SLAAPWANDEL BIJ DAG.

Door de Afrikaansche lucht gezengd,

Marcheert een oorlogsdrom:

't Zijn Vreemden, bont dooréen gemengd,

Vergaderd van alom.

Hun lied, in allerhande taal,

Eens rijzend met den morgenstraal,

Werd lang niet meer gehoord:

Eentonig dreunt het rammlend staal--

Zij trekkend slapend voort.

De tamboer, met zijn trom bezwaard,

Stapt slapende in de maat;

Den hoofdman, knikkende op zijn paard,

Staan vlammen op 't gelaat.

Zoo sluimert heel dat bataillon,

Door de onverbiddelijke zon

Tot smachtens toe verhit:

Toch, hoe de hette hen verwon,

Blijft alles in 't gelid.

En wat meest enkel de enge tent

Bij nacht bespieden mag,

Staat nu op elks gelaat geprent

Bij helderlichten dag:

Het droomgordijn is opgehaald,

De waereld, waar hun ziel in dwaalt,

Weêrkaatst haar tooverlicht,

Den glans, die van haar beelden straalt,

Op ieders aangezicht.

Hoe beeft de ruige wenkbrauwboog!

De mond, schoon zwijgend, spreekt:

Ziet, hoe daar uit het trillend oog

Een groote traandrop breekt!

Zij zien de dagen van weleer,

Hun dierbaar huis, hun vriendlijk meir,

Hun groene lustwarand,

Hun lieve, grijze moeder weêr,--

't Verloren Vaderland!

Daar valt een schot--zij zijn ontwaakt,

En vormen, strijdens reê,

Van plotselingen moed geblaakt,

Hun bliksemend quarré:

De tanden klemmende op elkaâr,

In dubble gramschap staan zij daar,

In stomme razernij....

Helaas, de Beduïnenschaar

Vliegt als hun droom voorbij!

Poëzy Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate · 第 5 / 144 题