Dát kan mij vaak weemoedig maken,
Dat ons de tijd zóo snel ontvaart,
Dat, eer zij 't Heden recht mocht smaken,
De ziel reeds in 't Verleden staart.
Het zaligst uur, sinds lange jaren
Verwacht en vurig afgebeên,
Het komt gelijk een klank van snaren:
Hij ruischt, verrukt, en--vliegt daarheen!