In zijn veelbewogen leven heeft Torrigiano geen groot aantal

kunstwerken kunnen scheppen, maar hun schoonheid vergoedt dit gebrek

in ruime mate. Behalve het bas-relief van het hospitaal de la Sangre,

wordt als de schoonste zijner scheppingen het beeld geroemd van

den heiligen Jeronimus in de woestijn, dat hij vervaardigde voor de

monniken van Buenavista, en dat na de verwoesting van dit klooster

gelukkig naar Sevilla werd overgebracht. Een blik op dit beeld is

voldoende, om den naijver van Michel Angelo volkomen gerechtvaardigd

te achten. Buonarotti zag in Torrigiano een geduchten mededinger,

en niet zonder reden. Goya aarzelt niet, den Jeronimus te Sevilla

voor een der grootste kunstwerken, niet slechts van Spanje, maar van

Italië en Frankrijk te verklaren. Evenals Pedro Millan boetseerde

Torrigiano zijn beelden in klei, en toonde zich een meester in de

behandeling van dit zoo bij uitstek plastische materiaal, waarvan de

schoonheid door de sobere beschildering met kleuren werd verhoogd. Dat

de Italianen in den regel hun beeldhouwwerken niet beschilderden,

kan dus niet het gevolg zijn van diep gewortelde overtuiging, als een

verblijf in het buitenland reeds voldoende was, om de kunstenaars tot

de oude behandelingswijze te doen terugkeeren. Pedro Millan had op

zijn werk den stempel gedrukt van een uitstervende school. Torrigiano

was de voorlooper der florentijnsche kunst in Spanje; doch de groote

Juan Martines Montanes verhief de spaansche beeldhouwkunst tot den

allerhoogsten trap, dien zij ooit heeft weten te bereiken, en was de

waardige evenknie van Velasquez, Zurbaran en Murillo, zijn beroemde

tijdgenooten. Het kenmerkend karakter van zijn werk is de oprechtheid

en het diep geloof, dat er in doorstraalt.

Hij staat boven alle aangenomen manier, en al was hij een echte zoon

van het land zijner geboorte; al liet hij zich bezielen door de werken

zijner groote voorgangers, hij kan niemands navolger worden genoemd,

en geeft blijken van grootsche oorspronkelijkheid. Geen beeldhouwer

heeft zoo getrouw de natuur tot eenig voorbeeld gekozen, ook bij

de weergave der meest ideale voorstellingen. In zijn Christus aan

het kruis is ware menschelijkheid vereenigd met de meest verheven

opvatting van goddelijk lijden, en dezelfde wonderbare vermenging van

het bovenzinnelijke en het zuiver menschelijke spreidt hij ook ten toon

in zijn onvergelijkelijke Concepcions. In alle kerken en kloosters van

Andalusië zijn zijn werken verspreid, en vele van zijn Christuskinderen

worden met de grootste liefde bewaard in arme nonnenkloosters, ondanks

het treurige gebrek aan middelen, dat de ongelukkige vrouwen dikwijls

noopt haar kostbaarste bezittingen te verkoopen.

Het kruisbeeld van de kapel de los Calices in de kathedraal vindt

zijn weerga niet in de italiaansche school en kan wedijveren met den

wit marmeren Christus van Benvenuto Cellini, die in het Escuriaal

wordt bewaard.

Slechts de Christus van den Gran Poder kan met dit beeld worden

vergeleken. Dit kunstwerk, dat Jezus voorstelt op den lijdensweg,

werd in 1619 door Montanes ontworpen voor de broederschap van den

Gran Poder, die de graven van Medina Sidonia tegen het midden der

15de eeuw hadden gesticht, en wier eigendom het thans nog is.

Het beeld maakt, hoewel eenigszins theatraal ten toon gesteld,

toch nog een overweldigenden indruk. Zeer hoog geplaatst, onder een

troonhemel, door een traliehek omgeven, grillig verlicht door de

flikkerende vlam der brandende kaarsen, die het voortdurend omringen,

en weinig afstekend van den achtergrond van rood en goud der stoffen,

die de wanden bekleeden, is het beeld te ver van ons verwijderd, om

over de schoonheid ervan te kunnen oordeelen, te meer daar het in een

wijd gewaad is gehuld van purper en fluweel met zwaar goudborduursel,

en slechts het hoofd, de handen en de voeten zichtbaar zijn. Deze

vermomming verbergt, wat men helaas niet anders dan een gruwelijke

verminking kan noemen. De Christus toch van het Gran Poder droeg niet

het kruis op de schouders, zooals Jezus steeds op den lijdensweg wordt

voorgesteld, maar omklemde, in hoog opgerichte houding, het kruishout,

dat aan zijn voeten leunde. Het ongewone van deze voorstelling gaf

aanstoot aan eenige der meest bekrompen leden van de broederschap,

en tengevolge hiervan werd een zonderling bevel uitgevaardigd. De

armen van het beeld moesten bij de schouders worden afgezaagd, en

van een beweegbare spil worden voorzien. Dit geschiedde, en nadat

verschillende posities waren beproefd, werden zij ten slotte bevestigd

in de houding, zooals men ze thans nog ziet. Uit den zegevierenden

Christus, een beeld zoo schoon als in Frankrijk slechts weinige worden

aangetroffen, groeide een onder het kruis neergebogen en bezwijkende

figuur, die bijna banaal zou schijnen in zijn purperen pronkgewaad,

als de schoonheid en de smartelijke uitdrukking van het gelaat niet

boven het alledaagsche waren verheven.

In 1610, bij de heiligverklaring van Ignatius van Loyola, ontwierp

Montanes het hoofd, de handen en de voeten van twee beelden, bestemd

om als candeleros (kandelabers) dienst te doen, die den stichter der

Jezuïten-orde en den heiligen Franciscus van Assisi voorstelden. Later

kwam men op het denkbeeld, de gewaden, die de ledepoppen omhulden,

op te vullen en te beschilderen. Men moet dit werkelijk van te voren

hebben geweten, om te kunnen zien, dat de beide beelden, die in de

kerk der Universiteit worden bewaard, op deze wijze zijn voltooid. De

hoofden dezer standbeelden zijn gelijkende portretten, zooals men

die weinig aantreft in de spaansche beeldhouwkunst.

De groote sevillaansche kunstenaar is zeer oud geworden. In 1635 had

hij reeds een hoogen leeftijd bereikt, toen hij door den groothertog

van Toskane, die voornemens was Philips IV een ruiterstandbeeld

aan te bieden, dat in Florence zou worden gegoten, naar Madrid werd

ontboden, om de buste van den Koning te vervaardigen. Het ontwerp

in klei, dat naar Italië werd gezonden, is verloren gegaan; maar

het bronzen beeld, gegoten door Pietro Tocca, prijkt thans midden

op het plein de l'Oriente, vlak bij het paleis en den koninklijken

schouwburg. Gedurende zijn verblijf te Madrid heeft Velasquez een

portret van Montanes geschilderd, dat zich in het museum te Madrid

bevindt.

Alle werken van dezen meester zijn polychroom. De eer der kunstvaardige

beschildering komt toe aan den schilder Pacheco, die echter van

Montanes' zijde geringen dank daarvoor inoogstte. Zooals bekend is,

waren de kunstenaars der 16de eeuw in de beoefening hunner kunst aan

strenge wetten onderworpen, door de gilden voorgeschreven. Al was

het een beeldhouwer of imaginero veroorloofd, een beeld te boetseeren

in klei, het te snijden in hout, of te beitelen in marmer, hij mocht

het zelf niet beschilderen of vergulden; die taak was opgedragen aan

de encarnadores en de estofadores, waarvan de eersten het lichaam,

de tweeden de bekleeding ervan voor hun rekening namen. Pacheco, een

begaafd schilder, muntte hierin uit. Doch Montano stelde er prijs op,

zelf zijn werken te beschilderen, uit vrees dat een vreemde hand

de zuiverheid der lijnen of de juistheid der gelaatsuitdrukking

zou bederven. Dit verschil van meening was de oorzaak van meerdere

processen tusschen de beide tegenstanders, en een bron van voortdurende

oneenigheid. Pacheco, die leefde van 1571-1664, was, behalve een

groot kunstenaar, een schrander en ervaren beoordeelaar. Maar daar

hij zich uitsluitend liet leiden door zijn voorkeur voor de meesters

der italiaansche renaissance en er, bij zijn groote geleerdheid

en belezenheid, een wijsgeerig stelsel op nahield, waarmede hij de

kunst wilde dwingen zich naar zijn bekrompen stelregels te voegen,

terwijl hij bovendien vurig katholiek was, ging hij in zijn schoolschen

ijver buitensporig ver; zóó ver, dat hem zelfs in 1618 de taak werd

opgedragen ervoor te waken, dat godsdienstige onderwerpen ook in

streng godsdienstigen zin werden opgevat.

De spaansche schilderschool zou waarschijnlijk door Pacheco's

bemoeiingen in haar hoogevlucht zijn gestuit, als hij zelf niet tot

andere gedachten was gekomen. Zijn dochter was gehuwd met Velasquez,

die uit Sevilla naar Madrid was getrokken. Toen Pacheco zijn schoonzoon

in de hoofdstad bezocht, deden de aanblik van diens werken en zijn

gesprekken met den meester hem een nieuw licht opgaan. Hij begreep

dat de kunst, om waar te blijven, vóór alles vrij moet zijn, en

de behandeling van zijn latere schilderstukken getuigt van zijn

veranderde zienswijze.

De invloed van Pacheco had zich ook in de opvatting van profane

onderwerpen doen gevoelen; terwijl de schilders dier stukken zich

beijverden de natuur getrouw te volgen, bleven zij steeds iets ernstigs

en eenvoudigs behouden, dat de spaansche schilderschool een eigenaardig

karakter verleende. Dit vertoont zich vooral in de werken van Murillo,

die in Sevilla schitterend vertegenwoordigd is.

Deze groote kunstenaar scheen aanvankelijk niet onder een gelukkig

gesternte geboren. Zijn vader, een eenvoudig werkman, stierf toen

hij nog slechts elf jaar was, en hij werd groot gebracht door zijn

stiefvader, Antonio Lagardes, een heelmeester. Al spoedig aan zijn

lot overgelaten, koos hij zelf een meester en een werkplaats. Zijn

meester was Juan Castillo, in wiens atelier hij den geheelen dag

arbeidde. Maar toen Castillo Sevilla verliet en naar Cadix trok, bleef

de jonge man zonder middel van bestaan achter. De jongere leerlingen

in de werkplaatsen der sevillaansche schilders moesten op grof doek,

sergas genaamd, leeren schilderen, met een mengsel van verf en gom,

met water vermengd. Dit was goedkooper en gaf hun spoedig een vaste

hand en een zekere bedrevenheid. Op deze sergas begon Murillo nu, om

zijn dagelijksch brood te verdienen, heiligen, madonnas en kinderen

te schilderen, naar de modellen die hij om zich heen zag, en verkocht

deze op de feria's of jaarmarkten, waar de lieden, die handel dreven

met de Nieuwe wereld, hun waren kwamen opdoen, waar de boeren uit

den omtrek hun inkoopen deden, en kleine winkeliers wel gaarne een

afbeeldsel kochten van hun beschermheiligen waarmede zij hun winkel

konden versieren. Aan zulk werk verspilde Murillo zijn krachten, toen

Pedro de Maya, een zijner kameraden, hem copieën liet zien naar werken

van Rubens en van Dijck, die hij in Vlaanderen had geschilderd. Murillo

was hierdoor zoo getroffen, dat hij volstrekt naar Antwerpen wilde

reizen, om die groote meesters nader te leeren kennen. Door ijveriger

dan ooit te werken, verschafte hij zich het noodige reisgeld, en begaf

zich op weg naar het Noorden. In Madrid vertoefde hij, tot zijn geluk,

ten huize van Velasquez, die veel van hem verwachtte, hem goeden raad

gaf, en hem in staat stelde, de schilderijen te bezichtigen van het

Alcazar, Buen Retiro en het Escuriaal. Hij copieerde dan ook weldra

Titiaan, Veronèse, Rubens en van Dijck met zooveel ijver, dat hij

zich nog in langen tijd niet van hun invloed kon losmaken.

Toen hij, na den val van den minister Olivarès, den beschermer van

Velasquez, naar Sevilla terugkeerde, was hij reeds de onsterfelijke

Murillo, de "engel" der spaansche schilderkunst, zooals Velasquez,

volgens de treffende vergelijking van Edmondo de Amicis, de "adelaar"

ervan zou kunnen genoemd worden. Door geheel Spanje waren de talrijke

werken van zijn hand verspreid, die thans nog de glorie der spaansche

en buitenlandsche musea uitmaken. Tusschen 1658 en 1670 schilderde

hij een drietal stukken, dat ook in later tijd niet is gescheiden

en zijn roem tot in lengte van dagen zal blijven handhaven. Deze

trilogie was hem opgedragen door de broederschap der heilige Hermandad

de la Caritad, die zich ten doel stelden, de lijken der ter dood

gebrachte misdadigers te begraven, uit den Guadalquivir aangespoelde

drenkelingen een behoorlijke begrafenis te geven, zieken te verplegen,

en ongelukkigen bij te staan. Aan hun hoofd stond Don Miguel de Manara,

die in zijn jeugd een uiterst losbandig leven had geleid, doch door

waarschuwende visioenen tot inkeer was gebracht, en thans niet rustte,

eer hij door een leven van barmhartigheid zijn bedreven zonden had

uitgewischt. Op zijn verzoek schilderde Murillo, die zich in de

broederschap had laten opnemen, voor de kapel van het hospitaal zijn

drie groote werken: Het wonder van de vermenigvuldiging der brooden;

Mozes water slaande uit de rots, en den heiligen Johannes de Deo,

die een zieke draagt, en door engelen wordt ondersteund.

In 1660 had Murillo te Sevilla, misschien hiertoe geleid door de

herinnering aan de beproevingen, welke hij in zijn jeugd had ondergaan,

een openbare teekenacademie gesticht. Wat Velasquez in Madrid te

vergeefs had beproefd, bracht hij tot stand, met, of liever gezegd,

ondanks de medewerking van zijn tijdgenooten Herrera de Oude en

Valdes Leal. De laatste was echter zoo hoogmoedig en eigenzinnig van

aard, dat Murillo ten slotte de leiding der school aan hem overliet,

en alleen in zijn atelier onderricht gaf. Het einde van den grooten

kunstenaar was zeer treurig. Bij het beschilderen van de kapel in het

capucijner klooster te Cadix viel hij van een steiger, en bezeerde

zich zoo, dat hij na eenige maanden van hevig lijden overleed.

Na Murillo's dood was het met de sevillaansche school, in eigenlijken

zin, gedaan.

Verlangend om nog meer van de kunstschatten te bewonderen, waaraan

het schoone Andalusië zoo rijk is, verliet ik op een Zondag Sevilla,

om het klooster van Santiponce te bezoeken en de plek te zien, waar

vroeger het oude Italica lag. Wij kwamen voorbij het thans geheel

vervallen klooster van San Isidor del Campo, aan de rivier gelegen,

dat in 1595 door een vreeselijke overstrooming van den Guadalquivir

geheel werd verwoest, maar door de monniken op een hooger gelegen

plek weder opgebouwd. Het kleine klooster van Santiponce, het doel

van onzen tocht, dat niet ver van de wallen van het oude Italica

is gelegen, wordt thans bewoond door een ouden geestelijke, die er

waarschijnlijk van honger zou moeten omkomen, als hij zijn jachthond

en zijn geweer niet had. Want er komen weinig bezoekers te Santiponce,

en Sevilla heeft dan ook zooveel kerken, dat de vromen der stad hun

heil niet buiten haar muren behoeven te zoeken.

Juist kwam de pastoor met een volle weitasch thuis, toen ik zijn woning

naderde, en hij ontving zeer vaderlijk en welwillend de welkome gast,

die hem in zijn eenzaamheid eenige afleiding kwam bezorgen.

Hij had mij veel merkwaardigs te vertoonen. Vóór den ingang der kerk

bevindt zich een put, waarvan de steenen rand is uitgesleten, daar

ieder geloovige, die er voorbij gaat, den vinger in de holte wrijft,

en dien daarna eerbiedig aan de lippen brengt, 't Is de plaats,

naar de oude pastoor mij verhaalde, waar eens de heilige Isidorus,

die in zijn jeugd een wilde knaap was, de wanhoop zijner ouders,

en de plaag zijner leermeesters, een oude vrouw water zag putten, en

op zijn vraag, hoe het mogelijk was dat het touw, waaraan de emmer

hing, zulk een diepe holte in den rand had geschuurd, ten antwoord

kreeg: "Tegen aanhoudende wrijving is zelfs de hardste steen niet

bestand." Dat woord bracht den toekomstigen heilige tot inkeer; hij

deelde zijn broeder, die later Sint Leander werd, mede, dat hij van

plan was zich te beteren, en werd van toen af aan een der vlijtigste

leerlingen van zijn school. Later bouwde hij, als bisschop van Sevilla,

een klooster op de plek, die zijn Damaskus was geweest. In de kerk

van Santiponce bevindt zich een prachtige Jeronimus in de woestijn,

van Montanes, en bekoorlijke bas-reliefs van denzelfden meester,

die de geboorte van Christus en de aanbidding der wijzen voorstellen.

In de zijkapellen zag ik de beelden van Don Guzman de Goede en zijn

vrouw Dona Maria Coronel; die de benoodigde som voor den bouw van het

klooster hadden geschonken. De schenkingsacte werd met de regels der

orde tweemaal in het jaar de monniken voorgelezen, een gebruik, waarvan

nimmer mocht worden afgeweken. De waardige pastoor zou echter thans

geen ander gehoor hebben bij deze plechtigheid, dan zijn huishoudster

en zijn hond; en de nagedachtenis van Don Guzman wordt beter geëerd

door de herinnering aan zijn dappere daden en zijn trouw aan den

koning. Alfonso de Wijze had om zijn oudsten zoon, Don Sanchez, voor

een daad van verzet te straffen, aan een zijner jongere zonen, Don

Juan, de steden Sevilla en Badajoz nagelaten. Maar daar Don Sanchez

na zijn vaders dood weigerde, zijn broeder in het bezit te laten van

deze erfenis, en de Cortez zich verzette tegen een splitsing, ging

Don Juan over tot de Mooren, en verzaakte zijn plicht als Christen,

om zijn eerzuchtige plannen te verwezenlijken. De opstandelingen

belegerden eerst Tarifa, met het voornemen later Sevilla in te nemen.

De stad werd verdedigd door Don Alonzo Perez de Guzman. Daar het

beleg dreigde langdurig te zullen worden, zond Don Juan aan den

bevelhebber in 't geheim een bode, die hem 1000 doblos bood, als hij

de stad wilde overgeven. Doch Don Guzman antwoordde: "Zeg aan hem,

die u gezonden heeft, dat het een groote schande zou zijn, de zege

te verkoopen aan overwonnenen, en een nog grootere lafhartigheid,

als soldaten de vrijheid kochten met geld."

Daarop wilde Don Juan zien, wat bedreigingen vermochten. Door het

verraad van een spion gelukte het hem, zich meester te maken van Don

Guzman's oudsten zoon, een knaap van tien jaren. Hij bracht zelf het

kind voor de wallen van de stad.

"Don Guzman, herkent gij dit kind?"

"Het is mijn eigen zoon, Don Pedro Alonzo de Guzman."

"Geef bij het aanbreken van den dag de stad over, of uw zoon moet

sterven."

Don Guzman wierp een blik vol droefheid op zijn kind, en zeide:

"Ik geef Tarifa niet over; want het behoort aan koning Sanchez, die

het mij heeft toevertrouwd; maar in de plaats van mijn zoon zal ik

u zijn gewicht in goud en in zilver geven."

"Ik eisch de overgave der stad."

"Mijn zoon is niet geboren om het werktuig te worden van

opstandelingen, maar om te strijden voor de eer van zijn vaderland. Als

gij mijn zoon doodt, schenkt gij hem het leven, mij de zegepraal,

en overlaadt uzelf met schande."

Hij trok zijn dolk uit de scheede, wierp dien naar beneden en riep:

"Als gij een wapen noodig hebt, om uw laaghartig plan te volvoeren,

zie hier dan het mijne! Eer zou ik mijn vijf andere zonen voor mijn

oogen laten dooden, dan Tarifa overgeven."

Daarop verliet hij de wallen en begaf zich naar zijn woning ("daar het

de tijd was van het middagmaal" voegt de kroniekschrijver erbij). Zijn

houding was zoo kalm en vastberaden, dat zijn vrouw niet bespeurde

door welk een angst hij werd gekweld. Plotseling werden luide kreten

vernomen. Don Guzman stond van de tafel op, en trad naar buiten.

"Wat beteekent dit rumoer?"

"O edele heer, men heeft uw zoon gedood!"

"Was het noodig, dat gij mij kwaamt storen? Ik dacht dat de vijand

de stad was binnengedrongen."

De belegeraars waren wreed genoeg, om het hoofd van het kind met een

slinger over den wal te werpen, maar toen Don Juan begreep, dat de

stad zich niet zou overgeven, hief hij het beleg op. Don Guzman liet

het hoofd van zijn zoon met groote plechtigheid begraven en later

vervoeren naar het klooster van Isidor del Campo.

Alles spreekt van verval rondom het oude klooster Santiponce, ook

het romeinsche circus, waarvan de steenen gebruikt worden voor de

bestrating der naburige landwegen.

De zon ging onder en wierp een rooden gloed op de oude muren,

toen ik het circus verliet langs een weg, waar anjelieren, jasmijn,

geraniums en rozen bloeiden, en hooge cactussen hun vleezige bladeren

en stekelige stengels verhieven.

Uit de verte klonk het geblaat der kudden, die afdaalden naar den

Guadalquivir, en de melancholieke tonen van het gezang der herders. De

schemering valt snel in Andalusië. Reeds glinsterden sterren aan den

hemel, en in de verte verried een lichtgloed aan de lucht, waar het

schoone Sevilla lag, dat ik thans ging verlaten om mij te begeven

naar Granada.

Het was nog zeer vroeg in den morgen, toen onze trein stilhield

bij het station Granada, het Garnatha der andalusische koningen. Ik

had de oogen wel willen sluiten om het perron niet te zien; liever

had ik te voet een pelgrimstocht gedaan naar de stad, die zooveel

Christenbloed heeft doen stroomen. Een breede, goed onderhouden

weg, met leelijke moderne huizen, gaslantaarns en een tramway, heet

n.b. Straat der Katholieke Koningen. Achter het open, zonnige plein,

waarop deze straat uitkwam, zag ik gelukkig donker geboomte schemeren,

en langs een fraaie, maar moderne fontein kwam ik dan ook spoedig

in het Alameda, een bosch van boomen, waarnaast de hooge bogen der

kathedraal van Sevilla zouden verzinken in het niet. Prachtige lanen

van reusachtige platanen, waartusschen stroomende beekjes murmelen,

strekken zich uit langs de oevers van den Jenil, die schuil gaat onder

de rozen, mirten, jasmijn en granaatboomen der aangrenzende tuinen aan

de overzijde. Plotseling opende zich een plek in het bosch, van waar

men een prachtig uitzicht geniet op de Sierra Nevada en haar kroon

van sneeuwtoppen. Op den voorgrond staat een fraaie groep, Koningin

Isabella voorstellend, die uit Columbus' hand de Nieuwe Wereld ten

geschenke ontvangt.--Dit alles verzoende mij een weinig met Granada,

en verder poogde ik dan ook maar de moderne straten en pleinen zooveel

mogelijk over het hoofd te zien en, waar het kon, te vermijden. Er

bleven nog altijd genoeg oude en karakteristieke straatjes en steegjes

over, en het deed er voor mij weinig toe of ik al een omweg maakte,

als ik maar eerst den grooten weg bereikte, die naar het Alhambra

leidt. Dit is een schaduwrijke laan midden door een uitgestrekt bosch

van olmen, beuken, platanen, esschen en populieren, zóó dicht geplant,

dat zelfs op den vollen middag geen zonnestraal door het looverdak

dringt, maar alles in een groene en gouden schemering is gehuld. Aan

het aanhoudend geruisch van het gebladerte paart zich het murmelen

van liefelijke beekjes, die van de hoogten komen stroomen, kleine

watervalletjes vormend, en in fijne straaltjes droppelend tusschen de

ineengewarde ranken van lianen, wilde wingert, winde en kamperfoelie,

die den bodem bedekken en zich slingeren om de hooge stammen.

Aan het einde van de laan houdt een standbeeld van Karel V de wacht

voor een monumentale poort, gekroond met den tweehoofdigen adelaar;

maar hoewel deze ingang op zichzelf niet leelijk is, maakt zij toch

op verre na niet den indruk, dien de poort van den Toren van het

Recht bij ons opwekt.

Midden in den voorgevel van een zwaren, vierkanten bouw, waarvan de

steenen door het mos dat ze bedekt, een prachtige verweerde tint hebben

gekregen, opent zich een hoefijzervormige poort van indrukwekkende

afmetingen. In den sluitsteen is een primitieve afbeelding gebeiteld

van een hand, die een sleutel tusschen de vingers houdt. De oorsprong

van den naam van den toren is bekend. Hachach Yusuf, die hem in 1348

liet bouwen, oefende hier de rechtspleging uit, in een soort van

nis gezeten. Dit feit wordt door inschriften gestaafd, waartusschen

de regels van den Koran staan gevlochten: "Er is geen ander God dan

Allah", en "Buiten Allah is geen kracht, noch macht".

De weg, die onder de poort doorloopt, stijgt verder tusschen

betrekkelijk nieuwere muren, waarboven, tegen den voet der wallen,

geheele hangende tuinen verrijzen, vol bloemen en vruchten, oranje- en

granaatboomen en tropische gewassen in overvloed, terwijl men van deze

terrassen een heerlijk uitzicht geniet op de Sierra Nevada. Eindelijk

kom ik op het Plein der Waterputten, waar groote boomen staan

en limonadeverkoopers de dorstigen te drinken geven. Het is een

aardig gezicht, als die oude koperen watervaten in den put worden

neergelaten en er beslagen weer uit worden opgehaald. In de schaduw

der zware boomen staan banken, die den bezoeker tot rusten noodigen,

want het uitzicht is zoo heerlijk, dat men het paleis vergeet voor de

omgeving. Terwijl ik mijn blik over het schilderachtig landschap laat

weiden, herinner ik mij de beschrijving van Granada, die ik juist

heb gelezen in de kroniek van den geschiedschrijver der katholieke

koningen, Fray Antonio Agapida.

"Luistert dan", zegt hij, "als ik u, in mijn enge kloostercel

gezeten, ga verhalen van het beleg en de overgave van Granada, waar

de Christenstrijders en de ongeloovige Muzelman elkander elken duim

gronds van het schoone Andalusië betwistten, tot de halve maan, dat

verafschuwde zinnebeeld, werd nedergeworpen in het stof en het gewijde

kruis, het teeken onzer verlossing, in zijn plaats werd verheven.

Van Toledo naar Granada, deel 2 De Aarde en haar Volken, 1907 · 第 3 / 4 段