de Monteria genoemd, ter herinnering aan de Monteros de Espinoza,
de oude garde der spaansche koningen, die in de rondom het plein
gelegen zalen was gehuisvest. Door een lange galerij komt men in een
groote besloten ruimte, het Patio de los Leones. Aan de linkerzijde
daarvan rijst de prachtige voorgevel op, met een monumentale, rijk
versierde ingangsdeur. Onder een sterk vooruitspringende kroonlijst,
die gedragen wordt door dunne met goud en kleuren beschilderde balken,
zien wij een fries, waarop de ruimten tusschen de banden met arabische
spreuken zijn versierd, die den binnentredende verwelkomen, terwijl
op den steenen architraaf met gothische letters de woorden gegrift
zijn: "De zeer verheven, machtige, edele en roemruchtige Don Pedro,
bij de gratie Gods Koning van Castilië en Leon, beval deze zalen en
deze poorten te bouwen, hetgeen geschiedde in het jaar 1364." Pedro I
bouwde echter niet het geheele paleis, al veranderde hij veel van wat
de Romeinen, de Gothen en Arabieren hadden tot stand gebracht. Het
paleis kan zijn oosterschen oorsprong niet verloochenen, en de
christelijke kunstenaars, die het voltooiden, zijn geïnspireerd door
den arbeid hunner mohammedaansche voorgangers. Pedro I spaarde geen
moeite, om het Alcazar tot een grootsch verblijf te maken. Negen
jaren lang, van 1355 tot 1364 beijverde hij zich, om hier al de
weelde en pracht ten toon te spreiden, die het kenmerk waren van zijn
tijd. Kostbare marmeren zuilen, ontnomen aan gebouwen in Cordova,
Valencia en Medinah Azahra, werden met groote kosten vervoerd, en
aan de bekwaamste werklieden toevertrouwd.
De muren werden bedekt met een ragfijn kantwerk van vergulde en
beschilderde arabesken; kostbare houtsoorten, ingelegd met ivoor
en parelmoer, vormden de bedekking der zolderingen en gewelven,
en het benedengedeelte der wanden was met een lambrizeering van
verglaasde tegels in de prachtigste kleurenharmonieën versierd. De
bewerking der met verschillende houtsoorten ingelegde deuren werd aan
de beste schrijnwerkers van Toledo opgedragen. Zoo kwam het waarlijk
grootsche geheel tot stand, dat echter veel heeft te lijden gehad,
door brand, door aardbevingen, en eindelijk door den cycloon van 1775,
die muren omver wierp, daken afrukte, en eeuwenoude boomen heeft
ontworteld. Thans trekt, onder de vele schoonheden, waarop het gebouw
kan roemen, nog altoos het werk van Pedro I de meeste aandacht, en wekt
de grootste bewondering op. Een zonderlinge en geduchte verschijning
roept het beeld van dezen vorst op voor ons geestesoog. Hij vertoont
in menig opzicht verwantschap met Lodewijk XI. De terechtstelling
van zijn broeder, Don Enrique, dien hij koelbloedig liet ter dood
brengen, ofschoon deze zich vrijwillig in zijn macht had begeven,
het lot van zijn ongelukkige echtgenoote, Blanche van Bourbon, die
in de gevangenis werd opgesloten, terwijl hij leefde met de schoone
Maria van Padilla, hebben de nakomelingschap bewogen tot tranen van
medelijden met de ongelukkige slachtoffers, en hun hart vervuld met
afgrijzen van den geweldenaar. Omtrent de strengheid, waarmede hij
regeerde, zijn nog vele verhalen in omloop.
Volgens de overlevering moet Don Pedro als een tweede Haroun al Rasjid
des nachts zijn paleis hebben verlaten, om zelf de ronde te doen in
de straten van Sevilla. Hij gaf echter de dienaren der wet meer werk,
dan dat hij hen behulpzaam was om de orde te handhaven. Op een zekeren
nacht verliet de vorst een huis, dat hij als goed christen beter had
gedaan niet te betreden, en een voorbijganger, die hem herkende, kon
zich niet weerhouden, een uitroep van verwondering te slaken. Pedro
had zeker goede reden om zijn incognito te willen bewaren, want hij
trok zijn dolk, dien hij den onvoorzichtigen voorbijganger in het hart
stiet, en maakte zich ijlings uit de voeten. Ongelukkig had hij een
bekende eigenaardigheid, zijn kniegewrichten kraakten als hij zich
snel bewoog.
Den volgenden morgen herinnerde hij zich, wat dien nacht gebeurd was,
en liet Don Martin Fernandez Ceron ontbieden, die toen alcade was
van Sevilla.
"Weet gij", vroeg hij hem, "dat vannacht een man op straat vermoord
is?"
"Ja, Uwe Majesteit".
"Kent gij den schuldige?"
"Ja, Uwe Majesteit", antwoordde de magistraat, die niet minder goed
op de hoogte wilde schijnen dan zijn meester. Don Pedro zag hem
verontwaardigd aan.
"Goed. Laat het recht zijn loop hebben".
Het was in die dagen gebruik, het hoofd van een moordenaar ten
toon te stellen op de plek zelf waar hij de misdaad had begaan,
tot geruststelling der brave lieden, en om de schurken schrik in
te boezemen. Toen de vorst den dag daarna voorbij de plek ging,
waar hij de misdaad had bedreven, zag hij, in een nis geplaatst,
zijn eigen borstbeeld, met een roode streep om den hals, om aan te
toonen, dat het hoofd van het lichaam was gescheiden. De magistraat,
die den boosdoener kende, maar hem moeilijk kon straffen, had zich
vergenoegd met het onthoofden van zijn afbeeldsel.
De vorst maakte geen aanmerkingen, en verdroeg zwijgend de hem
toegediende les. Hij liet niet eens de buste verwijderen, die bijna
drie eeuwen bleef staan op dezelfde plek, en waarnaar de straat:
"Straat van het hoofd van Don Pedro" genoemd is. Hij schonk zelfs
de oude vrouw genade, die uit het venster van een naburig huis
getuige was geweest van zijn misdrijf, den moordenaar herkende aan
het kraken zijner kniegewrichten, en hem aan den schout verraden
had. Misschien was het volk Don Pedro eer genegen dan het tegendeel;
want hij onderdrukte met ijzeren vuist de trotsche edelen, en was
toegevend voor zijn geringere onderdanen. Vandaar, dat hem twee
benamingen werden geschonken, die van Peter de Rechtvaardige, naast
dien van Peter de Wreede. Het historisch onderzoek heeft aan het licht
gebracht, dat de strengheid van dezen vorst haar oorsprong vond in
den toestand van anarchie, die bij zijn troonsbeklimming heerschte,
en ingrijpende, strenge maatregelen van zijn kant noodzakelijk maakte.
Zeker is het, dat Isabella de Katholieke, meer dan een eeuw na Pedro's
dood, naar Sevilla kwam, met het doel de twisten te beslechten,
die in Andalusië waren ontstaan tusschen twee families, Pons en
Guzman genaamd, en dat zij daarin enkel kon slagen, door met groote
gestrengheid op te treden. Uit stukken, in het stedelijk archief
bewaard, blijkt dat gevechten werden geleverd tusschen de verschillende
wijken, straten, ja zelfs huizen. Elk paleis was een vesting geworden
en van de transen der torens schoot men op het volk. De stad ging op
deze wijze haar ondergang tegemoet.
De opstand was zoo ernstig, dat kardinaal Mendoza Isabella ten zeerste
afried, zich naar Andalusië te begeven. Doch de Koningin kende geen
vrees, waar de plicht haar riep. "Ik weet, welk gevaar mij dreigt",
zeide zij; "doch ik stel mijzelve in Gods hoede. Ik zal beslist
optreden; aan mij de taak om recht te oefenen." Terwijl zij het aan
Ferdinand overliet, de oproerige edelen in het Noorden in bedwang te
houden, trok zij bij korte dagreizen naar Andalusië, zonder militair
geleide, slechts vergezeld van een talrijk gevolg van bisschoppen,
pages en edelvrouwen. De beschrijving van haar intocht werd onlangs in
het archief der stad ontdekt. Men kan den stoet volgen van de poort
van Macarena, die met goudlaken was behangen, tot aan de Kathedraal
en het Alcazar, waar de vorstin verblijf zou houden. Men vindt
hier zoowel den prijs vermeld van het brokaat, de zijden kwasten,
en het passementwerk van den troonhemel, waaronder de vier en twintig
raadsleden de Koningin tegemoet traden, als de som, die Pedro Nunez de
Guzman betaalde voor het ros, waarop hij gezeten was, in de hand den
Pendon van Sevilla dragend, de beroemde koninklijke banier, die als
kostbare reliek in het Ayuntamiento wordt bewaard. Het was niet voor
de eerste maal, dat Isabella dat prachtige vaandel mocht begroeten,
het was veeleer een herinnering aan blijde zegepraal, want het ging
de troepen voor bij de inneming van Granada en had den val van het
moorsche rijk aanschouwd. Bij het lezen van die oude documenten
met hun aanschouwelijke beschrijving, hoort men het klokgelui,
het gezang der priesters, en de kreten der luidruchtige menigte;
men ziet die bonte mengeling van typen, Joden, Mooren en een geheele
kolonie van negers, die mede door de vorstin waren opgeroepen. De
blijde ontvangst, die haar te beurt viel, versterkte Isabella in
de overtuiging, dat het vorstelijk gezag nog werd geëerbiedigd in
de stad, aan wier trouw zij niet getwijfeld had. Doch zij was niet
enkel gekomen om zich te laten huldigen. Drie maanden lang wijdde
zij zich aan de taak van het verzoenen der twistende partijen, en
onderzocht persoonlijk elk rechtsgeding. Met groote strengheid ging
zij hierbij te werk, en weldra had zij onder de schuldigen zulk een
heilzamen schrik weten te verbreiden, dat vierduizend inwoners de
stad ontvluchtten en in het gebergte of in Portugal een schuilplaats
zochten. De geestelijkheid had niet verwacht, dat de jeugdige vorstin
zoo krachtig zou optreden. Vreezende, dat de stad ontvolkt zou worden,
smeekten zij den aartsbisschop van Cadix, Don Pedro de Solio, hun
voorspraak te zijn bij de Koningin, haar de van ouds bekende trouw
der stad in herinnering te brengen, en vergiffenis te verkrijgen voor
de schuldigen, om zoodoende althans de onschuldigen te sparen. De
Vorstin liet zich ten langen leste verbidden, en de stad, eindelijk
van den druk der burgeroorlogen bevrijd, kon weder ruimer adem halen,
dank zij de krachtige wijze, waarop Isabella de rust had hersteld.
Na de poort, door Don Pedro gebouwd, treden wij door een vestibule
in een klein patio, waarin eenige jaren geleden een trap ontdekt
werd, overwelfd door een stalactietenzoldering, waarin een lofspreuk
prijkt op dienzelfden vorst. Daarop volgt het patio de las Doncellas,
waar Karel V in de gepleisterde friezen de keizerlijke adelaars met
uitgespreide vleugels heeft aangebracht, en de zuilen van Hercules,
het wapen van zijn huis.
Gelukkig heeft hij de lambrizeering gespaard, die een bepaalde
periode vertegenwoordigt in de geschiedenis der Spaansch-Moorsche
keramiek. Gedurende den tijd dat de Mooren in Andalusië heerschten,
waren de tegelbekleedingen der wanden nog echt mozaïekwerk, een
samenvoeging van onregelmatige veelhoeken van wit, groen, blauw
en zwart email, zoo kunstig aaneengevoegd, dat de grenslijn bijna
onzichtbaar werd. Het werk was tijdroovend, moeilijk en kostbaar,
maar niet minder volmaakt dan de perzische mozaïken uit hetzelfde
tijdperk. Op deze wijze was de lambrizeering van het Patio de las
Doncellas vervaardigd, evenals die van meerdere gebouwen uit de 14de
eeuw. Later, in de 15de en 16de eeuw, maakten de emailwerkers gebruik
van platen, waarop de lijnen van het patroon in smalle opstaande
randen waren aangegeven, en de hierdoor ontstane verdiepingen werden
met email van verschillende kleur gevuld. Deze wijze van behandeling
werd cuerda seca genoemd.
Aan dit Patio grenst de zaal der Gezanten, een der grootste wonderen
van het Alcazar. De hoefijzervormige bogen, die, in groepen van drie
naast elkander geplaatst, aan de vier zijden toegang tot de zaal
verleenen, rusten op prachtig gebeeldhouwde kapiteelen, gedragen door
kolommen van een zeldzame marmersoort. Boven die bogen is het muurvlak
als met een fijn netwerk van gouddraad bedekt, tot aan de fries,
die een reeks portretten vertoont van alle koningen, die over Spanje
hebben geregeerd. Deze zijn echter te dikwijls overgeschilderd, dan
dat men over hun artistieke waarde thans nog zou kunnen oordeelen. Ook
de schoone Maria van Padilla is hier binnengeslopen. Maar zij ziet er
niet bekoorlijker uit dan al de andere sombere mansportretten. Men
moet het ijzeren balkon beklimmen, dat Karel V heeft laten bouwen,
en dat rondom de zaal loopt, op de hoogte der portretten, om de
trekken te herkennen der schoone minnares van Pedro I, die hij na
haar dood tot koningin liet uitroepen, een eer, waaraan zij haar
tegenwoordigheid in dit schitterend gezelschap heeft te danken.
De overigens wel wat nietige balkons van Karel V stellen ons in staat
om van nabij den prachtvollen koepel van cederhout te bewonderen,
die de zaal overwelft, en waarin op de meest volmaakte wijze het hout
in alle denkbare samenstellingen van geometrische lijnen en vlakken
is aaneengevoegd. Men wist niet, uit welken tijd dit wonderwerk
afkomstig was, en evenmin kende men den naam van den maker, toen in
1842 een architect, die de sterkte van het gewelf wilde onderzoeken,
den sluitsteen liet losmaken. Op de plaat, die deze bevestigde, stond
in gothische letters: "De meester der Koninklijke Werken, Don Diego
Roiz, maakte mij. Het werk werd voleindigd in de maand Augustus van
het jaar onzes Heeren 1427."
Don Pedro stierf in 1369; en dus was het onder zijn opvolger, dat
die fraaie koepel werd voltooid.
Uit de zaal der Gezanten treedt men binnen in dat gedeelte van
het paleis, dat door Karel V en zijn voorouders is herbouwd. De
ontvangzaal van den grooten Keizer is grootsch van ontwerp, en bedekt
met een prachtige caissonzoldering. De omlijstingen der vakken zijn in
oosterschen stijl gehouden, maar op de kruispunten zijn menschelijke
koppen aangebracht, in haut-relief, die zeer forsch en krachtig zijn
behandeld. De wanden zijn met een lambrizeering van beschilderde
tegels bekleed. De deuren en vensters zijn betrekkelijk klein, doch
de deurposten en vensterkozijnen zijn fraai bewerkt en versierd met
inlegwerk, waarin spreuken tusschen de geometrische teekening zijn
gevlochten. Met de tapijten, die werden opgehangen tusschen de fries en
de lambrizeering, en waarmede ook de vloeren waren bedekt, tryptieken
en reliquieënkastjes, eenige meubelstukken, die de vorsten medenamen op
hun reizen, kisten, waarin kostbaarheden, boeken en kleedingstukken
waren geborgen, was het ameublement compleet, dat voldeed aan de
eischen van koningen als Karel V en Philips II. Sommige meubels
bleven in de bewaarplaatsen van het paleis geborgen, anderen werden
geleverd door de stad, zooals bij voorbeeld bedden en bedgordijnen. In
de rekeningen der stad wordt de som vermeld, door Sevilla besteed aan
den aankoop van het genueesch fluweel, dat aan Isabella de Katholieke
werd aangeboden, om de gordijnen te laten vervaardigen voor het bed,
waarop haar eenige zoon, prins Juan, geboren werd.
Het zou jammer zijn, niet een blik te werpen in het bekoorlijke patio
de las Munecas, of der Poppen, dat ondanks de herstellingen, die het
heeft ondergaan, nog een kunstwerk is van den eersten rang. Men zou
dan trouwens ook niet de beruchte bloedvlek zien, die de moord van den
ongelukkigen Don Enrique op het marmer heeft achtergelaten, en die de
tijd noch de menschenhand heeft kunnen uitwisschen. Maar wij behoeven
ons daarover niet al te zeer te bekommeren, want de kroniekschrijver,
die den gids in dit geval tegenspreekt, beweert, dat de prins buiten
het paleis door den dolk van den moordenaar werd getroffen.
Wanneer men in de gunst staat bij den paleisbewaarder, en dit was in
hooge mate het geval met onzen geleerden metgezel, den archeoloog,
José Gestoso, mag men ook de vertrekken der eerste verdieping bezoeken,
die de leden der Koninklijke familie bewonen, als zij Sevilla met een
bezoek vereeren. Behalve de plafonds, die dagteekenen uit den tijd
van Philips II en Philips IV, en verschillende fraaie tapijten uit
Madrid, uit de achttiende eeuw, zijn hier meest intiemere herinneringen
bijeengebracht. Zoo ziet men hier fraaie portretten van Isabella II
en haar zuster, later hertogin van Montpensier, als meisjes. Vier
groote doeken stellen forsch gebouwde Asturische vrouwen voor met
regelmatige trekken, landelijke schoonheden. Het zijn de minnen,
die de eer hebben gehad den kleinen Alonzo XII en de infanta's,
zijn zusters, als voedster te dienen.
Ook bevindt zich hier een kostbare merkwaardigheid, het met email
versierde altaar uit het bidvertrek van Isabella van Castilië, waarbij,
volgens de overlevering, het huwelijk werd voltrokken van Karel V
met Isabella van Portugal, de toekomstige moeder van den somberen
Philips II, wier blonde schoonheid door het penseel van Titiaan is
vereeuwigd. De emailbekleeding is een voorbeeld van het cuerda seca,
de vulling tusschen opstaande randen, waarover wij reeds vroeger
hebben gesproken.
In de teekening der ornamenten volgden hierbij de Spanjaarden steeds
oostersche voorbeelden, doch zij brachten nieuwe motieven aan, door
tusschen de geometrische lijnen kleine plaatjes in te voegen, waarop,
tegen een melkwitten grond, schilden, wapens en fantastische diervormen
zijn afgebeeld, die aan de monsters der gothiek herinneren. Na
den aanvang der 16de eeuw echter greep in de behandeling dezer
versieringskunst een groote verandering plaats. Inplaats van de
aaneengevoegde stukken, of de verhoogde vakken van vroeger, wordt nu
de vlakke plaat uit de hand beschilderd, wat den kunstenaar een veel
grootere vrijheid liet. De heer José Gestoso deelt in zijn studie over
de sevillaansche keramiek belangrijke bijzonderheden mede omtrent de
wijze, waarop deze omkeer heeft plaats gegrepen. Door de betrekkingen,
die tusschen Spanje en Italië waren aangeknoopt, deed zich ook in het
iberisch schiereiland de invloed der renaissance gevoelen. Aangelokt
door de macht en den rijkdom der katholieke vorsten, trokken vele
kunstenaars naar Sevilla, dat langzamerhand een der voornaamste steden
van Spanje was geworden. Vasari verhaalt, dat Lucca della Robbia
meerdere van zijn werken aan den koning van Spanje zond, en dat Antonio
Pallando in 1480 een groot bronzen bas-relief, voorstellende een groep
worstelende mannen, eveneens voor dien vorst vervaardigde. In Andalusië
ontmoetten de italiaansche kunstenaars schilders en beeldhouwers, die
den invloed der vlaamsche school hadden ondergaan, en uit die gelukkige
vereeniging werd de sevillaansche kunst geboren. Het altaarstuk in het
hierboven vermelde bidvertrek van Isabella is een treffend voorbeeld
van dit samensmelten van de italiaansche en vlaamsche richtingen. Boven
het altaar verrijst een plaat van vierkante tegels, beschilderd met een
voorstelling van het bezoek der heilige Maagd bij haar nicht Elizabeth,
dat in zijn naïeve bekoorlijkheid aan de primitieve gratie der werken
van Van Eyck herinnert. Beneden, aan den rand van het tafereel, rust
de patriarch Isaï, in diepen slaap verzonken, het hoofd steunend op
de rechterhand. Uit zijn borst ontspruiten twijgen en lofwerk, dat met
zijn bloeiende ranken de figuren omslingert van profeten en voorvaderen
van Christus. Deze guirlande eindigt boven het midden der schilderij
in de figuren van de heilige maagd en het Christuskind. Onder het
beeld van Maria staat: _Francisco Niculoso me fecit_. En op den linker
pilaster het jaartal 1503. Deze versieringswijze, waarbij de kunstenaar
op het effen tegelvlak zijn verbeelding vrij spel kon laten, wordt
pisano genoemd, naar den kunstenaar van dien naam, die kort voor den
dood van koningin Isabella haar vertrouwen en haar bescherming wist
te winnen. Hij versierde, met den beroemden Pedro Millan, de poort
van Santa Paula, waarbij de twee kunstenaars op wonderbare wijze de
vlakke tegelbeschildering wisten te vereenigen met het bas-relief.
Ook Karel V koesterde, evenals zijn voorgangers, een bijzondere
voorliefde voor deze versieringswijze. De groote feestzaal, die
hij op het oudste gedeelte van het Alcazar liet bouwen, levert
hiervan het bewijs. De lambrizeering van tegels in deze zaal is een
triomf van de italiaansche kunst. Levensgroote, nobel gedrapeerde
figuren worden afgewisseld door medaillons, grotesken, vogels,
fantastische diervormen, die zich ontwikkelen uit sierlijke ranken en
bloemguirlanden. Deze lambrizeering beslaat, met die der vestibule,
die aan de zaal grenst, eene oppervlakte van 589 meter en draagt
het monogram van den maker, Cristobal de Augusta. Daar de feestzaal
van Karel V thans niet is bevloerd, zoodat men er rondwandelt in het
stof, en enkel dienst doet als bewaarplaats voor oude badkuipen en
de versieringen, die bij volksfeesten worden gebruikt, is de toegang
verboden. Vreemdelingen hebben zelfs geen vermoeden van haar bestaan;
wat niet te verwonderen is, daar zij bij een bezoek aan het paleis
door strenge gidsen worden rondgeleid langs een weg, die eens voor
al is afgebakend.
Ook in de sevillaansche beeldhouwkunst van dezen tijd bespeurt men
duidelijk den invloed der italiaansche kunstenaars, die zich in grooten
getale naar Spanje begaven, gelokt door de voorspiegelingen van den
rijkdom, dien het goud der Nieuwe Wereld had aangebracht, en die al
spoedig de vlaamsche en duitsche school aldaar verdrongen. In het
werk van Pedro Millan althans zijn klaarblijkelijk sporen van dien
invloed te ontdekken. Al blijft de groote kunstenaar de traditie
getrouw, zijn werken treffen ons steeds meer door die argelooze
weergave der natuur, die juistheid van uitdrukking, en dat machtige
gevoel, dat het kenmerk is van een zeker idealistisch realisme,
dat de aanraking met italiaansche meesters meer en meer in hem tot
ontwikkeling bracht. Vooral in de prachtige beeldenrij, die de beide
deuren der kathedraal versiert, bekend onder den naam van Bautismo
en Nacimiento, komt dit karakter aan het licht. De hoofden, handen en
voeten verraden nauwkeurige studie, vrij van alle conventionaliteit,
de plooien der gewaden voegen zich naar de lichaamsvormen, die
zij bedekken, zonder ze eng te omsluiten. Het borstbeeld van een
bisschop, met zijn uitdrukking van vrome zachtmoedigheid, doet ons
den kunstenaar kennen, die een hartstochtelijke vereering gevoelt
voor de natuur en daarbij zijn techniek tot de hoogste volmaking
heeft gebracht. Omtrent de geboorteplaats en de afkomst van den
grooten kunstenaar, die deze werken schiep, is niets bekend; maar hij
geniet de eer, voor den grootsten beeldhouwer uit dit tijdperk der
andalusische kunst te worden gehouden. Na hem bereikte de italiaansche
invloed haar toppunt in den genialen kunstenaar Pietro Torrigiano,
een man van een heftig en hartstochtelijk karakter. Hij was in 1470
te Florence geboren. Reeds begon de roem van den jongen kunstenaar
zich te verbreiden, toen hij bij een twist met Michel Angelo, die
afgunstig op hem was, dezen den neus brak door een slag met een stok.
Daar hij door deze daad den toorn had opgewekt van Lorenzo de Medici,
vluchtte hij naar Rome, verwisselde den beitel met het zwaard, nam
dienst bij een troep condottieri, en bracht het zelfs tot den rang van
luitenant. Daar hij echter niet snel genoeg werd bevorderd, nam hij
zijn ontslag uit den krijgsdienst, en keerde terug tot de kunst. Na
zich opnieuw door enkele meesterwerken roem te hebben verworven,
begaf hij zich naar Engeland, en van daar naar Andalusië, waar hij
zich vestigde in Sevilla.
Doch na vergeefsche pogingen te hebben gedaan tot het verkrijgen
der opdracht, om de graftombe der katholieke koningen te ontwerpen,
stierf hij in 1522, in een der kerkers van de inquisitie, als
het slachtoffer van zijn opvliegend karakter. Vasari vermeldt, dat
Torrigiano beschuldigd werd, een beeld van de heilige maagd te hebben
stukgeslagen, omdat de hertog van Arcos weigerde, den prijs ervoor
te betalen dien hij vroeg. Meer was niet noodig om in de klauwen der
inquisitie te geraken.