uw kroon der smart!

Want de schuld

Die mij vervult,

Wilt Gij in de reine plasschen

Van Uw zoenbloed wasschen!

'k Zal het nooit doorgronden,

Hoe Gij, zonder zonden,

"Eli, Eli!" zucht.

'k Zie den hemel tanen

In een floers van tranen,

En de zonne vlucht!

'k Zie de doôn

Hun graf ontvloôn;

Van de ellend, die U weêrvaarde,

Brak het hart der aarde!

Sterke Boeienslaker!

Trouwe Zaligmaker!

Groote Immanuël!

Gij hebt al mijn plagen

Op het hout gedragen,

En versloegt de Hel,

Sta mij bij,

En heilig mij,

Dat ik nimmer iets begeere

Dan uw liefde, o Heere!

Met uw bloed besproeide!

Doodelijk vermoeide!

Rust hier in de rots!

Uw vervolgers weken,

Half van schrik bezweken,

Bij de teeknen Gods!

Nader spoedt

Uw Jongrenstoet,

En zij zweren, vol van rouwe,

U den eed der trouwe.

Gij hebt overwonnen!

Woedend aangeschonnen,

Stondt Ge onwrikbaar pal!

Door het Helsche duister,

Door der Heemlen luister,

Door het wijd Heelal,

Klinkt met kracht

Uw: "'t Is volbracht!"

En de palmen der viktorie

Groenen door Uw glorie!

Als een heldre sterre

Straalt Uw kruis van verre

Allen volkren aan.

't Is de Boom des Levens:

Vrucht en bloesem tevens

Menglende in zijn blaân!

Wie verrukt

Die vruchten plukt,

Die wordt, rijk en begenadigd,

Eeuwiglijk verzadigd!

Op den Berg der Vreugde,

Rijker dan U heugde,

Vol der heerschappij,

Vol der zaligheden,

Zit Ge, in 't Eeuwig Eden,

Aan des Vaders zij'!

's Vaders Zoon!

Dat is Uw throon:

Gods paleizen zijn Uw woning,

Groote Hemelkoning!

Poëzy Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate · 第 18 / 144 题