VII.

Te oordeelen naar de brokken muur, die van San-Juan de Dios tot op de

hoogten van San-Blas de grenzen der oude stad aanwijzen, beslaat het

moderne Cuzco ongeveer dezelfde oppervlakte als het oude. Een beek

of bergstroom, de Huatanay, doorstroomt de stad van het noordoosten

naar het zuidwesten, en deelt haar in twee ongelijke helften. Deze

diepliggende beek, die in den winter bijna droog is, maar in den

zomer, ten gevolge van het smelten der sneeuw op de Cordilleras, een

snelvlietende stroom wordt, dient tot algemeen afvoerriool van Cuzco,

en neemt, zoo goed en zoo kwaad als het kan, al de onreinheden en al

het vuile water mede of ook niet mede.

Het Ccozçco der Incas was slechts in twee wijken, de boven- en

de benedenstad, verdeeld. Het Cuzco der Spanjaarden is in zeven

districten of kwartieren verdeeld, met name: de Kathedraal, Belen,

Santiago, het Hospitaal, Santa-Ana, San-Cristoval en San-Blas. Deze

districten zijn wederom zoo wat gesplitst in cuadras, buurten,

eigenlijk vierkanten; te zamen tellen zij drieduizend huizen met

eene bevolking van ruim twintigduizend zielen. Van die drieduizend

huizen zijn er omstreeks duizend niets meer dan afschuwelijke krotten,

waaronder minstens vijfhonderd chicha-kroegen. Eene geheele straat,

de straat los Heladerias, is ingenomen door handelaars in ijs en

sorbets. In deze straat werd omstreeks het midden der zestiende

eeuw, uit een aanzienlijk, maar tamelijk donker gekleurd geslacht,

de geschiedschrijver Garcilaso de la Vega geboren.

Cuzco, weleer de hoofdstad van een machtig rijk, tegenwoordig

slechts de hoofdplaats van een departement en de zetel van een

bisschop, bevat, nevens zijne kathedraal en vijftien andere kerken,

waaronder zeven aan godsdienstige broederschappen behooren, vier

mannenkloosters--San-Francisco, la Merced, Santo-Domingo en la

Recoleta; drie vrouwenkloosters--Santa-Teresa, Santa-Catalina

en Santa-Clara; zes begijnhuizen--los Nazarenas, Santa-Rosa,

Santo-Domingo, las Carmelitas de San-Blas, las Franciscanas van

Belen, en San-Francisco; gezwegen van ettelijke huizen van geestelijke

oefeningen, waar gedurende de heilige week, des avonds, de geloovigen

zich vereenigen, mannen en vrouwen afzonderlijk, om te bidden.

De kerken en kloosters van Cuzco zijn over het algemeen van steen

opgetrokken, en niet van hout, leem en pleister, zooals in de steden

langs de kust. Dit onderscheid in de keuze der bouwmaterialen is een

natuurlijk gevolg van de ligging der laatstgenoemde steden aan den voet

van de keten der Andes, in de nabijheid van een of anderen vulkaan, en

van de menigvuldige aardbevingen, waaraan zij onderhevig zijn. Vandaar

ook de erbarmelijke gewoonte om de gebouwen te overpleisteren, en hun

een rooskleurigen, parelgrijzen of paarschen tint te geven, ten einde

zoo mogelijk het zeer gemeene bouwmateriaal te verbergen. Te Cuzco

behoeft men tot deze armzalige kunstgrepen zijn toevlucht niet te

nemen. De steen vertoont zich hier in zijne natuurlijke kleur, met de

eigenaardige donkere tinten, die zon en regen, weer en wind daaraan

geven. De gebouwen verkrijgen daardoor een karakter van ernstige

majesteit, van sombere grootheid, dat volkomen past bij den grauwen

hemel, het strenge klimaat en de ruwe vormen der omringende bergen.

De vorm der kerken is bijna altijd die van een latijnsch

kruis. Sommigen hebben slechts een enkel schip zonder zijbeuken, zooals

de Jezuïetenkerk; anderen hebben een middenschip en twee zijschepen,

zooals de kerk de la Merced; of soms ook wel drie hoofdschepen en

twee zijbeuken, zooals de kathedraal. De bouwkunstige ornamentatie

dezer kerken is inwendig doorgaans zeer eenvoudig. Somwijlen is het

uitwendige even sober; maar bij enkele kerken vertoont zich al de

wansmaak der Spaansche architectuur van de zeventiende en achttiende

eeuw, met haar wildernis van ongemotiveerde zuiltjes, pyramidetjes,

krullen, ballen, naalden, bloemen en kransen.--Inwendig zijn de kerken

van Cuzco vooral niet minder rijk uitgedost dan die van Arequipa:

ook hier is het een verblindende, overstelpende overvloed van goud

en zilver, van verguldsel en edelgesteenten en kostbare stoffen: een

rijkdom, die meer getuigt voor den vromen zin dan voor het kunstgevoel

en den goeden smaak der bewoners van de oude zonnestad.

De kathedraal van Cuzco heeft een massief zilveren hoogaltaar, en

bezit in hare sakristie onnoemelijke schatten: relikwiënkistjes,

wierookvaten, ciboriën, bekers, kelken, bezaaid met diamanten,

robijnen, topazen en smaragden. Het is waar, dat de bouwstijl van

het monument, zoo uit- als inwendig, niet in overeenstemming is met

deze rijkdommen. De kerk verrijst op de plek, waar in de veertiende

eeuw het paleis van den Inca Viracocha stond; zij heeft den vorm

van een langwerpig vierkant, met twee lage torens aan weerszijde van

den voorgevel. Gekoppelde zuilen scheiden de drie ingangen aan den

voorgevel, die met een soort van fronton prijkt. Vierkante vensters,

met kolommetjes geflankeerd, kronen de architraaf, en geven aan de kerk

het voorkomen van een hotel met eene eerste verdieping. Voeg daarbij,

dat de zandsteen, waarvan zij gebouwd is, met den tijd roetkleurig

is geworden, en daardoor zeer scherp afsteekt bij het kalkwit van de

koepels der vijf schepen en van de beide klokketorens.

Het inwendige bestaat uit een pronaos of voorportaal, dat toegang

geeft tot de drie hoofdschepen en twee zijschepen met kapellen. De

beroemdste van deze kapellen, bij het binnenkomen de tweede aan de

rechterhand, is die van Nuestro Señor de los Temblores, Onze Heer der

Aardbevingen. Door de zeer weinige vensters dringt een schemerachtig

licht binnen, dat nog aanmerkelijk getemperd wordt door de lage bogen

der gewelven en de vele pilaren; er heerscht dan ook in het heiligdom

eene zeer onaangename duisternis. De eenige wezenlijke schat, die

deze sombere, aan kostbaarheden zoo overrijke kathedraal bezit,

is een prachtige schilderij van Murillo, Christus aan het kruis,

in de sakristie opgehangen.

Eene oude overlevering, die door de Indianen trouw wordt bewaard,

zegt, dat zich onder de kerk een meer bevindt, waarvan de anders kalme

wateren op den verjaardag van den intocht der Spaansche veroveraars

in Cuzco (13 November 1532) opbruisen en met dof geruisch tegen de

zerken van het koor slaan. Op dien dag, voor de inboorlingen een dag

van rouw en droefenis, is het niet zeldzaam in en bij de kerk enkele

goedgeloovige zielen neergeknield te zien, met het oor tegen den grond,

luisterende of de onderaardsche wateren niet bruisen. Met den bouw

dezer kerk werd in 1572, op last van den onderkoning Francisco Toledo,

aangevangen; eerst in 1654, alzoo na verloop van twee-en-tachtig jaren,

was zij voltooid. Zij had vijf-en-zestig millioen francs gekost! Het

schijnt bijna ongeloofelijk, als men het smakelooze gebouw aanziet.

Ter rechterzijde van de Plaza-Mayor, op de plek, waar vroeger

het paleis stond van den Inca Capac Yupanqui, verrijst de kerk

der Jezuïeten, van zandsteen gebouwd, en een vrij goeden indruk

makende, ondanks de overladen versiering in den bekenden spaanschen

rococo-stijl. Na het verdrijven der Jezuïeten bleef deze kerk voor de

eeredienst gesloten; totdat in 1824 de patriotten, na hun terugkeer

van Ayacucho, natuurlijk in naam der heilige vrijheid, de deuren

openbraken en haar in een militair wachthuis herschiepen. Na de

onafhankelijkheidsverklaring werd zij op nieuw gesloten, en bleef

dit waarschijnlijk tot het ons op zekeren dag in de gedachte kwam,

de sleutels te laten vragen aan den onder-prefect van Cuzco en haar

te laten openen, tot groote verbazing van enkele voorbijgangers,

die haastig kwamen aanloopen om mede naar binnen te gaan, maar die

zich de deur voor den neus zagen toewerpen.

De kerk bestaat uit een enkel schip, waarvan het gewelf rust op een

entablement, dat door gegroefde pilasters gedragen wordt. Aan den

ingang vormt eene ruime tribune, op vierkante pilaren rustende,

een soort van voorportaal. Geen enkele kapel breekt de grootsche

evenredigheid der strenge lijnen van het majestueuse schip, dat door

een steenen balustrade van het halfronde koor gescheiden wordt. De

kerk was overigens geheel ontbloot van alles wat tot de eeredienst

betrekking heeft; het eenige altaar was verdwenen; noch beelden,

noch schilderijen, noch kruisen tooiden de naakte, rooskleurige

wanden. Voor de balustrade van het koor gaapte eene opening van

vier voet in het vierkant, die toegang gaf tot een trap, waarvan

alleen de bovenste treden zichtbaar waren; de anderen verdwenen in

de duisternis. Met den Indiaan, die de kerk had opengesloten, daalde

ik in deze onderaardsche ruimte af. Het was de krypt, afgedeeld in

vierkante cellen, die blijkbaar vroeger tot begraafplaats hadden

gediend. Hier en daar was nog een enkele ledige, geopende doodkist te

zien. Mijn geleider was in dit voormalige doodenverblijf gansch niet

op zijn gemak, en haastte zich, toen wij weder op straat waren, een

paar glazen brandewijn te gaan drinken om weer op zijn dreef te komen.

Na de kerken voegt een enkel woord over de kloosters. Het uitwendig

voorkomen dezer gebouwen is hoogst eenvoudig: het zijn meest

altijd plompe, langwerpig vierkante gevaarten, met blinde muren,

met pannendaken of wel met koepels gekroond, en doorgaans met een

enkele gewelfde poort, waarboven het kruis is geplaatst. Deze poort

voert naar eene kleine binnenplaats, aan alle zijden door hooge muren

omgeven, en waarop een bochtige en sombere gang uitkomt, die toegang

geeft tot het eigenlijke kloostergebouw. De onaangename indruk, dien

ge bij het betreden van den duisteren gang mocht ontvangen hebben,

wordt hier spoedig uitgewischt. De blik dwaalt door ruime hoven, door

sierlijke galerijen omringd; te midden dier hoven, in bloeiende tuinen

herschapen, prijken fraaie fonteinen, waaruit ruischende waterstralen

omhoog springen, terwijl de geuren der bloemen, in smaakvol aangelegde

perken gerangschikt, u tegenstroomen. Eene diepe, vredige stilte

en kalme rust heerschen hier; geen enkel onharmonisch geluid treft

het oor van den mijmerenden, eenzamen wandelaar; het gemurmel der

wateren, het suizen van den wind, het gekweel van een vogel in de

takken,--ziedaar de eenige geluiden, die de stilte verbreken. De

voornaamste kloosters zijn die van la Merced, van Santa-Clara, van

San-Domingo en van San-Francisco.

De kloostertucht is te Cuzco, althans voor de monniken, niet overmatig

streng. Zij mogen ongehinderd gaan werwaarts zij willen, en zijn dan

ook zelden in hun cel te vinden; doorgaans verlaten zij het klooster na

de ochtenddienst en keeren niet vóór des avonds negen uur terug. Wat

zij in dien tusschentijd uitvoeren, weet ik niet; maar wel weet ik,

dat men op alle publieke plaatsen, in bijna alle gezelschappen,

monniken aantreft, waar zij meestal niet weinig bijdragen tot de

algemeene gezelligheid en vroolijkheid. De nonnen daarentegen mogen

haar klooster nooit verlaten, zelfs niet, als te Arequipa, hare

bloedverwanten en vrienden bij zich ten bezoeke ontvangen.

De bouwtrant der huizen van Cuzco heeft dit eigenaardige, dat de meeste

huizen rusten op oude muren uit de dagen der Incas, die aanstonds

kenbaar zijn aan het gemis van verf of kalk, terwijl het overige van de

woning altijd met een laag witkalk is bestreken of licht geverfd. Deze

eigenaardigheid dagteekent uit den tijd van Pizarro den veroveraar,

die, om tijd en handenarbeid uit te winnen, de oude gebouwen slechts

halverwege liet afbreken en op het overblijvende nieuwe verdiepingen

optrekken. Zoo is de stad, door een gelukkig toeval, maar ten halven

lijve gemetamorphoseerd: van boven modern en katholiek, is zij van

onderen antiek en heidensch gebleven.

De stijl dezer huizen is, behoudens enkele wijzigingen, dezelfde als

van alle amerikaansche steden, door spaansche architecten of hunne

leerlingen gebouwd: eentonig, plomp en koud. De woning, een zware

vierkante steenklomp, heeft slechts eene enkele monumentale poort,

waarvan de massieve deuren geheel met spijkers beslagen zijn. Deze

poort komt uit op eene geplaveide binnenplaats. Een ruime trap voert

naar de eerste verdieping, aan de binnenzijde met een houten of

steenen galerij voorzien, op welke galerij de receptiekamers en de

slaapvertrekken uitkomen. In sommige woningen zijn de binnenplaatsen

met bloeiende heesters versierd, die in allerlei wonderlijke vormen

zijn gesnoeid.

Het ameublement dezer huizen is tweevoudig. De familiën, die aan de

oude traditiën zijn getrouw gebleven, hebben ook hare spaansche

meubelen behouden, zwaar gebeeldhouwd, met levendige kleuren

beschilderd, met gouden lijsten en randen versierd, en bezaaid met

rozen of tulpen. In de nieuwerwetsche huizen is het ameublement in

den smakeloozen parijs-griekschen stijl van 1804. In beiden vindt ge

ijzeren traliën voor de vensters, geen of bijna geen gordijnen, maar

daarentegen een overvloed van tapijten tot afwering van de koude van

den grond, die, bij gebrek aan een houten vloer, met een laag argamaza,

een soort van cement, is bedekt.

De wanden der aristokratische salons zijn bekleed met een grijs

papieren behangsel of beschilderd. Op tafels of consoles met

achthoekige spiegels in stalen lijsten, zijn allerlei snuisterijen en

antiquiteiten uitgestald: min of meer geschonden beeldjes van Incas

en Coyas (Keizerinnen), beschilderde aarden vazen uit den tijd vóór

de verovering en min of meer gebarsten. Eertijds prijkten de salons

der oude aristokratie met schilderijen in olieverf, door kunstenaars

van Cuzco of Quito vervaardigd. Maar tengevolge der herhaalde

politieke omwentelingen en beroeringen, zijn die schilderijen voor

het meerendeel vernield, verloren geraakt of verkocht. Om het verlies

dezer schilderijengalerij te vergoeden, zijn sommige adellijke familiën

op een vernuftigen inval gekomen. Zij hebben den muur van de trap in

hare woning laten beschilderen, hetzij met de kleuren van haar wapen,

hetzij met haar stamboom, onder de gedaante van een wijngaard met

uitgespreide ranken. Die adellijke wijnstok, op welks top meestal

Francisco Pizarro is gezeten, reikt tot de eerste verdieping, en

bedekt den muur met zijne groene trossen, waaraan, bij wijze van

rijpe druiven, de hoofden van baardige Spanjaarden en indiaansche

vrouwen met breede kragen hangen.

De familiën van twijfelachtigen adel, of die, bij gebrek aan een

genoegzaam getal voorouders, zich de weelde van zulk een stamboom

moeten ontzeggen, troosten zich met het bezit van een piano van

engelsch of chilisch fabrikaat. Die piano, waarop altijd twee nieuwe

bougies prijken, en die altijd open staat, neemt de voornaamste plaats

in de receptiekamer in. Intusschen--en dit is een groot voorrecht,

dat de inwoners van Cuzco boven die van menige europeesche stad

genieten;--slaat niemand ooit een hand aan die piano: zij dient

alleen om de eigenliefde te streelen, maar is overigens niemand tot

last. Dit meubelstuk is een soort van certificaat van beschaving,

van goeden smaak en fatsoenlijke manieren; wie zulk een instrument

in zijn huis heeft, al is het nog zoo ouderwetsch en al heeft het des

noods geen snaren, rekent zich op gelijken voet te staan met den adel.

Ondanks de koude temperatuur van Cuzco, en de hagel-, sneeuw-

en regenbuien, die zoo dikwijls voorkomen, dat het van deze stad

heet: Llueve 13 meses en un ano--het regent 13 maanden in een

jaar--, vindt men toch in geen enkel huis schoorsteenen, kachels

of verwarmingstoestellen, zelfs geen braseros of vuurpotten. De

dames wikkelen zich zoo goed mogelijk in haar shawl of haar retos;

de heeren in groote mantels. De Indianen van beiderlei kunne dragen

wollen hemden en kleederen, waarbij zij nog, in geval van nood,

wollen schoudermantels voegen. Om zich inwendig te verwarmen, maken

ouden en jongen, rijken en armen, overvloedig gebruik van europeesche

wijnen en likeuren, benevens van de inheemsche chicha en de tafia der

warme streken.--Het is te begrijpen, dat, in dit ruwe klimaat en bij

dien schier altijd nevelachtigen hemel, de lichamelijke zindelijkheid

bij de inboorlingen soms wat te wenschen overlaat, en dat hun afkeer

voor het vloeibaar element, om in dagbladstijl te spreken, soms wel

iets weg heeft van watervrees. De fatsoenlijke lieden, het is waar,

wasschen zich eens in de week een weinig; maar de indiaansche bevolking

wordt geboren, leeft en sterft, zonder ooit behoefte gevoeld te hebben,

zich de handen en het gelaat te reinigen. In den regel slapen de beide

seksen geheel gekleed, en veranderen niet van kleeding, vóór dat die,

welke zij aanhebben, tot flarden versleten is. Over haar gescheurden

rok trekt de indiaansche vrouw eenvoudig een nieuwen rok aan; en daar

zij doorgaans drie of vier rokken dragen, mag men veilig aannemen,

dat de onderste acht of tien jaar oud is. Vandaar die overvloed van

zekere gedierten en die eigenaardige lucht, aan deze inboorlingen

eigen, en die, in de schatting van den kunstenaar, een minder aangenaam

tegenwicht vormen van het schilderachtige in hun manier van doen.

Van October tot Januari wordt het klimaat wat zachter; de grauwe

hemel wordt blauw, en de zon laat haar stralen op het verheugde

aardrijk schijnen. Met uitgelaten blijdschap groet de bevolking de

verschijning van het groote hemellicht, dat zij weleer aanbad. Dit

warme jaargetijde, de korte zomer van Cuzco, wordt door de hoogere

klassen ijverig gebruikt voor reisjes, rijtoertjes en uitstapjes in de

omstreken. Anderen, wier middelen zulke uitspanningen niet veroorloven,

gaan dagelijks naar Huancaro, een gehucht in de onmiddellijke

nabijheid der stad, waar zich een groote steenen badkuip bevindt,

in twee kompartimenten verdeeld, die tot den rand gevuld zijn met

helder en ijskoud water. Tegen een geringen prijs kunnen daar, van

twaalf tot vier uur, mannen en vrouwen, door een beschot gescheiden,

zich al de weelde van een bad veroorloven, waarbij zij huiveren en

klappertanden van de kou.

De vrouwen van Cuzco zijn over het algemeen bruin van kleur, van

middelbare gestalte en een weinig gezet. De indiaansche type heeft bij

haar nog zeer duidelijk de overhand boven de spaansche, zoo als ook de

deugden en gebreken van het inlandsche ras onmiskenbaar te voorschijn

komen onder het kunstmatig vernis eener aangeleerde beschaving. Echter

zoudt ge eene dame van Cuzco doodelijk beleedigen, indien ge u

eene toespeling op hare ontwijfelbare afkomst veroorloofdet. Allen

willen u doen gelooven, dat zij van zuiver spaansche afstamming zijn;

alleen de oude vrouwen, die zich geen illusiën meer maken, komen er

rond voor uit, tot welk ras zij eigenlijk behooren. "Somos Indias,

para que negarlo? Wij zijn Indianen, waarom dat te ontkennen?" zeggen

zij lachende. Maar deze kleine dwaasheden, die zij trouwens met alle

vrouwen gemeen hebben, worden bij de Cusqueñas van elken leeftijd

meer dan opgewogen door haar zachtaardig en beminnelijk karakter,

vooral ook door haar groote vriendelijkheid en voorkomendheid jegens

vreemdelingen. Haar eentonig teruggetrokken leven, eene zekere

moeilijkheid in het vloeiend spreken der spaansche taal, het beperkte

verkeer in eene afgelegene provinciestad--dit alles geeft aan haar

omgang en manieren eene zekere beschroomdheid en linkschheid, die

haar verre van kwalijk staat.

Met uitzondering van de wekelijksche bezoeken, die zeer intieme

vriendinnen in het schemeruur bij elkander afleggen, verlaten de

vrouwen van Cuzco haar woning bijna niet. Zij houden zich bezig,

hetzij met naai- of borduurwerk, hetzij met het bereiden van sorbets en

confituren, en met het keuvelen over de nieuwtjes van den dag, die haar

getrouw door hare chinas of kamermeisjes worden overgebracht. Om een

aantal dames bijeen te brengen, is er eene zeer bijzondere gelegenheid

noodig, zoo als een officieel bal op vastenavond, de intrede van een

bisschop, de installatie van een nieuwen prefect of de benoeming van

een president. Overigens blijven de vrouwen liefst te huis en ontvangen

ook geen bezoek, met uitzondering van vreemdelingen, die altijd welkom

zijn, waarschijnlijk omdat hunne verschijning eene zeldzaamheid is.

Ik kan niet zeggen, dat de Cusqueños bevallig en beschroomd zijn, als

hunne vrouwen, maar ik weet wel, dat zij prikkelbaar en wantrouwend

zijn, en tegenover vreemden zeer terughoudend. Dit laatste is deels een

gevolg van hunne linkschheid, deels van hun pedanterie. De physieke

en zedelijke meerderheid van den Europeaan kwetst hunne ijdelheid,

en het kost hun veel moeite, die meerderheid te erkennen. Zij zijn

dan ook bij uitstek geleerd. Allen hebben gestudeerd in de theologie,

de philosophie, het natuur- en volkenrecht, het burgerlijk en het

kanonieke recht. De natuurkundige wetenschappen, de doode en levende

talen en de schoone kunsten achten zij beneden de waardigheid van

eene mannelijke opvoeding, en met deze ijdelheden houden zij zich niet

op. In den regel wijden zij zich aan de balie, en maar zelden aan het

onderwijs: een advokaat toch is voor alles geschikt. In Peru is het

geen zeldzaamheid, dat collegas van Cicero eensklaps brigade-generaal

worden, vervolgens veldmaarschalk, en eindelijk plaats nemen in den

presidialen zetel. Zulke voorbeelden werken aanstekelijk, en verklaren

het buitengewoon groot aantal advokaten, dat men in Cuzco vindt.

Cuzco heeft ook eene universiteit, in 1692 gesticht. Bij deze

universiteit behooren een kanselier, een rector, een conrector, een

directeur, een secretaris, drie hoogleeraren, een penningmeester,

twee deurwaarders of pedellen en een portier. Er wordt onderwijs

gegeven in de theologie en het kanonieke recht, en ook een weinig

in de logika. Voorts roemt de stad nog op het bezit van een college

voor wetenschap en kunst, in 1825 gereorganiseerd door generaal

Simon Bolivar; de leerlingen van dit college ontvangen onderricht in

de godsdienst, het spaansch en latijn, de wijsbegeerte, en ook in

de wellevendheid en goede manieren. Eindelijk is er nog een school

voor meisjes, en eene enkele drukkerij, die de laatste onderkoning,

bij zijn vertrek in 1824, heeft achtergelaten.

Schetsen uit Peru De Aarde en haar volken, Jaargang 1875 · 第 8 / 9 题