"Meer dan acht eeuwen waren verloopen sedert de arabische veroveraars

den ondergang van het Spaansche rijk hadden bezegeld door de nederlaag

van Don Roderik, den laatsten der gothische koningen. Doch sedert dien

tijd was het eene koninkrijk na het andere door de Christenvorsten

heroverd en slechts het machtige Granada verbleef onder de heerschappij

der Mooren.

"De stad Granada is gelegen in het midden van het koninkrijk, in een

golving van de Sierra Nevada, een keten van besneeuwde bergtoppen. Zij

is gebouwd op twee hooge heuvels, gescheiden door een breede vallei,

waardoor de rivier de Darro stroomt. Op een dier heuvels verrijst

het koninklijk paleis en de vesting, het Alhambra genaamd. Zeker

spreidt geen paleis ter wereld zulk een barbaarsche pracht ten toon

en de Moorsche koning, die het bouwde, was bekend met de geheimen der

verborgen wetenschap. Zonder de machtige hulp der alchemie, waarvan

hij zich bediende, kon hij zulk een kostbaar werk niet hebben volvoerd.

"Aan de overzijde verheft zich de andere bergtop, waarop het rijke,

dichtbevolkte stadsgedeelte is gebouwd, het Albaycin genaamd,

en de vesting Alcazaba. De hellingen van dezen hoogen heuvel zijn

bedekt door meer dan zeventig duizend huizen, gescheiden door nauwe

straatjes en kleine pleinen, volgens moorsch gebruik. De huizen hebben

binnenplaatsen en de tuinen, die besproeid worden door stroomend water,

zijn beplant met oranje-, citroen- en granaatboomen, zoodat het een

zeer schoonen aanblik oplevert, deze gebouwen zich te zien verheffen

uit het dichte gebladerte. Het geheel is omgeven door hooge muren,

waarop honderd dertig torens verrijzen en waarin twaalf versterkte

poorten zijn. Door de hooge ligging en de nabijheid van de steeds

met sneeuw bedekte Sierra Nevada, heeft de stad niet te lijden

van de zomerwarmte en als in andere steden de hitte verschroeiend

is, speelt een zachte koelte rond de zuilen van het Alhambra. Toch

wordt de heerlijkheid van Granada nog overtroffen door de pracht der

vruchtbare vlakte, de Vega, die zich uitstrekt in een wijden boog van

zeven en dertig mijlen in omtrek, omsloten door hooge bergen. Het is

een kostelijke tuin, vol wonderbare schoonheid, waardoor stroomen

helder water vlieten en als een zilveren lint de Jenil kronkelt,

waarin zich de Darro heeft uitgestort. Met de bedrevenheid en het

geduld, dat hun aard kenmerkt, hebben de Mooren het water der rivier in

kleine kanalen en stroompjes weten te verdeelen, die de oppervlakte

van den bodem besproeien en geen duim gronds dor of onvruchtbaar

laten. De bergen zijn bedekt met oofttuinen en wijngaarden, het dal

is een bloementuin, en in de vlakte golft in den wind het graan, dat

een rijken oogst belooft. Daar groeien in milden overvloed oranje,

citroen, vijg en granaat en de moerbeiboom, welks bladeren de fijnste

zijde leveren. De wijnranken slingeren zich van tak tot tak en de druif

laat zijn zware trossen hangen over het nederige dak der boerenhut;

de nachtegalen zingen ongestoord, in een woord de aarde is zoo schoon,

de lucht zoo liefelijk, de hemel zoo helder in deze verrukkelijke

streek, dat de Mooren hun hemelsch paradijs verplaatst mochten wanen

onder den azuren koepel die haar overwelft".

Zoo beschrijft de kroniekschrijver de hoofdstad van Andalusië.

Het behoeft dus geenszins onze verwondering te wekken, als wij in de

vlakte de witte muren zien schemeren van de stad Santa Fé, die door de

katholieke koningen werd gebouwd gedurende het beleg, nadat hun kamp

verwoest was, om hierdoor blijk te geven van hun onwrikbaar voornemen,

Granada te bemachtigen, hoe lang de stad ook weerstand mocht bieden.

In de tien jaren, gedurende welke Ferdinand en Isabella reeds den

hardnekkigen strijd hadden gevoerd tegen het kalifaat, hadden

zij door wonderen van dapperheid de eene vesting na de andere

ingenomen. Alhama, Loca, Lapera, Baza, Almuneca, Ronda waren hun

reeds in handen gevallen. Malaga, dat dapper werd verdedigd en vrij

was naar den zeekant, was ten slotte ook bezweken.

Gedurende dat verschrikkelijk beleg ontsnapte het koninklijk paar

ternauwernood aan den dolk van een fanatieken Moor, die, in de meening

den Vorst en de Vorstin doodelijk te treffen, Don Alvaro van Portugal

zwaar verwondde en Dona Isabella de Bobadilla, hofdame en vriendin der

Koningin, een lichte kwetsuur toebracht, daar het dichte goudborduursel

op haar kleed de kracht van den dolkstoot brak.

Het beleg van Granada was het laatste en moeilijkste van dien

langdurigen oorlog. Het werd, nadat het reeds eenige malen was beproefd

en opgeheven, voor goed hervat op den 11den April 1491 en reeds op den

25sten November van dat jaar werd tot een wapenstilstand besloten. De

stad zou zich overgeven, zoo binnen zeventig dagen geen hulp kwam

opdagen. Ferdinand en Isabella bezaten te veel doorzicht en waren

te zeer bedreven in de politiek om niet alle pogingen tot bijstand

uit Afrika te verhinderen. Boabdil, tot wanhoop gedreven, wenschte

ten slotte niets meer dan het lijden van zijn volk een einde te zien

nemen en het in de genade der overwinnaars aan te bevelen. Nog was

het tijdperk, voor den wapenstilstand vastgesteld, niet verstreken,

toen hij van zijn plannen den koning en de koningin liet verwittigen.

Uitbundig was de blijdschap van Ferdinand en Isabella bij het vernemen

dezer tijding, en niet minder groot was de verrukking der soldaten, die

eindelijk de vruchten zouden plukken van zulk een langdurigen strijd.

Den volgenden morgen verguldden nauwelijks de eerste zonnestralen de

toppen der Sierra Nevada, toen in het kamp der Christenen reeds alles

in rep en roer was. Een afdeeling ruiterij, aangevoerd door Hernando

de Talavera, bisschop van Avila, begaf zich op weg en richtte hun

schreden naar dat beroemde Alhambra, dat zich hoog boven de stad

verhief, waarvan het de trots en de glorie uitmaakte. Daar men tot

voorwaarde had gesteld, dat de belegeraars niet onmiddellijk de stad

zouden binnendringen, was hun een weg aangewezen door de poort der

Molens tot op den top van den Berg der Martelaren en van daar langs

een onderaardschen gang naar het Alhambra. Bij dien uitgang aangekomen,

ontmoetten zij Boabdil, vergezeld van eenige ruiters. Aan zijn vizier

Yusuf Aben Comija had hij de droeve taak opgedragen de verwinnaars in

de vesting binnen te leiden. "Ga, heer", zeide hij tot den aanvoerder

van den troep, "en neem deze sterkte in bezit, die Allah uw machtigen

vorst wil schenken tot straf voor onze zonden".

Intusschen hadden de koning en koningin met een groot gevolg van edelen

en monniken in optocht Santa Fé verlaten en trokken door de Vega. Zij

hielden stil in het dorp Armilla, een kwartier van de stad gelegen,

van waar men duidelijk de torens der vesting kon onderscheiden. Daar

brachten zij nog eenige angstige oogenblikken door van twijfel en

onzekerheid.

De oogen op den torentop gevestigd, waar het teeken hunner zegepraal

zou moeten verschijnen, begrepen zij niet, dat zooveel tijd had kunnen

verloopen, eer hun boodschapper de vesting had bereikt, en vroegen zich

reeds af, of hun getrouwen niet misschien waren vermoord, of de stad

zich niet tegen Boabdil's besluit had verzet, toen plotseling een kreet

van vreugde ontsnapte aan ieders mond. Op den toren toch blonk in de

zon het zilveren kruis, dat de bisschop van Avila er plaatste in stede

van de gevallen halve maan, en dadelijk daarna wapperde van den trans

de banier van den heiligen Jacobus. "Santiago, Santiago!" riep men, en

toen de koninklijke vlag zich trotsch ontplooide, juichte men van alle

zijden: "Castilië!! Voor koning Ferdinand en koningin Isabella!" Diep

bewogen viel het vorstenpaar op de knieën en Ferdinand hief de handen

ten hemel, onder het uitspreken van een vurig dankgebed. Overstelpt

van blijdschap zette de stoet zich opnieuw in beweging en bereikte

weldra een kleine moskee, aan den oever van den Jenil. Dit was de plek,

waar de ongelukkige Boabdil de overwinnaars zou ontmoeten. Vergezeld

van een vijftigtal getrouwen kwam hij hun tegemoet, en wilde van

zijn paard stijgen om hen te begroeten. Doch Ferdinand verhinderde

hem dit, en wilde zelfs niet, dat Boabdil hem de hand zou kussen,

ten teeken van onderwerping. Ontroerd over deze grootmoedigheid,

wilde de moorsche vorst niet nalaten, zijn dank voor deze welwillende

bejegening te betuigen, hij boog diep en kuste den rechterarm van

den man, die hem van zijn koninkrijk had beroofd. Ook de koningin

weigerde de eerbiedsbetuigingen van den overwonnen vorst en gelastte,

hem zijn zoon weder te geven, die als gijzelaar was uitgeleverd.

Boabdil drukte het kind aan zijn hart, en beiden schenen zich door

dit wederzien over hun ongeluk te troosten. Met groote waardigheid

en de gelatenheid, die elke muzelman onder rampen aan den dag legt,

reikte Boabdil Ferdinand de sleutels der stad over.

"Deze sleutels", zeide hij, "zijn een laatste aandenken aan de

arabische overheersching in Spanje. Aan u, heer, al onze zegeteekenen,

ons koninkrijk, en onze persoon; het is Gods wil. Ontvang ze met de

gevoelens van goedertierenheid, die gij ons hebt verzekerd, dat u

bezielen, en waarom wij u bidden."

Ferdinand verborg zijn blijdschap onder een kalm voorkomen. "Twijfel

niet", sprak hij, "aan onze belofte. Door onze vriendschap zult gij

herwinnen, wat de krijgskans u deed verliezen."

Daarop verwijderde zich de onttroonde vorst, en de koninklijke stoet

trok verder. Dichtbij het Alhambra kwam hen een droevige rij tegemoet

van bleeke, vermagerde gestalten, met lang haar en verwilderden baard,

beladen met rammelende ketenen. Het waren vijfhonderd gevangenen,

die jarenlang in de kerkers der Mooren hadden gesmacht. Dadelijk

gelastte de koning, hun boeien te verbreken, en zij werden met de

grootste liefde en toewijding verpleegd en beweldadigd.

Zoo eindigde de heerschappij der Mooren in Spanje. Zij had 777 jaren

geduurd, sedert den val van Roderik, den laatsten koning der Gothen,

aan de oevers van den Guadalete, in het 89ste jaar der Hegira,

of vlucht van Mohammed, "dien God moge verderven", zegt Agapida,

de vrome geschiedschrijver der kruistochten.

Eenige dagen later, op den zesden Januari, Drie koningendag,

deden Ferdinand en Isabella hun plechtigen intocht in de stad, en

volbrachten zoodoende, na tien jaren arbeidens, de verovering van

dit tweede Jeruzalem.

Eerst trok de stoet naar de moskee, die voortaan een christelijke

kerk zou zijn. Van daar begaf men zich naar het Alhambra, waarvan

de poorten gastvrij waren geopend voor allen, die aan den heiligen

oorlog hadden deelgenomen.

De leeuwenhof, de zaal der twee zusters, de patios en de torens,

al wat thans nog van het Alhambra over is, en veel, wat sedert is

vernietigd, wekte de verbazing van tallooze ridders, edelvrouwen,

pages en monniken, die om strijd de pracht bewonderden dier

weergalooze wanden, met hun sierlijke arabesken, en lambrizeeringen

van email, agaat en marmer, die gewelven van cederhout, paarlemoer

en ivoor, die stalactietenzolderingen, schitterend in de heerlijkste

kleuren. De vorsten lieten hun troon plaatsen in dezelfde zaal, waar

de kalifen hadden gezeteld. De voornaamste inwoners van Granada werden

uitgenoodigd, hen daar te verwelkomen, evenals de afgevaardigden van

alle naburige plaatsen, die zich nog niet hadden overgegeven. Zoo was

dan Spanje weder een christelijke staat geworden. De eerste mis werd

gelezen in de zaal van het Recht, die thans nog ongeschonden is bewaard

gebleven, en waar het koepelgewelf een beschildering vertoont, waarvan

men tot nog toe niet heeft kunnen uitmaken, of deze door italiaansche

of moorsche kunstenaars is ontworpen. Het zijn tien moorsche vorsten,

ieder in de geijkte houding op een kussen gezeten, met de eene hand

rustend op de sabel, die aan een rijk versierden bandelier om hun

schouders hangt, de andere in vermanende houding opgeheven. Zeker is

het, dat zich nog vele moorsche schilders in Granada bevonden, toen de

stad weder in handen der Christenen geraakte. In een bevelschrift, door

Isabella uitgevaardigd, gedateerd van Medina del Campo, 21 December

1480, en gericht tot een inwoner van Toledo, Francisco Chacon, pintor

mayor getiteld, ter belooning van bewezen diensten, leest men:

Het is verboden, dat eenig Jood of Moor zich zal verstouten, het

gelaat van onzen Heiland en Verlosser, Jezus Christus of van de

heilige Maagd, Zijne moeder, of van eenigen anderen heilige, of iets,

wat ook, dat op het heilige katholieke geloof betrekking heeft, af te

beelden, op straffe van een boete van 5000 maravedis, te storten in

de koninklijke schatkist, zoo dikwijls dit gebod wordt overtreden....

Hieruit blijkt dus, dat de moorsche schilders niet ongeneigd waren

christelijke onderwerpen te kiezen.

Het vorstelijk echtpaar nam een gedeelte van het Alhambra in gebruik;

maar wel verre van het weergalooze paleis te bederven, hielden zij

het in eere, droegen zorg voor het onderhoud, en voltooiden waar het

noodig was, wat hun voorgangers hadden begonnen. Hun kleinzoon Karel

V volgde daarin niet hun voorbeeld; hij brak sommige gedeelten af,

en verbouwde andere naar zijn smaak en in den geest van zijn tijd. Al

wat onder zijn regeering in het paleis werd tot stand gebracht,

draagt een zwaar en overladen karakter, dat niet bij de omgeving past.

Isabella van Castilië stierf te Medina del Campo in 1504, nauwelijks

vier en vijftig jaren oud, maar afgemat door de vermoeienissen hare

zorgvolle regeering.

In haar testament gelastte zij, dat haar lijk naar het klooster

San Francisco zou worden overgebracht, in het Alhambra gelegen,

op de plaats der vroegere moskee. Het moest daar blijven, tot haar

echtgenoot de plaats zou hebben uitgekozen, waar hun beider praalgraf

zou worden opgericht.

Een jaar daarna liet Ferdinand een gebouw ontwerpen, waarin,

volgens den wensch der overleden vorstin, voortaan het stoffelijk

overblijfsel van alle spaansche koningen zou worden bijgezet. Het

werk werd opgedragen aan Enrique Egas, en naderde zijn voltooiing,

toen Karel V eveneens besloot, in Granada een kerk te bouwen, vlak

bij het graf zijner voorouders.

De eerste steen werd gelegd in 1523. De architect, Rodrigo Hernandez

wilde, der traditie getrouw, het gebouw in gothischen stijl doen

verrijzen. Maar zijn opvolger Siloe bracht hierin verandering, en wist

bij den koning zijn plannen door te zetten, zoodat thans op de zware

gothische zuilen korinthische kapiteelen prijken, die het koepelgewelf

dragen. De kerk is grootsch van verhoudingen, maar maakt een kouden

en somberen indruk. Men heeft haar somtijds vergeleken bij de Sint

Pieterskerk te Rome, en zij is als het ware het voorbeeld gebleven

voor alle spaansche kerken uit de zestiende eeuw.

Alonzo Cano, een schilder en beeldhouwer van groote verdiensten,

verrijkte de nieuwe kerk met schoone werken van zijn hand, zooals de

Maagd van het Rosario, de heilige Bruno, en een hoofd van Johannes

den Dooper. Toch voelt men zich gedrukt onder het kolossale gewelf,

en de koninklijke kapel, die, hoewel een kerkgebouw op zich zelf,

toch bescheidener afmetingen vertoont, brengt ons voor het eerst

onder den indruk van de rust dier gewijde plek.

Midden in het schip der kerk, die gebouwd is in den vorm van een

latijnsch kruis, ziet men twee graftomben van wit marmer, in zuiver

italiaanschen stijl, waarop twee gekroonde paren rusten. De hoogste en

meest rijk versierde is het praalgraf van Philips den Schoone, die op

zijn zeven en twintigste jaar stierf, en Johanna de Waanzinnige, die

veertig jaren over Spanje den scepter voerde. Hun grootste roem was

het, de ouders van Karel V te zijn. Het andere graf is de rustplaats

van Ferdinand V en Isabella I, de katholieke vorsten. Toen Philips IV

de asch van zoovele andere koningen in het Pantheon van het Escuriaal

liet bijzetten, eerbiedigde hij den wensch zijner voorouders en liet

hen rusten te Granada, waar zij hun grootste triomfen hadden gevierd.

Voor het altaar ziet men de twee knielende figuren van Ferdinand en

Isabella, en deze beschilderde beelden zijn zoo levenswaar en vol

uitdrukking, dat men, na langdurige beschouwing, verwonderd den blik

van hen wendt naar de strakke gedaanten, die op de graftombe liggen

uitgestrekt.

Niet alleen hun beeld echter is het, dat een levendige herinnering aan

deze beroemde dooden wakker roept. In de sacristie worden herinneringen

bewaard, die blijk geven van de opofferende deugd, door de vrome

vorstin ten toon gespreid. Door een kroon en scepter te dragen van

_verguld zilver_, door met eigen hand de misgewaden en kerksieraden

te borduren, en de juweelen, geborgen in een eenvoudig kistje,

te gelde te maken, was de vorstin in staat, de noodige middelen te

verschaffen tot een zoo langdurigen strijd, die deze opofferingen dan

ook met gelukkigen uitslag heeft beloond, en haar en haar echtgenoot

onvergankelijken roem heeft verworven.

End of Project Gutenberg's Van Toledo naar Granada, deel 2, by Jane Dieulafoy

Van Toledo naar Granada, deel 2 De Aarde en haar Volken, 1907 · 第 4 / 4 段