ZIGEUNERSLEVEN

Wat ruischt er zoo spade

Door 't beukenloof heen?

't Zijn fluistrende stemmen

En krakende schreên:

Daar flikkren de vlammen

Door 't lommerig bosch,

Daar weemlen gedaanten

In wonderen dosch.

't Zijn wilde Zigeuners:

Een rustloze schaar,

Met bliksemende oogen,

Met fladderend hair;

De Nijl heeft het eerste

Hun voeten besproeid,

De hemel van Spanje

Hun voorhoofd verschroeid.

Hoe vriendelijk knettert

Het vlammende hout!

Daar leegren de mannen,

Bij vroolijken kout:

Daar hurken de vrouwen,

En roosten het maal,

En vullen gestadig

De wijde bokaal.

En Sagen en zangen

Weêrklinken in 't rond,

Als 't bloeiende Zuiden

Zoo weeldrig en bont.

Hoe luistren de jongen,

Waar 't Bestjen hen leert.

Wat rijmspreuk de slange

Der smarte bezweert!

Zwartoogige meisjens

Beginnen den dans:

Hoe gloeien de fakkels

Met purperen glans

Hoe ruischen de snaren!

Hoe davert de grond!

Hoe zwieren de paren

Al wilder in 't rond!

Nu zoeken ze aêmechtig

Een plekjen zich uit,

Waar 't murmelend windtjen

Haar de oogenleên sluit.

Daar voeren de droomen,

Zoo dartel en vlug,

Het harte der kindren

Naar 't Zuiden terug.

Maar als nu in 't Oosten

Het zonnetjen daagt,

Zijn plotsling de beelden

En droomen verjaagd.

De muildieren trapplen;

't Woelt alles dooréen--

De bende is verdwenen!

Wie zegt u waarheen?

Poëzy Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate · 第 4 / 144 题