(_Uit zijn dagboek, van het Chineesche eiland Putoy, Zondag 2 Mei
1852_).
Mist gij hier vrienden en verwanten,
Wat nood, als hier en overal
Een leger blinkende trawanten
Uw eenzaam pad omstuwen zal?
Wat nood, of hier de dierbren scheiden,
En niet éen pelgrim met u gaat,
Wanneer Gods Englen u geleiden,
En Jezus u ter zijde staat?
Waarheen zich ook mijn schreden wenden,
Des Heeren voetbank draagt mij nog!
Ben ik omringd van onbekenden,
God, die mijn roem is, kent mij toch!
Mijn Heiland neemt mij in Zijn hoede,
't Is of mijn ziel Zijn aanschijn ziet,
En 'k hoor Zijn stem: "Wees wel te moede!
"Uw Vader, kind! vergeet u niet!"