In 1260, vertelt hij, onder de regeering van Alonzo X, vierd

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

VAN TOLEDO NAAR GRANADA.

Naar het Fransch van Jane Dieulafoy.

Wanneer men zich van Toledo naar Granada begeeft, zou men bijna

geneigd zijn, te gelooven dat men in een andere luchtstreek was

verplaatst. Men betreurt de koele nachten van Castilië, wanneer de

verschroeiende solano, als een ademtocht uit de afrikaansche woestijn,

over het land strijkt. En even verschillend als de beide provinciën,

zijn de beide hoofdsteden ervan. Terwijl de oude gothische stad,

als een verlaten arendsnest, troont op de rotsen, tegenover de

hooge klippen welke de Taag bespoelt, en vol hoogmoed haar vervallen

torens, de bouwvallen harer paleizen en hooge sombere kloostermuren

doet verrijzen, breidt zich de stad van Abd-el-Rhaman uit langs

de oevers van den Guadalquivir, die in grillige bochten door een

vruchtbare vlakte stroomt. En wanneer men die menigte lage, kleine

witte huisjes ziet, bijna banaal in hun nieuwheid, met de frissche

kleuren van hun bloemrijke patios en de geraniums en anjelieren,

die bloeien achter de kleine vensters, kan men het slechts als een

dichterlijke vrijheid beschouwen, als Victor Hugo spreekt van "Cordove

aux maisons vieilles". Trouwens bij nadere beschouwing blijkt ook

Cordova nog niet geheel gemoderniseerd te zijn. Overal vertoonen

zich sporen van het verleden; romeinsche beelden op de hoeken der

straten, latijnsche opschriften, gebeiteld in steenen, die voor

moderne bouwwerken gebruikt zijn, samengestelde moorsche boogvormen,

en oude wapenschilden boven de poorten van sommige gebouwen, waarvan

de kleuren elk voorjaar nieuw worden opgeschilderd.

Toledo vertegenwoordigt het Westen, met zijn feudaalstelsel en zijn

kloosters, Cordova het Oosten van na de romeinsche overheersching. De

paleizen van Toledo zijn vestingen, die in hun onwerkelijke grootheid

te huis schijnen te behooren in een heldendicht, de huizen van Cordova,

slechts een verdieping hoog, en rondom een binnenplein gebouwd,

doen denken aan de woningen van Herculanum en Pompeï.

Zelfs in het volkstype en de kleederdracht is het verschil merkbaar

tusschen Castilië en Andalusië. De oogen der vrouwen zijn hier

zwart, haar lippen rooder, haar gelaatskleur donkerder en haar gang

fierder, dan bij haar castiliaansche naburen. In het gitzwarte haar

der andalusische prijkt altoos een bloem, en een luchtig omhulsel van

chenille vervangt de kanten mantilla, die in de noordelijke provinciën

gedragen wordt. In plaats van den doek, dien in Castilië de vrouwen

met een punt op den rug dragen, en waarvan de slippen op de borst

worden geknoopt, wordt hier een shawl van zachte, soupele stof om

de schouders geslagen, en om middel en heupen geplooid op een wijze,

die aan den griekschen chiton herinnert.

Hoe meer men met Cordova bekend en vertrouwd raakt, des te duidelijker

dringen onder de zware laag, waarmede de Islam en de christelijke

renaissance ze bedekt heeft, de sporen van het antieke verleden

der stad zich aan ons op; zóó duidelijk, dat het, met behulp der

geschiedkundige overlevering, mogelijk wordt, zich een vrij juist

begrip te vormen van deze verdwenen stad der oudheid.

Silius Italicus bezingt haar in zijn gedicht op den tweeden punischen

oorlog en spreekt van haar als een der steden die Hannibal bijstonden;

Strabo vermeldt haar vermaardheid als zetel der wetenschap en zegt,

dat haar oude wetten op rijm zijn geschreven; Claudius Marcellus

geeft haar boven alle andere steden van het schiereiland de eer, een

romeinsche kolonie te zijn, met alle voorrechten daaraan verbonden;

de beide Seneca's en Lucanus aanschouwen binnen haar muren het

levenslicht. Eeuwen later is zij de heilige stad der Visigothen,

waar concilies worden gehouden, de stad der geleerden, beroemd om haar

scholen en haar welsprekendheid. De arabische overheersching werkt mede

tot haar bloei, en haar grootheid stijgt ten top onder Abd-el-Rhaman,

die haar tot de hoofdstad verheft van het westersch kalifaat. Haar

bevolking stijgt tot een millioen inwoners, haar paleizen, baden,

scholen, fonteinen worden bij honderden geteld; zij steekt Bagdad en

Damaskus naar de kroon, en geen hoogdravende vergelijkingen zijn bij

machte de grootheid uit te drukken van dit "Athene van het Westen,

de voedster der wetenschappen, de wieg van helden, de moeder van

vorsten, de zetel der vroomheid, de toevlucht der overlevering,

en het toonbeeld van schoonheid en schitterende praal".

Bij al haar macht en heerlijkheid toonde Cordova zich verdraagzaam

en edelmoedig. Na de verovering der stad door de Mooren vergolden de

laatsten haar die eigenschappen op waardige wijze. Zij deelden hun

tempels met de Christenen, en toen zij de bewonderenswaardige moskee

bouwden, die thans nog het belangwekkendste schouwspel oplevert van de

geheele stad, maakte zij zich niet met geweld meester van den daarvoor

benoodigden grond, maar kochten dezen van de bezitters, en stelden hen

in staat, hun eigen kerken te bouwen, evenals zij de Joden vergunning

verleenden, synagogen op te richten. Misschien is dit de reden,

waarom na zooveel eeuwen de oude moskee ongeschonden verrijst, als

een herinnering aan een verleden van waarachtige vroomheid. Haar muren

zijn niet ondermijnd door godsdiensthaat. In 770, onder het bewind van

den beroemden Kalif Abd-el-Rhaman werd de bouw begonnen. Vijftig jaren

van overheersching hadden de Mooren vasten voet verschaft in dit land,

waaraan zij, behalve hun wetenschap, de kennis van den landbouw hadden

geschonken, en de kunst, die de woonplaatsen der menschen veredelt en

verfraait. Het oude heiligdom, dat verrezen was op de bouwvallen van

een Janustempel, werd afgebroken, en weldra werden uit Afrika en al

de romeinsche koloniën in Spanje de tallooze zuilen aangevoerd, aan

voormalige bouwwerken der oudheid ontnomen, die het dak van gesneden

cederhout zouden schragen. Uit Byzantium zond keizer Leo kostbaar

marmer, en het werk werd begonnen. Het plan der moskee was eenvoudig,

als al wat waarlijk grootsch en schoon is. Aan de eene zijde van

een groot binnenplein, beplant met oranjeboomen, en omgeven door een

galerij, verhieven zich negentien zuilengangen, gericht naar Mekka,

de godsdienstige pool der mohammedaansche wereld. De middelste, die

het rijkst was versierd, leidde naar den mihrab. Deze gangen werden

rechthoekig doorsneden door twintig andere gaanderijen, waarvan de

zuilen, op gelijke hoogte afgesneden, als een woud vormden van op

regelmatige afstanden geplaatste stammen. Met verwonderlijke snelheid

ging de bouw voort.

Om strijd beijverde ieder zich, bijdragen te leveren, 't zij door

gaven of door persoonlijke deelname aan den arbeid. Abd-el-Rhaman

gaf zelf het voorbeeld door elken dag een uur mede te werken aan de

grootsche taak. Weinige jaren later bezat Cordova een der schoonste en

grootste moskeeën ter wereld. De mihrab was toen nog niet voleindigd;

want de prachtvolle mozaieken, waarmede deze is versierd, konden

zoo snel niet worden vervaardigd, maar toch konden de Mohammedanen

er trotsch op zijn, der wereld een nieuw wonderwerk te hebben

geschonken. Zij gingen voort, het te verfraaien met kostbaarheden;

lampen, waarin welriekende olie brandde, poorten van brons, marmer

en agaat, en werden niet moede, steeds schooner versieringen uit

te denken. Het kunstwerk was onovertroffen schoon, toen Ferdinand

III zich van Cordova meester maakte, in 1239. Daarmede was het

doodvonnis der stad geteekend. Beroofd van haar glorie als hoofdstad,

onderworpen in stede van verheerlijkt, verloor zij inwoners, rijkdom

en macht, en ging haar ondergang tegemoet. Toch bleef de schoone

moskee van Abd-el-Rhaman gespaard. Men vergenoegde zich, met in het

midden een kapel op te richten, gewijd aan den heiligen Ferdinand,

den schutspatroon des overwinnaars, terwijl de prachtige mihrab,

die bedekt was met een kolossale marmeren plaat, in den vorm van

een schelp, en waarvan de mozaieken op goudgrond konden wedijveren

met die der Sint Markus-kerk in Venetië, verborgen werd achter een

smakeloos aanhangsel, dat de geloovigen belette, het heiligdom te

aanschouwen, maar dit misschien ook voor gewelddadige vernieling

heeft behoed. Meer dan drie eeuwen verliepen; tot in het jaar 1523

bisschop Alonzo Manrique het eerzuchtige plan opvatte, een groote,

indrukwekkende, nieuwerwetsche kathedraal te laten bouwen. Had hij

daartoe slechts een geschikte ledige plek gekozen, dan zou thans

misschien Cordova zijn nagedachtenis zegenen. Maar hij verkoos

zijn nieuwe kerk, met het koor voor de kanunniken, die bang waren

voor tocht, te bouwen midden in de moskee, naast den koepel van den

heiligen Ferdinand. Zijn plan vond echter geen algemeene instemming. De

Ayuntamiento was verontwaardigd en verklaarde, dat niemand het gebouw

zou schenden, op straffe des doods. De bisschop wendde zich tot Karel

V, en het gelukte hem van dien vorst een volmacht te verkrijgen,

waartegen niemand zich durfde verzetten. Men brak het beschilderde

en gebeeldhouwde dak van cederhout af, men verwijderde de zuilen, die

het schraagden, en het zware logge bouwwerk, dat thans de perspectief

der zuilengangen breekt, en ook van buiten het gezicht op de moskee

bederft, rees triomfantelijk omhoog, tot voldoening van den bisschop

en tot verontwaardiging der bewoners van Cordova. Drie jaren later

bezocht Karel V op zijn terugreis van Vlaanderen de nieuwe kerk. Toen

hij zag, hoezeer hier tegen den goeden smaak was gezondigd, kon hij

zijn ontevredenheid niet onderdrukken. "Had ik maar geweten", riep hij,

"hoe schoon dit gebouw was! Dan had ik nooit toegestaan, dat het zoo

werd geschonden!" En tot de verzamelde geestelijken voegde hij erbij:

"Wat ge hadt, vond nergens zijn wederga op de wereld, en wat ge nu

hebt gemaakt, vindt men overal."

Thans is Cordova wel doordrongen van de waarde harer schoone moskee,

die zoovele vreemdelingen trekt. De bedekkingen, die den mihrab

verborgen, zijn weggenomen, de cederhouten zolderingen, die met

een laag pleister waren bedekt, zijn weer voor den dag gekomen,

de muren zijn afgekrabd, en de oude versieringen in eere hersteld,

en al ging dit herstellingswerk langzaam, als alles in Spanje,

het werd nogtans met veel zorg en omzichtigheid ondernomen. Of het

afschuwelijke uitsteeksel van bisschop Manrique ook zal verdwijnen? Dit

is niet waarschijnlijk. De oude moskee wekt ieders bewondering, maar

dwingt geen eerbied af; de onaanzienlijke altaren in de kapellen zijn

armoedig en slecht onderhouden. Men spreekt vroolijk over alledaagsche

zaken in Allah's woning, terwijl men zwijgt en een kruis slaat bij

het binnentreden eener kerk, zelfs al slapen onder de steenen die uw

voet betreedt, geen lang gestorven grootwaardigheidsbekleeders den

eeuwigen slaap. Hier liggen slechts enkele bisschoppen begraven,

en de beroemde Dona Maria de Guzman de Paredes, die schitterende

lauweren behaalde aan de universiteit van Alcala, onder de regeering

van Philips III. De dichter Gongora, wiens gezwollen stijl in de 17e

eeuw opgang maakte, rust hier ook, in een kapel, die past bij zijn

dichterlijke vlucht, evenals Pedro Cornyo, een achttiende-eeuwsch

beeldhouwer uit het vervaltijdperk der kunst.

Van de minaret, die herinnert aan de Giralda van Sevilla, en

waarop drie gouden en zilveren bollen prijkten, is alleen de

onderste verdieping overgebleven. Aan deze verwoesting had geen

menschenhand schuld; de toren is in de 17de eeuw door een aardbeving

ingestort. Herman Ruiz, de bouwmeester van het koor, begon hem in 1503

weer op te bouwen, en Gaspar de la Pena voltooide hem in 1653. Van

den top heeft men een prachtig vergezicht tot aan de Sierra Morena.

Niet ver van de moskee bevindt zich de groote brug over de

Guadalquivir, die leidt naar de vesting Calahora. Men zegt, dat

zij gebouwd is door Octavianus Augustus. De Mooren hebben haar

echter in 815 opnieuw opgebouwd. Als het water in de rivier hoog

is gerezen, en onstuimige golven de plaats innemen van het linnen,

dat er in den warmen zomertijd te drogen ligt, dan schijnen de zware

pilaren bijna niet bij machte, het geweld van den stroom weerstand te

bieden. Cordova moge wereldberoemd zijn door haar prachtige moskee,

de stad ontleent eveneens een zekere glorie aan de herinnering aan

een harer edelste zonen, Gonzalvo van Cordova, ofschoon deze held

het levenslicht aanschouwde in Montilla, een dorp, vlak bij Cordova

gelegen. Zoodra men uit het station komt, gaat men door een breede

nieuwe straat, die naar den Grooten Kapitein is genoemd. Overal hoort

men zijn naam, en het is alsof hij pas is gestorven, zoozeer leeft

hij in ieders herinnering. Als men een getrouw verslag wilde leveren

van zijn veroveringen, zijn edel karakter, zijn groot verstand,

en de praal van zijn levenswijze, zou men een kwart eeuw spaansche

geschiedenis moeten schrijven, uit Spanje's roemrijksten tijd. Maar de

ondankbaarheid der vorsten zou aan hem, als aan Christoffel Columbus,

worden bewaarheid. Zooals Columbus werd vervolgd, omdat hij Spanje

een nieuwe wereld had geschonken, zoo werd Gonzalvo vernederd,

omdat hij Italië veroverd had. Isabella kon de misstappen van haar

baatzuchtigen echtgenoot niet meer goedmaken. Ferdinand ging zoover,

van rekenschap te eischen der geldelijke uitgaven, gedurende zware

veldtochten, waarbij Gonzalvo zijn geheele fortuin had opgeofferd ter

wille van de eer des vaderlands. Zijn antwoord was trotsch, zooals

een Spanjaard betaamde. "De koning eischt rekenschap van mij. Ik zal

hem zijne en mijne rekening voorleggen, en men oordeele wie van ons

beiden de schuldenaar is."

Eenige maanden later zond hij het verslag in van een geheel leven

van toewijding en eervolle opoffering.

"De rekening van Gonzalvo van Cordova. 200736 dukaten en negen realen

aan monniken, nonnen en aan de armen, om God de zegepraal der spaansche

legerscharen af te smeeken. Honderd millioen voor lansen, kogels

en strijdbijlen, honderdduizend dukaten voor kruit en kanonskogels;

tienduizend dukaten voor geparfumeerde handschoenen, om de troepen

te beschermen tegen de lucht der lijken van onze vijanden, op het

slagveld uitgestrekt. Honderdzestigduizend dukaten ter vernieuwing

van de klokken, versleten door het aanhoudend feestelijk inluiden van

onze behaalde zegepralen. Vijftigduizend dukaten aan brandewijn voor

de troepen, in één veldslag. Anderhalf millioen voor de bewaking der

gevangenen en gewonden. Een millioen voor missen en Te Deums ter eere

van den Almachtige. 700494 voor spionnen etc. En honderd millioen

voor het geduld, waarmede ik den koning heb aangehoord, toen hij

rekenschap eischte van den man, die hem een koninkrijk had geschonken."

Ferdinand las zonder groote ontroering "Las cuentas del Gran Capitan",

maar jaloersch van ieder die in de gunst had gestaan der Koningin,

liet hij den held sterven in ongenade en der wanhoop ten prooi. Eerst

na den dood van Gonzalvo liet hij den man recht wedervaren, die zijn

nijd niet meer kon opwekken, en een lijkdienst voor hem vieren in de

koninklijke kapel van Granada.

Nog kan Cordova bogen op den roem, de vaderstad te zijn van een groot

dichter, Juan de Mena, een der schitterendste hovelingen aan het hof

van Juan II, koning van Castilië en vader van de groote Isabella. Hij

stierf in 1456. Behalve door hare moskee en den roep harer geleerdheid,

was Cordova wereldberoemd door een bijzonderen tak van nijverheid,

de vervaardiging van fraai bewerkte en gekleurde ledersoorten, die

in de 16de en 17de eeuw veelvuldig werden gebruikt.

Of deze industrie inheemsch was, of door de Mohammedanen is ingevoerd,

valt niet met zekerheid te zeggen. De naam _guadamacil_, waarmede van

ouds het goudleer werd aangeduid, dat later bekend was onder den naam

_brocaderos y cueros_, is van arabischen oorsprong. Hij zou kunnen

zijn afgeleid van Ghadames, de afrikaansche stad, waarvan het leder,

evenals dat van Tunis en Marokko, in de tiende eeuw beroemd was, als

"marokijn van den Levant." Zeker is het, dat in Spanje, misschien door

den aard der huiden en het klimaat van het land, de lederfabricatie

steeds op een hoogen trap stond. Strenge verordeningen, uitgevaardigd

onder de regeering der katholieke vorsten, waarborgden dezen tak van

nijverheid een groote toekomst, die op ware verdienste was gegrond. Een

leerling mocht geen eigen zaak beginnen, eer hij zich drie jaar had

geoefend; het toezicht over het gilde was opgedragen aan vertrouwde

meesters; geen werkman werd aangenomen zonder proeven van bekwaamheid

te hebben afgelegd, en het was op straffe van zware boeten verboden,

huiden te gebruiken van dieren, die door ziekte waren gestorven. Dank

zij deze maatregelen was de uitvoer van leder zoo groot, dat in 1552

de Spanjaarden zich over de duurte ervan beklaagden, en eischten dat

de uitvoer verboden werd, evenals met zijde en laken het geval was.

In de straten, waar het leder werd toebereid, rook het niet naar

rozenolie; maar zij boden een schilderachtig schouwspel aan; want het

beschilderde en vergulde leder hing aan de deuren te drogen, 't geen

een fraai en afwisselend gezicht opleverde. Sevilla, Cuidad Rodrigo

en Valladolid wedijverden weldra in dit opzicht met Cordova. In Cuidad

Rodrigo werden alleen met amber geparfumeerde handschoenen vervaardigd

"guantes de ambar", die op den rug der hand waren opengewerkt, en

aan de europeesche hoven veel werden gedragen. De koning van Spanje

gaf ze aan vreemde vorsten ten geschenke, en bij gelegenheid van

het huwelijk van Lodewijk XIV zorgde Philips IV, die den smaak der

koningin-moeder kende, dat hij haar voorzag van handschoenen, harer

vorstelijke hand waardig. Hij gebood aan de koningin te zenden: drie

kisten, een varra breed, met goud beslagen op de hoeken, sloten en

scharnieren, twee andere, groen en wit geëmailleerd, met versierselen

van zilver; vol "cordobans en guantes de ambar." Een afzonderlijke

kist voor den hertog van Anjou, broeder des konings.

De markten, die de Spanjaarden voor zich hadden doen sluiten, bleven

geopend voor hun mededingers. Vooral in Venetië werd hun werk zeer

verdienstelijk nagevolgd en ook in Frankrijk wijdden zich kunstenaars

van naam aan de versiering der stof met schilderwerk. In Cordova is

thans reeds lang deze tak van nijverheid uitgestorven, en de laatste

kostbare overblijfselen van de eens zoo bloeiende industrie, worden

thans tegen hooge prijzen op verkoopingen geveild, om over de geheele

wereld verspreid te worden.

In de tweede helft der 16de eeuw, het tijdperk van Spanje's hoogsten

bloei, leefde te Madrid een advocaat, beroemd om zijn welsprekendheid,

Luiz Verez de Guevara genaamd, die buiten zijn pleidooien nog tijd

vond om vierhonderd tooneelstukken te schrijven. In een daarvan kiest

hij de stad Sevilla tot het voorwerp zijner huldiging en spreekt

haar aldus aan: "Grootsche stad, Kaïro van Spanje, Babylon van

Castilië, wonderbare huizenmassa, gemeenschappelijk vaderland van

hen, die God lief heeft, en waar hij, zooals het spreekwoord zegt,

zijn uitverkorenen hun dagelijksch brood schenkt, gij zijt niet het

achtste wereldwonder, maar een der eerste, welke de eeuwen hebben

verheerlijkt. Gij zijt te groot, om u te spiegelen in de wateren van

den Guadalquivir, den zilveren stroom, die u scheidt van Triana, dat

kristalheldere water, dat een woud van masten draagt tusschen zijn

Gouden Toren en zijn schipbrug. Naar waarheid heet gij, o schoone

en rijke stad, de glorie van Andalusië, de eer van den troon, en de

schoonste parel die de kroon eens vorsten kan sieren." Al schijnt

deze uitbundige lof eenigszins overdreven, nog altijd is het oude

Hispalensis een edelsteen, in goud gevat. Alles is aan haar even

liefelijk en bekoorlijk, de omgeving, de ligging, de rivier, die de

stad besproeit, de heerlijke zon aan den blauwen hemel, de palmen,

die in de tuinen hun kroon met zijn wuivend gebladerte verheffen naast

de onbewegelijke oranjeboomen, de prachtige gebouwen, waarboven de

rooskleurige Giralda oprijst in het azuur van den hemel, het heldere

klokgelui, dat de geloovigen oproept tot het gebed, de woelige,

drukke straten, de vrouwen met haar matte gelaatskleur, het donkere

haar, waarin vurige anjelieren gloeien of zilveren jasmijn blinkt,

en wier slanke gestalte zich drapeert in de bevallige plooien van

geborduurde krippen omhulsels, de mannen met hun vurigen oogopslag, en

de halfnaakte kinderen, welgevormd, als jeugdige godengestalten. Geen

enkel tragisch voorval of heldhaftige daad in Spanje's geschiedenis,

of Sevilla was erin betrokken.

Bij elken stap rijzen beelden uit het verleden voor ons op; kalifen,

overwinnaars, helden, heiligen, machtige vorsten, schilders,

beeldhouwers, pottebakkers, schrijvers, toonkunstenaars, vormen

een glorierijken optocht, en al deze mannen droegen bij tot het

vermeerderen van den roem der heerlijke stad. Een figuur in deze

groote schaar treedt vooral op den voorgrond, de heilige Ferdinand,

die de stad in 1248 aan de Mooren ontrukte, en voor wiens nagedachtenis

Sevilla de diepste vereering is blijven koesteren. Naar den heiligen

Ferdinand is het schoonste harer pleinen genoemd, dat zich, met palmen

beplant, uitstrekt vóór het Ayuntamiento, een zeer fraai stadhuis,

in renaissance-stijl gebouwd, en de geest van den heiligen Ferdinand

schijnt nog in de kathedraal te zweven, waar zijn stoffelijk overschot

rust. Zoodra de castiliaansche vorst de stad had veroverd, wijdde

hij aan den dienst van den God, dien hij vereerde, de gebouwen,

waarin de Mohammedanen hun godsdienstplechtigheden vierden.

De oude moskee Djouma werd het eerst vernietigd. Zij was in 1171

opnieuw herbouwd door den emir Yusuf ben Jacob, en voltooid door zijn

zoon Jacob ben Yusuf al Mansour, te gelijkertijd met de Giralda. Van

het oorspronkelijke bouwwerk is alleen deze beroemde toren, de

minaret der moskee, overgebleven, verder de deur der Vergiffenis,

waarboven een bas-relief prijkt van Miguel Fiorentino, de kapel

van de Granaat, en het klooster van Lagarto, zoo genoemd naar een

krokodil, die er aan het gewelf is opgehangen. Waaraan dit dier, welks

gehuichelde droefheid spreekwoordelijk is, de eer heeft te danken,

de geloovigen en bezoekers bij hun binnentreden in het gebouw te

mogen begroeten? Ondanks zijn leelijkheid is het monster niet meer

of minder dan een huwelijksgeschenk geweest, waaromtrent Zuniga in

zijn kroniek nadere bijzonderheden vermeldt.

In 1260, vertelt hij, onder de regeering van Alonzo X, vierde

Sevilla feest. Er werd een gezantschap verwacht van den Sultan van

Egypte, 't welk de opdracht had, voor den oudsten zoon van dien

vorst de hand te vragen van Dona Berengaria, de dochter van den

christelijken koning. Onder de vele kostbare geschenken, uit het

Nijldal medegebracht, was in de eerste plaats een prachtige krokodil,

zooals men nog nooit in Spanje had aanschouwd. Zuniga vermeldt niet,

welken indruk deze bevallige boodschapper maakte op het hart der

jeugdige prinses, en evenmin wat de uitslag der zending is geweest,

maar wel zegt hij, dat de krokodil na zijn dood werd opgezet, en

onder het kloostergewelf opgehangen, om de herinnering aan deze

merkwaardige gebeurtenis bij het volk levendig te houden. Ondanks

zijn taaie huid kon het dier den tand des tijds niet weerstaan. Daarop

werd uit een boomstam een houten krokodil gesneden, naar het model van

zijn voorganger, en in diens plaats in de kerk opgehangen. Zoo begon

hij langzamerhand een gewichtige plaats te bekleeden in het klooster,

en in een rekening van de kathedraal uit het jaar 1465 wordt een som

genoemd, betaald aan Juan Sanchez voor het schilderen van de krokodil,

en van de muren van het schip der kerk. Hoewel men de kathedraal van

Sevilla binnentreedt door de kapel van de Granaat, en zoodoende geen

voldoende overzicht krijgt van het grootsche oorspronkelijke plan,

wordt men toch getroffen door de ontzaglijke hoogte der bogen en

het indrukwekkende gewelf. In het klooster van Lagarto scheen de

mensch nog zijn normale verhoudingen te bewaren, maar hier is het,

alsof hij inkrimpt, naast de zware basis van zuilen, wier voetstuk

tot ver boven zijn hoofd reikt. Als een nietig wezen staat hij te

midden van dit reusachtig werk van menschenhanden, als verloren in de

ontzaglijke ruimte, waarin behalve op zon- en feestdagen ongestoorde

doodsche stilte heerscht. Het flauwe licht, dat binnendringt door de

overigens zeer talrijke vensteropeningen, draagt er nog toe bij, de

geheimzinnigheid te verhoogen van dit kerkgebouw, dat tegelijkertijd

spreekt tot ziel en zinnen, verbeelding en hart. Somtijds wekt de doffe

klank van het openen en sluiten eener deur, of de voorzichtige tred van

een bewaker of koorknaap een galmende echo, en daarna heerscht opnieuw

dat plechtig en ernstig zwijgen. Het schijnt bijna onmogelijk, dat

buiten de lucht blauw is, de zon schijnt, menschen elkander beminnen,

dat kinderen lachen en spelen, en bloemen en vruchten hun heerlijke

geuren opzenden en kleuren ten toon spreiden.

De kathedraal van Sevilla werd in den gothischen stijl gebouwd, die

strenger en eenvoudiger is dan de fransche gothiek uit dat tijdperk,

en waarin Juan Guas, Juan Colonia en Alfonso Rodrigues uitmuntten, toen

zij de kerken bouwden van San Juan de los Reyes in Toledo, de Cartuja

de Miraflores te Burgos, en de universiteit van Salamanca. Zij verving

de christelijke kerk, die de heilige Ferdinand op de bouwvallen der

mohammedaansche moskee had gesticht, en die door een aardbeving was

verwoest. "Bouwen wij een kerk, zoo groot", zeiden de geestelijken,

"dat zij die haar voleindigd zien, ons voor krankzinnig moeten houden."

Het vrome doel scheen de bouwmeesters te behoeden voor een babylonische

verwarring. Zonder andere middelen dan vrijwillige giften, aalmoezen

van geloovigen, en de opbrengst van aflaten, die daartoe in het geheele

koninkrijk werden verkocht, werd het werk voltooid. De eerste steen

werd gelegd in 1402, de inwijding had plaats in 1519. De bouw had

dus 117 jaar geduurd. Men weet niet, wie het plan heeft ontworpen;

daar dit is verloren gegaan bij den brand van het Alcazar in Madrid,

waarbij zoovele belangwekkende herinneringen zijn vernietigd. Het

was daarheen gebracht op last van Philips II. Sommigen geven de

eer van het ontwerp aan Alonzo Martinez, wiens naam voorkomt in de

rekeningen, den bouw betreffend, van 1396; anderen aan Pedro Garcia,

die in 1421 genoemd wordt. Wie het ook geweest zij, de bouwmeester

van de kathedraal heeft uit eerbied, of uit liefde voor de kunst,

de minaret der moskee gespaard. Een legende beschermde trouwens

dit kunstwerk, en gaf het in de oogen der geloovigen een glorie van

heiligheid. Want bij een aardbeving, die vele gebouwen verwoestte, had

men de verschijning gezien van twee gestorven meisjes, dochters van een

pottebakker uit Triana, Rufine en Justine genaamd, die in haar armen

het beeld droegen van de rooskleurige minaret. Een bekoorlijk tafereel,

dat vele andalusische schilders hebben gepoogd te vereeuwigen. Ook de

kapel van de Granaat, waarvan de zware massa als steun dient voor den

trotschen onderbouw der Giralda, lieten de bouwmeesters onaangeroerd,

evenals de kapel, waar het lijk begraven lag van den heiligen Ferdinand

en andere castiliaansche vorsten. Langen tijd trachtte men te vergeefs

toestemming te verkrijgen, om deze laatste af te breken, tot eindelijk

Juan II gehoor gaf aan dit verzoek, daar de geestelijkheid beweerde,

dat de kapel op het punt stond van in te storten en de grafmonumenten

te verwoesten. "Wil men een hond verdrinken, dan noemt men hem dol",

zegt een spaansch spreekwoord.

Er werd dus verlof geschonken tot het overbrengen der relieken, en

proces-verbaal opgemaakt, benevens een inventaris van den inhoud

der graven. De heilige Ferdinand werd aan het licht gebracht,

met degen en scepter in de hand, gekleed in een oostersch gewaad,

als een kalif of moorsch vorst. Van het lijkkleed, waarin hij was

gewikkeld, en waarin op purperen grond de kasteelen en leeuwen van

Castilië en Leon waren geborduurd, is nog een klein gedeelte bewaard,

dat tentoongesteld is in de Armeria real van Madrid. Het werd in het

archief van het paleis gevonden, in een perkament, waarop vermeld

stond, wat dit bevatte. Volgens denzelfden inventaris was het kleed

met een rand van arabische letterteekens versierd. Dit behoeft ons

niet te verwonderen; want in de dagen van Enrique IV, twee honderd

jaren na den dood van den overwinnaar van Sevilla, leefden de

castiliaansche vorsten en edellieden nog steeds op moorschen trant,

en droegen zij moorsche kleederdracht. De baron van Rosmenthal,

die toen ter tijd het castiliaansche hof bezocht, schrijft in zijn

reisverhaal: "De koning ontving ons, op een tapijt op den grond

gezeten, volgens moorsch gebruik. Hij eet, drinkt, kleedt zich,

en verricht zijn gebeden op de wijze der Mooren". Uit nauwkeurige

beschrijvingen blijkt, dat niet alleen de vorm en versiering

van voorwerpen voor dagelijksch gebruik arabisch bleef; maar dat

ook nog steeds arabische benamingen werden gebruikt voor stoffen,

meubels, wapens, paardentuig en kleederen van mannen en vrouwen. De

mohammedaansche gebruiken waren zoo innig vermengd met de christelijke,

dat bijvoorbeeld op de graftombe van Don Gomez Manrique het hoofd van

het beeld, dat op den steen ligt uitgestrekt, gedekt is met een soort

tulband, die xasia genoemd wordt. De heilige Ferdinand, zijn gemalin

Beatrix en hun zoon, Alfonso de Wijze, rusten nu onder de gewelven der

koninklijke kapel, die in het middenschip der kerk is gebouwd, achter

het hoogaltaar. Het bijna ongeschonden lichaam van den overwinnaar

van Sevilla is te onderscheiden door het met zilver beslagen glazen

deksel van de kist, die slechts bij zeer plechtige en buitengewone

gelegenheden wordt vertoond. In hetzelfde grafgewelf bevindt zich

ook een ivoren tryptichon, dat de overwinnaar van Sevilla aan zijn

zadel placht te bevestigen, wanneer hij ten strijde trok tegen de

ongeloovigen. Het beeld der heilige maagd, dat erop is geschilderd,

de madonna der gevechten genoemd, bekleedt in de harten der bewoners

van Sevilla niet zulk een voorname plaats als de Senora de los Reyes,

die in een andere kapel wordt bewaard. Dit oude beeld werd, naar men

zegt, door den heiligen Lodewijk, koning van Frankrijk, aan den vromen

castiliaanschen vorst vereerd. Geschenken onderhouden de vriendschap,

ook bij heiligen. Het is echter niet waarschijnlijk, dat deze gave den

band tusschen de beide vorsten nauwer heeft aangehaald. Het is een in

vele opzichten zeer merkwaardig kunstwerk. Onder de prachtige gewaden,

die afwisselen naarmate van de feestelijke gelegenheden, waarbij

zij worden gedragen, is een beweegbare pop verborgen, een automaat,

welke in beweging werd gebracht door een uurwerk, dat nu gebroken of

verroest is. De goê gemeente was natuurlijk zeer onder den indruk,

als de Senora het hoofd genadig nederboog, of het van rechts naar links

wendde, als om het oor te leenen aan de smeekingen, die de geloovigen

tot haar opzonden. Het hoofd en de handen, uit cederhout gesneden,

zijn zeer kinderlijk en primitief behandeld. Van het gouden haar, dat

het hoofd bedekte, zijn enkel de gele zijden draden over, die vroeger

met goud waren overtrokken. Het beeld schijnt allerlei veranderingen

te hebben ondergaan, wat gemakkelijk kon gebeuren, onder de bedekking

der prachtige gewaden en mantels, waarmede het omhangen was. De maagd

is van een staande tot een zittende houding overgegaan, terwijl het

kind Jezus, dat later aan de groep is toegevoegd, eerst op den eenen,

en toen op den anderen arm geplaatst werd, en zelfs van een nieuw

hoofd is voorzien, toen het oorspronkelijke was gebroken. Van de

oudste kleederdracht der Senora zijn alleen de schoenen bewaard. Het

kapittel heeft den heer Gestozo y Perez, een geleerd oudheidkundige

te Sevilla, in staat gesteld, ze nauwkeurig te bezichtigen. Het zijn

schoenen van fijn wit geitenleer van Cordova, waarop gouden leliën

zijn geborduurd. Ter weerszijden zijn zij versierd met achtpuntige

gouden sterren, waarboven in gothische letters het woord "amor"

is aangebracht. Zelfs de binnenzijde vertoont een fraaie teekening

van luchtige arabesken. Zij zijn een zeer schoon voorbeeld van de

kunstvaardigheid der handwerkslieden van Cordova, en het best bewaarde

schoeisel eener edelvrouw uit de 13de eeuw. Uit het feit, dat op

deze schoenen leliën zijn aangebracht heeft men gemeend, te moeten

opmaken, dat het beeld van franschen oorsprong was. Maar de gothische

letters zijn daarvoor te slecht geteekend, en ook de behandeling van

het gezicht en de handen doet niet aan fransche kunst denken. Het

is niet onmogelijk, dat deze ledepop uit het Noorden afkomstig is,

uit Holland of Vlaanderen, waar zulke knappe uurwerkmakers waren,

en dat de kleeding in Cordova en Sevilla werd vervaardigd. De

Senora de los Reyes is zeker wel de beschermvrouw der kathedraal;

maar zij is omringd door een schare van jongere zusters. Zoo vindt

men er de Madonna del Pilar, in klei geboetseerd door Pedro Millan,

en de Maagd der Rust, beiden kunstwerken uit het einde der 15de eeuw,

en geheel in den geest der noordelijke kunstenaars behandeld. De

kalme uitdrukking van de laatstgenoemde, de natuurlijke rust van het

slapende kind, de gevoelige behandeling van het materiaal, waaraan

zelfs de beschildering geen afbreuk kan doen, hebben steeds grooten

indruk gemaakt op iederen toeschouwer. Vele legenden zijn in omloop

omtrent de wonderdadige kracht van het beeld. Een zeker dapper ridder,

Fernando de Contreras, had volijverig gestreden tegen de vijanden

der kerk. Maar na een vermoeienden veldtocht voelde hij zijn einde

naderen. Hij vreesde den dood niet; maar zag met angst een langdurig

ziekbed voor oogen. Op zekeren morgen knielde hij in de kathedraal,

en sprak tot de maagd der Rust: "O heilige moeder Gods, als uw

knecht u getrouw heeft gediend, roep hem dan aan uwe zijde in het

paradijs, en schenk hem vrede in het graf." Als de welriekende geur

van voorjaarsbloemen steeg zijn gebed omhoog en de vrome ridder had

nauwelijks deze woorden gesproken, of een lange, dunne slang glipte uit

zijn mond, en op hetzelfde oogenblik kreeg hij zijn gezondheid terug.

Al betoont zich de moeder Gods medelijdend en genadig jegens haar

getrouwen, zij straft de ongeloovigen, die het wagen, haar te

beleedigen, met onverbiddelijke gestrengheid.

Ten minste, dit moet men afleiden uit een ander verhaal, teekenend

voor de onverdraagzaamheid op godsdienstig gebied, die zoo treurig is

in Spanje. Een rijke Jood, die tot het Christendom heette bekeerd te

zijn, ging elken dag naar de kathedraal, om in 't geheim de Heilige

Maagd te beleedigen. Als het scheen alsof hij geheel in gebed en

beschouwing verzonken was, prevelde hij binnensmonds afschuwelijke

verwenschingen. Op zekeren avond, toen hij schijnbaar in vervoering

voor het beeld geknield lag, en het reeds donker begon te worden,

wilden de bewakers, die de deuren moesten sluiten, hem herinneren, dat

het tijd was zich te verwijderen. Toen zij zagen, dat hij niet opstond,

naderden zij hem, en bespeurden, dat hij zich niet kon bewegen, en

zelfs niet kon worden weggedragen, want zijn lichaam was zoo zwaar als

lood. Doodelijk verschrikt biechtte hij zijn misdrijf. "Elken dag",

riep hij uit, "beleedigde ik deze vrouw; thans heeft zij mij gestraft."

De vrome Sevillanen geven de voorkeur aan de drie bovengenoemde

Madonnas, de kunstenaar bewondert nog meer de Concepcion van

Juan Montanes, achter het koor, en een andere Concepcion door

Murillo, die in de sacristie wordt bewaard. De eerste, een heerlijk

kunstwerk van den andalusischen beeldhouwer, heeft altoos algemeene

bewondering gewekt, in 1779 ging men zelfs zoover, het beeld te

ontdoen van de overtollige kleedingstukken, waarmede de geloovigen

hun geliefkoosde heiligen opsieren. Ongelukkig dateert uit dien tijd

de beschildering in kleuren en goud, die echter niet bij machte is,

de zuivere lijnen der draperie te verstoren. Deze madonna is niet

de moeder Gods, zij is de onbevlekte maagd, de zuivere roos. Geen

kunstenaar had vóór Montanes deze symbolische voorstelling in beeld

gebracht, en behalve Murillo heeft geen schilder de schoonheid

ervan zoo treffend doen uitkomen. Behalve zijn madonna ziet men

hier van Murillo de afbeeldingen van den heiligen Isidorus en den

heiligen Leander in bisschopsgewaad, benevens meerdere medaillons en

wandbeschilderingen. Een zijner schoonste werken, de onvergelijkelijke

St. Antonius van Padua, geschilderd in 1649, bevindt zich in de

kapel van het baptisterium. In de schemering der kapel dringt een

zonnestraal, zóó schitterend, dat hij de duistere ruimte schijnt te

verlichten. Dit licht, dat uit een hemel vol lachende engelen straalt,

beschijnt een kind, dat reeds in zijn blik de verlossing der wereld

schijnt aan te kondigen, en een monnik, die in geestvervoering de armen

uitstrekt naar het goddelijk visioen. Een klooster verrijst op den

achtergrond. Wij zullen trouwens nog andere Murillo's aanschouwen in

het hospitaal de la Caridad, en ons daar beter rekenschap kunnen geven

van zijn groote gaven, die hem in staat stellen, het bovennatuurlijke,

den droom, de zinsverrukking in zoo innig verband te brengen met de

eenvoudigste handelingen van het werkelijk leven.

Evenals de kathedraal van Toledo is die van Sevilla een

verzamelplaats geworden, waar in den loop der eeuwen een bonte

mengeling van meesterwerken en schatten van kunst zijn vergaard. Zoo

het prachtige altaarstuk in de Capilla Mayor; in de kapel der Kelken

het bewonderenswaardig beeld van den gekruisten Christus door Montanes,

in de sacristie kostbare historische herinneringen, wierookvaten,

altaarkleeden en priesterlijke sieraden van onschatbare waarde. Hier

zijn ook de sleutels bewaard, volgens de overlevering den heiligen

Ferdinand aangeboden bij de overgave der stad door de Mooren. De

eene is in streng Oosterschen stijl gehouden; de andere draagt in

sierlijke gothische letters het hoopvolle en geloovige inschrift:

"God zal openen, de koning binnentreden". Een beker van rotskristal

vindt men hier, waaruit de vorst heeft gedronken, een tryptichon,

dat aan zijn zoon Alfonso den Wijze heeft toebehoord, zilveren en

gouden kelken en een prachtig geïllumineerd misboek, een geschenk van

kardinaal Mendoza. Wanneer men de kathedraal weder binnentreedt, nog

verblind door de pracht van al die kostbaarheden in nevengebouwen en

zijkapellen, doet de rust der statige gewelven en het gedempte licht,

dat door de beschilderde boogramen dringt, aangenaam aan. Een van die

beschilderde vensters, die boven de poort de los Palos is geplaatst,

vertoont een merkwaardige voorstelling. Onder een door zuilen

gesteunden boog, ziet men het beeld van den heiligen Sebastiaan. Maar

in plaats van dezen heilige volgens de traditioneele opvatting voor

te stellen met een door pijlen doorboord lichaam, heeft men tot model

niemand anders dan keizer Karel V gekozen, met het bekende kapje en

de baret, den tot op de knieën afhangenden mantel, het wambuis en de

korte broek.

In de rechterhand houdt hij twee pijlen, en in de linker den palmtak

der martelaren. De gelijkenis der gelaatstrekken, de vooruitstekende

kin en het roode haar zijn zoo karakteristiek, dat het onmogelijk is,

het portret van den keizer niet te herkennen. Er onder staan de letters

A. y. V., 't geen beteekent: Arnao y Vergara. In 1535 begonnen, werd

dit fraaie geschilderde venster, dat in de rekeningen der kathedraal

wordt vermeld, hier eerst geplaatst in 1571. Thans is voor de oude

kathedralen van Spanje, die zulk een veelbewogen verleden achter zich

hebben, een tijdperk van volslagen rust aangebroken, waarin slechts

groote verwoestingen of nationale rampen veranderingen brengen. In

Augustus 1888 is een der geweldige pilaren van het ciborium ingestort

en heeft het prachtige koorhek van brons en geciseleerd zilver

verbrijzeld, een werk van Sanchez Nunos. Hij had daaraan gearbeid van

1570 tot 1581. Gelukkig is het hek der Capilla Mayor, dat ook van zijn

hand afkomstig was, gespaard. De steenen van den pilaar hadden bij hun

val een eenvoudige koperen plaat bedolven, waarop een beroemde naam

was gegraveerd, die van Fernando Columbus. De zoon van den grooten

admiraal lag hier begraven en eerst na het verlies van Cuba is de asch

van zijn vader naar de kathedraal van Sevilla overgebracht. Treurig

was het lot van den beroemden man, die niet eens mocht rusten in den

bodem van de nieuwe wereld, die hij had ontdekt. Maar schoon zijn

laatste wensch niet werd vervuld, Spanje heeft thans zijn stoffelijk

overschot een plaats aangewezen, die de nagedachtenis van den grooten

man waardig is. De schepper van het gedenkteeken op zijn graf, Nelida,

heeft een machtig en oorspronkelijk werk tot stand gebracht, waarin

rijkdom van kleur zich paart aan grootschheid van vorm. Vier kolossale

figuren dragen trotsch op hun schouders de lijkkist van den held.

Castilië bekleedt de eereplaats, gekleed in een zilveren koorhemd en

bronzen mantel, waarop de torens van het koninkrijk zijn afgebeeld. Een

gekanteelde kroon omsluit het voorhoofd, en in de hand draagt de

figuur de roeispaan der zeelieden. Het bronzen gewaad ligt in zware

plooien op het voetstuk van het monument. Op den linker hoek staat

Leon, in dezelfde kleeding, waarop echter andere heraldieke figuren

zijn afgebeeld. De leeuw vervangt den toren, en om het hoofd draagt

Leon een band, waarop de leeuw afwisselt met den granaat, zinnebeeld

van den strijd van het oude koninkrijk tegen het laatste bolwerk van

den Islam. Fier houdt de eene hand het kruis omhoog geheven, dat de

christelijke legerscharen voorging in den strijd. De beide andere

figuren zijn Arragon en Navarre, in maliënkolders; de krijgers,

naast de priesters.

Over de lijkkist is een kleed gespreid, geborduurd met de wapens

van Ferdinand en Isabella en met het inschrift in den rand, dat de

koningin met eigen hand schreef ter eere van den "onderkoning en

gouverneur der eilanden, ontdekt in de Indische Zee."

A Castilla y Leon

Nuevo mundo dio Colon.

(Aan Castilië en Leon

Schonk Columbus een nieuwe wereld.)

De herinneringen, die het graf van den grooten ontdekker en zijn zoon

opwekt, zijn de beste voorbereiding voor een bezoek aan de bibliotheek

van Columbus, waar boven de deur het volgende opschrift is aangebracht:

"Ter herinnering aan Don Fernando Colomb, zoon van Don Cristobal

Colomb, den eersten admiraal, die Indië ontdekte, gestorven op den

leeftijd van 50 jaren, 10 maanden en 27 dagen. Nadat hij naar zijn

beste vermogen voor de wetenschap had gearbeid, stierf hij den 12den

Juli 1539, drie en dertig jaren na zijn vader. Bidt voor hun zielen."

Als kenner en liefhebber van boeken was de zoon op zijn wijze

een ontdekker. Van 1510 tot 1537 reisde hij door Spanje, Italië,

Duitschland, Nederland, Engeland en Frankrijk, om geschiedkundige,

wetenschappelijke en letterkundige werken te verzamelen. Hij genoot

van het bezit dezer schatten en huiverde bij het denkbeeld, ze

uit te leenen, uit vrees, dat anderen den band of het papier zouden

bederven. Bij zijn dood liet hij een bibliotheek na van 15370 werken;

sommigen noemen zelfs het getal 20000. Hij vermaakte deze verzameling

aan zijn neef Luis Columbus, die na zijn dood het hoofd der familie

zou zijn, op voorwaarde, dat deze jaarlijks een groote som aan het

onderhoud ervan zou besteden. Zoo hij die verplichting niet nakwam,

moest de bibliotheek aan het kapittel van de kathedraal worden

geschonken. Don Luis was nog een kind, en zijn voogden schijnen geen

bijzondere zorg te hebben gedragen voor de Fernandina, zooals de

verzameling genoemd werd.

Later werd Luis door Philips II uit Spanje verbannen, omdat hij

vier vrouwen had getrouwd, zonder ooit weduwnaar te zijn geworden,

en stierf in Marokko.

Na vele zwarigheden en eindelooze processen vond de bibliotheek

eindelijk een onderkomen in het moorsche klooster van de kathedraal,

maar voor de verzameling werd weinig zorg gedragen. In 1592 schreef

Argote de Molina: "De boeken van Fernando Columbus zijn weggesloten

in een afgelegen zaal van het klooster Lagarto en niemand heeft

er nut van." Toch verdwenen vele exemplaren, om nooit terug te

keeren. Columbus zelf had eens gezegd: "Ik weet zeer goed, dat niemand

kan beletten, dat er boeken worden gestolen, al werden ze ook aan

honderd ijzeren kettingen vastgelegd."

In de achttiende eeuw was het met de bibliotheek van Columbus een

tijdlang treurig gesteld. De sleutels werden overgelaten aan de lieden,

die de kathedraal moesten schoonhouden, en zij gebruikten het heiligdom

als bergplaats voor hun gereedschap.

Rafaël Tabarès zegt, dat hij er als kind dikwijls met andere jongens

ging spelen, en veel pleizier had in de plaatwerken en miniaturen. Toch

bleef, door herhaalde schenkingen, de bibliotheek in stand, en op het

einde der 18de eeuw bevatte zij, volgens den catalogus van Tabarès,

nog vele merkwaardige werken. Eenige der oudste, waarin Columbus zelf

aanteekeningen heeft gemaakt, worden onder glas bewaard, en kunnen

gelukkig niet worden geschonden. Zoo ziet men hier ook den bijbel,

waarin Columbus de profetieën omtrent de herovering van Jeruzalem

en het ontdekken eener nieuwe wereld heeft aangestreept, profetieën,

waaraan hij groote waarde hechtte, evenals koningin Isabella, nadat

hij haar de beteekenis had verklaard. Hij scheen zijn onwankelbaar

vertrouwen vooral uit godsdienstige, althans mystieke openbaringen

te putten, 't geen strookt met de levendige beschrijving, zoowel van

zijn zedelijke eigenschappen, als van zijn voorkomen, die wij danken

aan zijn zoon.

"Mijn vader", schrijft deze, "was forsch en welgebouwd, zijn hoofd

was groot, met een fraai gebogen neus, groote grijsblauwe oogen,

een frissche kleur, en gebruinde gelaatstint. Zijn haar was rood,

maar begon reeds voor zijn dertigste jaar te grijzen. Hij had een

eerbiedwekkend voorkomen, gedroeg zich met groote waardigheid,

en was tevens zeer vriendelijk en welwillend. Hij sprak gaarne en

gemakkelijk. Gematigd in zijn gedrag, koelbloedig in het gevaar, maar

uiterst gevoelig voor indrukken, liet hij zich somtijds door drift

vervoeren. Matig en afkeerig van wereldsche vermaken, scheen hij te

zeer vervuld van de groote taak, waaraan hij zijn leven had gewijd,

om deel te nemen aan de genietingen, die andere mannen najagen. Zijn

verbeelding, steeds vervuld van grootsche plannen, sleepte hem soms

zoozeer mede, dat hij geneigd was, de werkelijkheid uit het oog

te verliezen, onoverkomelijke bezwaren gering te schatten en de

toekomst te zien in een rooskleurig waas, dat dikwijls maar al te

snel verdween." Sevilla mag er trotsch op zijn, belangrijke documenten

als deze, een plaats binnen haar muren te verleenen.

Ligt in Sevilla's kathedraal het zedelijk en godsdienstig verleden

der stad opgesloten, het naburige Alcazar wekt herinneringen aan een

tijdperk vol glorierijke heldendaden, maar ook vol van bloedigen strijd

en vervolging. Binnen de zware muren van dit oude gebouw, van buiten

een vesting, van binnen een paleis, vertoefden beurtelings Gothen,

Arabieren en Castilianen; Ferdinand plantte er zijn standaard op den

toren van Sint Thomas, Alfonso de Wijze schreef er zijn geleerde

werken, Peter de Wreede koos het tot zijn geliefkoosd verblijf,

Isabella van Castilië, Karel V, Philips II en Philips IV bezochten

het herhaaldelijk op hun veelvuldige reizen door de verschillende

steden van hun koninkrijk; Isabella van Bourbon, haar zoon Alfonsus

XII en haar kleinzoon Alfonsus XIII kwamen hier in nauwere aanraking

met hun volk, dan in eenige andere residentie. Ik geloof niet, dat

eenige stad, noch eenig paleis van Spanje zóó door en door spaansch

is, als Sevilla en haar Alcazar.

Van Toledo naar Granada, deel 2 De Aarde en haar Volken, 1907 · 第 1 / 4 段