KALIFORNIË.

Zij graven goud, en vinden goud;

"_Goud_" heet het tooverwoord!

Dat jaagt de morders, jong en oud,

Van haard en have voort.

Voor goud verzaakt de vriend zijn vriend,

Verstoot de man zijn bruid:

't Ziet hunkrend, wat den Mammon dient,

Naar Kalifornië uit.

Zij laten, dobbrende op een plank,

Hun huisgezin in druk:

De rijkdom wenkt, het goud is blank,--

De spiegel van 't Geluk!

Goud is de sleutel tot het Hart,

De ware God der Eeuw;

Het maakt de lijdende Onschuld zwart,

De Misdaad wit als sneeuw.

Het geeft der Domheid roem en macht,

Der Grijsheid frissche jeugd;

Het maakt Lafhartigheid tot Kracht,

En Schurkerij tot Deugd!

Dies ziet, door zooveel glans verblind,

Het volk in 't Goud zijn heil,

En heeft er vrede, en vrouw, en kind,

God, en zich-zelf voor veil!

O, dwaasheid, die het Wezen smaadt

En naar de Schaduw tast,

Die in de verte zoeken gaat

Wat zoo nabij haar wast!

Uw T'huis is uw Beloofde Land:

Dáar zijt gij waarlijk Vorst!

Delf goud, met ijver en verstand,

Maar--uit uw eigen borst!

De mannenkracht, de mannenmoed,

Die hooger streeft dan de Aard,

De zin voor 't eeuwig Schoon en Goed,

Zijn wel des zoekens waard!

Daar schuilt voor u gedegen goud,

Dat van geen roesten weet,

Dat immer zijn gehalte houdt,

Dat _Ware Rijkdom_ heet!

Zoo 't mannenhart u niet voldoet,

Zoek dan in 't vrouwenhart:

Een goudmijn is haar teêr gemoed

Van vreugde en zoete smart!

Ziet, hoe dáar, rijker dan uw droom.

De reinste liefde gloeit,

En, als het stofgoud in den stroom,

Door al heur aadren vloeit!

Versmaadt uw hart dat Tooveroord,

O aarzel dan niet meer!

Trek dan naar 't verre Goudland voort--

_Gij vindt er de armoê weêr_!

Poëzy Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate · 第 6 / 144 题