Te oordeelen naar de brokken muur, die van San-Juan de Dios tot op de
hoogten van San-Blas de grenzen der oude stad aanwijzen, beslaat het
moderne Cuzco ongeveer dezelfde oppervlakte als het oude. Een beek
of bergstroom, de Huatanay, doorstroomt de stad van het noordoosten
naar het zuidwesten, en deelt haar in twee ongelijke helften. Deze
diepliggende beek, die in den winter bijna droog is, maar in den
zomer, ten gevolge van het smelten der sneeuw op de Cordilleras, een
snelvlietende stroom wordt, dient tot algemeen afvoerriool van Cuzco,
en neemt, zoo goed en zoo kwaad als het kan, al de onreinheden en al
het vuile water mede of ook niet mede.
Het Ccozçco der Incas was slechts in twee wijken, de boven- en
de benedenstad, verdeeld. Het Cuzco der Spanjaarden is in zeven
districten of kwartieren verdeeld, met name: de Kathedraal, Belen,
Santiago, het Hospitaal, Santa-Ana, San-Cristoval en San-Blas. Deze
districten zijn wederom zoo wat gesplitst in cuadras, buurten,
eigenlijk vierkanten; te zamen tellen zij drieduizend huizen met
eene bevolking van ruim twintigduizend zielen. Van die drieduizend
huizen zijn er omstreeks duizend niets meer dan afschuwelijke krotten,
waaronder minstens vijfhonderd chicha-kroegen. Eene geheele straat,
de straat los Heladerias, is ingenomen door handelaars in ijs en
sorbets. In deze straat werd omstreeks het midden der zestiende
eeuw, uit een aanzienlijk, maar tamelijk donker gekleurd geslacht,
de geschiedschrijver Garcilaso de la Vega geboren.
Cuzco, weleer de hoofdstad van een machtig rijk, tegenwoordig
slechts de hoofdplaats van een departement en de zetel van een
bisschop, bevat, nevens zijne kathedraal en vijftien andere kerken,
waaronder zeven aan godsdienstige broederschappen behooren, vier
mannenkloosters--San-Francisco, la Merced, Santo-Domingo en la
Recoleta; drie vrouwenkloosters--Santa-Teresa, Santa-Catalina
en Santa-Clara; zes begijnhuizen--los Nazarenas, Santa-Rosa,
Santo-Domingo, las Carmelitas de San-Blas, las Franciscanas van
Belen, en San-Francisco; gezwegen van ettelijke huizen van geestelijke
oefeningen, waar gedurende de heilige week, des avonds, de geloovigen
zich vereenigen, mannen en vrouwen afzonderlijk, om te bidden.
De kerken en kloosters van Cuzco zijn over het algemeen van steen
opgetrokken, en niet van hout, leem en pleister, zooals in de steden
langs de kust. Dit onderscheid in de keuze der bouwmaterialen is een
natuurlijk gevolg van de ligging der laatstgenoemde steden aan den voet
van de keten der Andes, in de nabijheid van een of anderen vulkaan, en
van de menigvuldige aardbevingen, waaraan zij onderhevig zijn. Vandaar
ook de erbarmelijke gewoonte om de gebouwen te overpleisteren, en hun
een rooskleurigen, parelgrijzen of paarschen tint te geven, ten einde
zoo mogelijk het zeer gemeene bouwmateriaal te verbergen. Te Cuzco
behoeft men tot deze armzalige kunstgrepen zijn toevlucht niet te
nemen. De steen vertoont zich hier in zijne natuurlijke kleur, met de
eigenaardige donkere tinten, die zon en regen, weer en wind daaraan
geven. De gebouwen verkrijgen daardoor een karakter van ernstige
majesteit, van sombere grootheid, dat volkomen past bij den grauwen
hemel, het strenge klimaat en de ruwe vormen der omringende bergen.
De vorm der kerken is bijna altijd die van een latijnsch
kruis. Sommigen hebben slechts een enkel schip zonder zijbeuken, zooals
de Jezuïetenkerk; anderen hebben een middenschip en twee zijschepen,
zooals de kerk de la Merced; of soms ook wel drie hoofdschepen en
twee zijbeuken, zooals de kathedraal. De bouwkunstige ornamentatie
dezer kerken is inwendig doorgaans zeer eenvoudig. Somwijlen is het
uitwendige even sober; maar bij enkele kerken vertoont zich al de
wansmaak der Spaansche architectuur van de zeventiende en achttiende
eeuw, met haar wildernis van ongemotiveerde zuiltjes, pyramidetjes,
krullen, ballen, naalden, bloemen en kransen.--Inwendig zijn de kerken
van Cuzco vooral niet minder rijk uitgedost dan die van Arequipa:
ook hier is het een verblindende, overstelpende overvloed van goud
en zilver, van verguldsel en edelgesteenten en kostbare stoffen: een
rijkdom, die meer getuigt voor den vromen zin dan voor het kunstgevoel
en den goeden smaak der bewoners van de oude zonnestad.
De kathedraal van Cuzco heeft een massief zilveren hoogaltaar, en
bezit in hare sakristie onnoemelijke schatten: relikwiënkistjes,
wierookvaten, ciboriën, bekers, kelken, bezaaid met diamanten,
robijnen, topazen en smaragden. Het is waar, dat de bouwstijl van
het monument, zoo uit- als inwendig, niet in overeenstemming is met
deze rijkdommen. De kerk verrijst op de plek, waar in de veertiende
eeuw het paleis van den Inca Viracocha stond; zij heeft den vorm
van een langwerpig vierkant, met twee lage torens aan weerszijde van
den voorgevel. Gekoppelde zuilen scheiden de drie ingangen aan den
voorgevel, die met een soort van fronton prijkt. Vierkante vensters,
met kolommetjes geflankeerd, kronen de architraaf, en geven aan de kerk
het voorkomen van een hotel met eene eerste verdieping. Voeg daarbij,
dat de zandsteen, waarvan zij gebouwd is, met den tijd roetkleurig
is geworden, en daardoor zeer scherp afsteekt bij het kalkwit van de
koepels der vijf schepen en van de beide klokketorens.
Het inwendige bestaat uit een pronaos of voorportaal, dat toegang
geeft tot de drie hoofdschepen en twee zijschepen met kapellen. De
beroemdste van deze kapellen, bij het binnenkomen de tweede aan de
rechterhand, is die van Nuestro Señor de los Temblores, Onze Heer der
Aardbevingen. Door de zeer weinige vensters dringt een schemerachtig
licht binnen, dat nog aanmerkelijk getemperd wordt door de lage bogen
der gewelven en de vele pilaren; er heerscht dan ook in het heiligdom
eene zeer onaangename duisternis. De eenige wezenlijke schat, die
deze sombere, aan kostbaarheden zoo overrijke kathedraal bezit,
is een prachtige schilderij van Murillo, Christus aan het kruis,
in de sakristie opgehangen.
Eene oude overlevering, die door de Indianen trouw wordt bewaard,
zegt, dat zich onder de kerk een meer bevindt, waarvan de anders kalme
wateren op den verjaardag van den intocht der Spaansche veroveraars
in Cuzco (13 November 1532) opbruisen en met dof geruisch tegen de
zerken van het koor slaan. Op dien dag, voor de inboorlingen een dag
van rouw en droefenis, is het niet zeldzaam in en bij de kerk enkele
goedgeloovige zielen neergeknield te zien, met het oor tegen den grond,
luisterende of de onderaardsche wateren niet bruisen. Met den bouw
dezer kerk werd in 1572, op last van den onderkoning Francisco Toledo,
aangevangen; eerst in 1654, alzoo na verloop van twee-en-tachtig jaren,
was zij voltooid. Zij had vijf-en-zestig millioen francs gekost! Het
schijnt bijna ongeloofelijk, als men het smakelooze gebouw aanziet.
Ter rechterzijde van de Plaza-Mayor, op de plek, waar vroeger
het paleis stond van den Inca Capac Yupanqui, verrijst de kerk
der Jezuïeten, van zandsteen gebouwd, en een vrij goeden indruk
makende, ondanks de overladen versiering in den bekenden spaanschen
rococo-stijl. Na het verdrijven der Jezuïeten bleef deze kerk voor de
eeredienst gesloten; totdat in 1824 de patriotten, na hun terugkeer
van Ayacucho, natuurlijk in naam der heilige vrijheid, de deuren
openbraken en haar in een militair wachthuis herschiepen. Na de
onafhankelijkheidsverklaring werd zij op nieuw gesloten, en bleef
dit waarschijnlijk tot het ons op zekeren dag in de gedachte kwam,
de sleutels te laten vragen aan den onder-prefect van Cuzco en haar
te laten openen, tot groote verbazing van enkele voorbijgangers,
die haastig kwamen aanloopen om mede naar binnen te gaan, maar die
zich de deur voor den neus zagen toewerpen.
De kerk bestaat uit een enkel schip, waarvan het gewelf rust op een
entablement, dat door gegroefde pilasters gedragen wordt. Aan den
ingang vormt eene ruime tribune, op vierkante pilaren rustende,
een soort van voorportaal. Geen enkele kapel breekt de grootsche
evenredigheid der strenge lijnen van het majestueuse schip, dat door
een steenen balustrade van het halfronde koor gescheiden wordt. De
kerk was overigens geheel ontbloot van alles wat tot de eeredienst
betrekking heeft; het eenige altaar was verdwenen; noch beelden,
noch schilderijen, noch kruisen tooiden de naakte, rooskleurige
wanden. Voor de balustrade van het koor gaapte eene opening van
vier voet in het vierkant, die toegang gaf tot een trap, waarvan
alleen de bovenste treden zichtbaar waren; de anderen verdwenen in
de duisternis. Met den Indiaan, die de kerk had opengesloten, daalde
ik in deze onderaardsche ruimte af. Het was de krypt, afgedeeld in
vierkante cellen, die blijkbaar vroeger tot begraafplaats hadden
gediend. Hier en daar was nog een enkele ledige, geopende doodkist te
zien. Mijn geleider was in dit voormalige doodenverblijf gansch niet
op zijn gemak, en haastte zich, toen wij weder op straat waren, een
paar glazen brandewijn te gaan drinken om weer op zijn dreef te komen.
Na de kerken voegt een enkel woord over de kloosters. Het uitwendig
voorkomen dezer gebouwen is hoogst eenvoudig: het zijn meest
altijd plompe, langwerpig vierkante gevaarten, met blinde muren,
met pannendaken of wel met koepels gekroond, en doorgaans met een
enkele gewelfde poort, waarboven het kruis is geplaatst. Deze poort
voert naar eene kleine binnenplaats, aan alle zijden door hooge muren
omgeven, en waarop een bochtige en sombere gang uitkomt, die toegang
geeft tot het eigenlijke kloostergebouw. De onaangename indruk, dien
ge bij het betreden van den duisteren gang mocht ontvangen hebben,
wordt hier spoedig uitgewischt. De blik dwaalt door ruime hoven, door
sierlijke galerijen omringd; te midden dier hoven, in bloeiende tuinen
herschapen, prijken fraaie fonteinen, waaruit ruischende waterstralen
omhoog springen, terwijl de geuren der bloemen, in smaakvol aangelegde
perken gerangschikt, u tegenstroomen. Eene diepe, vredige stilte
en kalme rust heerschen hier; geen enkel onharmonisch geluid treft
het oor van den mijmerenden, eenzamen wandelaar; het gemurmel der
wateren, het suizen van den wind, het gekweel van een vogel in de
takken,--ziedaar de eenige geluiden, die de stilte verbreken. De
voornaamste kloosters zijn die van la Merced, van Santa-Clara, van
San-Domingo en van San-Francisco.
De kloostertucht is te Cuzco, althans voor de monniken, niet overmatig
streng. Zij mogen ongehinderd gaan werwaarts zij willen, en zijn dan
ook zelden in hun cel te vinden; doorgaans verlaten zij het klooster na
de ochtenddienst en keeren niet vóór des avonds negen uur terug. Wat
zij in dien tusschentijd uitvoeren, weet ik niet; maar wel weet ik,
dat men op alle publieke plaatsen, in bijna alle gezelschappen,
monniken aantreft, waar zij meestal niet weinig bijdragen tot de
algemeene gezelligheid en vroolijkheid. De nonnen daarentegen mogen
haar klooster nooit verlaten, zelfs niet, als te Arequipa, hare
bloedverwanten en vrienden bij zich ten bezoeke ontvangen.
De bouwtrant der huizen van Cuzco heeft dit eigenaardige, dat de meeste
huizen rusten op oude muren uit de dagen der Incas, die aanstonds
kenbaar zijn aan het gemis van verf of kalk, terwijl het overige van de
woning altijd met een laag witkalk is bestreken of licht geverfd. Deze
eigenaardigheid dagteekent uit den tijd van Pizarro den veroveraar,
die, om tijd en handenarbeid uit te winnen, de oude gebouwen slechts
halverwege liet afbreken en op het overblijvende nieuwe verdiepingen
optrekken. Zoo is de stad, door een gelukkig toeval, maar ten halven
lijve gemetamorphoseerd: van boven modern en katholiek, is zij van
onderen antiek en heidensch gebleven.
De stijl dezer huizen is, behoudens enkele wijzigingen, dezelfde als
van alle amerikaansche steden, door spaansche architecten of hunne
leerlingen gebouwd: eentonig, plomp en koud. De woning, een zware
vierkante steenklomp, heeft slechts eene enkele monumentale poort,
waarvan de massieve deuren geheel met spijkers beslagen zijn. Deze
poort komt uit op eene geplaveide binnenplaats. Een ruime trap voert
naar de eerste verdieping, aan de binnenzijde met een houten of
steenen galerij voorzien, op welke galerij de receptiekamers en de
slaapvertrekken uitkomen. In sommige woningen zijn de binnenplaatsen
met bloeiende heesters versierd, die in allerlei wonderlijke vormen
zijn gesnoeid.
Het ameublement dezer huizen is tweevoudig. De familiën, die aan de
oude traditiën zijn getrouw gebleven, hebben ook hare spaansche
meubelen behouden, zwaar gebeeldhouwd, met levendige kleuren
beschilderd, met gouden lijsten en randen versierd, en bezaaid met
rozen of tulpen. In de nieuwerwetsche huizen is het ameublement in
den smakeloozen parijs-griekschen stijl van 1804. In beiden vindt ge
ijzeren traliën voor de vensters, geen of bijna geen gordijnen, maar
daarentegen een overvloed van tapijten tot afwering van de koude van
den grond, die, bij gebrek aan een houten vloer, met een laag argamaza,
een soort van cement, is bedekt.
De wanden der aristokratische salons zijn bekleed met een grijs
papieren behangsel of beschilderd. Op tafels of consoles met
achthoekige spiegels in stalen lijsten, zijn allerlei snuisterijen en
antiquiteiten uitgestald: min of meer geschonden beeldjes van Incas
en Coyas (Keizerinnen), beschilderde aarden vazen uit den tijd vóór
de verovering en min of meer gebarsten. Eertijds prijkten de salons
der oude aristokratie met schilderijen in olieverf, door kunstenaars
van Cuzco of Quito vervaardigd. Maar tengevolge der herhaalde
politieke omwentelingen en beroeringen, zijn die schilderijen voor
het meerendeel vernield, verloren geraakt of verkocht. Om het verlies
dezer schilderijengalerij te vergoeden, zijn sommige adellijke familiën
op een vernuftigen inval gekomen. Zij hebben den muur van de trap in
hare woning laten beschilderen, hetzij met de kleuren van haar wapen,
hetzij met haar stamboom, onder de gedaante van een wijngaard met
uitgespreide ranken. Die adellijke wijnstok, op welks top meestal
Francisco Pizarro is gezeten, reikt tot de eerste verdieping, en
bedekt den muur met zijne groene trossen, waaraan, bij wijze van
rijpe druiven, de hoofden van baardige Spanjaarden en indiaansche
vrouwen met breede kragen hangen.
De familiën van twijfelachtigen adel, of die, bij gebrek aan een
genoegzaam getal voorouders, zich de weelde van zulk een stamboom
moeten ontzeggen, troosten zich met het bezit van een piano van
engelsch of chilisch fabrikaat. Die piano, waarop altijd twee nieuwe
bougies prijken, en die altijd open staat, neemt de voornaamste plaats
in de receptiekamer in. Intusschen--en dit is een groot voorrecht,
dat de inwoners van Cuzco boven die van menige europeesche stad
genieten;--slaat niemand ooit een hand aan die piano: zij dient
alleen om de eigenliefde te streelen, maar is overigens niemand tot
last. Dit meubelstuk is een soort van certificaat van beschaving,
van goeden smaak en fatsoenlijke manieren; wie zulk een instrument
in zijn huis heeft, al is het nog zoo ouderwetsch en al heeft het des
noods geen snaren, rekent zich op gelijken voet te staan met den adel.
Ondanks de koude temperatuur van Cuzco, en de hagel-, sneeuw-
en regenbuien, die zoo dikwijls voorkomen, dat het van deze stad
heet: Llueve 13 meses en un ano--het regent 13 maanden in een
jaar--, vindt men toch in geen enkel huis schoorsteenen, kachels
of verwarmingstoestellen, zelfs geen braseros of vuurpotten. De
dames wikkelen zich zoo goed mogelijk in haar shawl of haar retos;
de heeren in groote mantels. De Indianen van beiderlei kunne dragen
wollen hemden en kleederen, waarbij zij nog, in geval van nood,
wollen schoudermantels voegen. Om zich inwendig te verwarmen, maken
ouden en jongen, rijken en armen, overvloedig gebruik van europeesche
wijnen en likeuren, benevens van de inheemsche chicha en de tafia der
warme streken.--Het is te begrijpen, dat, in dit ruwe klimaat en bij
dien schier altijd nevelachtigen hemel, de lichamelijke zindelijkheid
bij de inboorlingen soms wat te wenschen overlaat, en dat hun afkeer
voor het vloeibaar element, om in dagbladstijl te spreken, soms wel
iets weg heeft van watervrees. De fatsoenlijke lieden, het is waar,
wasschen zich eens in de week een weinig; maar de indiaansche bevolking
wordt geboren, leeft en sterft, zonder ooit behoefte gevoeld te hebben,
zich de handen en het gelaat te reinigen. In den regel slapen de beide
seksen geheel gekleed, en veranderen niet van kleeding, vóór dat die,
welke zij aanhebben, tot flarden versleten is. Over haar gescheurden
rok trekt de indiaansche vrouw eenvoudig een nieuwen rok aan; en daar
zij doorgaans drie of vier rokken dragen, mag men veilig aannemen,
dat de onderste acht of tien jaar oud is. Vandaar die overvloed van
zekere gedierten en die eigenaardige lucht, aan deze inboorlingen
eigen, en die, in de schatting van den kunstenaar, een minder aangenaam
tegenwicht vormen van het schilderachtige in hun manier van doen.
Van October tot Januari wordt het klimaat wat zachter; de grauwe
hemel wordt blauw, en de zon laat haar stralen op het verheugde
aardrijk schijnen. Met uitgelaten blijdschap groet de bevolking de
verschijning van het groote hemellicht, dat zij weleer aanbad. Dit
warme jaargetijde, de korte zomer van Cuzco, wordt door de hoogere
klassen ijverig gebruikt voor reisjes, rijtoertjes en uitstapjes in de
omstreken. Anderen, wier middelen zulke uitspanningen niet veroorloven,
gaan dagelijks naar Huancaro, een gehucht in de onmiddellijke
nabijheid der stad, waar zich een groote steenen badkuip bevindt,
in twee kompartimenten verdeeld, die tot den rand gevuld zijn met
helder en ijskoud water. Tegen een geringen prijs kunnen daar, van
twaalf tot vier uur, mannen en vrouwen, door een beschot gescheiden,
zich al de weelde van een bad veroorloven, waarbij zij huiveren en
klappertanden van de kou.
De vrouwen van Cuzco zijn over het algemeen bruin van kleur, van
middelbare gestalte en een weinig gezet. De indiaansche type heeft bij
haar nog zeer duidelijk de overhand boven de spaansche, zoo als ook de
deugden en gebreken van het inlandsche ras onmiskenbaar te voorschijn
komen onder het kunstmatig vernis eener aangeleerde beschaving. Echter
zoudt ge eene dame van Cuzco doodelijk beleedigen, indien ge u
eene toespeling op hare ontwijfelbare afkomst veroorloofdet. Allen
willen u doen gelooven, dat zij van zuiver spaansche afstamming zijn;
alleen de oude vrouwen, die zich geen illusiën meer maken, komen er
rond voor uit, tot welk ras zij eigenlijk behooren. "Somos Indias,
para que negarlo? Wij zijn Indianen, waarom dat te ontkennen?" zeggen
zij lachende. Maar deze kleine dwaasheden, die zij trouwens met alle
vrouwen gemeen hebben, worden bij de Cusqueñas van elken leeftijd
meer dan opgewogen door haar zachtaardig en beminnelijk karakter,
vooral ook door haar groote vriendelijkheid en voorkomendheid jegens
vreemdelingen. Haar eentonig teruggetrokken leven, eene zekere
moeilijkheid in het vloeiend spreken der spaansche taal, het beperkte
verkeer in eene afgelegene provinciestad--dit alles geeft aan haar
omgang en manieren eene zekere beschroomdheid en linkschheid, die
haar verre van kwalijk staat.
Met uitzondering van de wekelijksche bezoeken, die zeer intieme
vriendinnen in het schemeruur bij elkander afleggen, verlaten de
vrouwen van Cuzco haar woning bijna niet. Zij houden zich bezig,
hetzij met naai- of borduurwerk, hetzij met het bereiden van sorbets en
confituren, en met het keuvelen over de nieuwtjes van den dag, die haar
getrouw door hare chinas of kamermeisjes worden overgebracht. Om een
aantal dames bijeen te brengen, is er eene zeer bijzondere gelegenheid
noodig, zoo als een officieel bal op vastenavond, de intrede van een
bisschop, de installatie van een nieuwen prefect of de benoeming van
een president. Overigens blijven de vrouwen liefst te huis en ontvangen
ook geen bezoek, met uitzondering van vreemdelingen, die altijd welkom
zijn, waarschijnlijk omdat hunne verschijning eene zeldzaamheid is.
Ik kan niet zeggen, dat de Cusqueños bevallig en beschroomd zijn, als
hunne vrouwen, maar ik weet wel, dat zij prikkelbaar en wantrouwend
zijn, en tegenover vreemden zeer terughoudend. Dit laatste is deels een
gevolg van hunne linkschheid, deels van hun pedanterie. De physieke
en zedelijke meerderheid van den Europeaan kwetst hunne ijdelheid,
en het kost hun veel moeite, die meerderheid te erkennen. Zij zijn
dan ook bij uitstek geleerd. Allen hebben gestudeerd in de theologie,
de philosophie, het natuur- en volkenrecht, het burgerlijk en het
kanonieke recht. De natuurkundige wetenschappen, de doode en levende
talen en de schoone kunsten achten zij beneden de waardigheid van
eene mannelijke opvoeding, en met deze ijdelheden houden zij zich niet
op. In den regel wijden zij zich aan de balie, en maar zelden aan het
onderwijs: een advokaat toch is voor alles geschikt. In Peru is het
geen zeldzaamheid, dat collegas van Cicero eensklaps brigade-generaal
worden, vervolgens veldmaarschalk, en eindelijk plaats nemen in den
presidialen zetel. Zulke voorbeelden werken aanstekelijk, en verklaren
het buitengewoon groot aantal advokaten, dat men in Cuzco vindt.
Cuzco heeft ook eene universiteit, in 1692 gesticht. Bij deze
universiteit behooren een kanselier, een rector, een conrector, een
directeur, een secretaris, drie hoogleeraren, een penningmeester,
twee deurwaarders of pedellen en een portier. Er wordt onderwijs
gegeven in de theologie en het kanonieke recht, en ook een weinig
in de logika. Voorts roemt de stad nog op het bezit van een college
voor wetenschap en kunst, in 1825 gereorganiseerd door generaal
Simon Bolivar; de leerlingen van dit college ontvangen onderricht in
de godsdienst, het spaansch en latijn, de wijsbegeerte, en ook in
de wellevendheid en goede manieren. Eindelijk is er nog een school
voor meisjes, en eene enkele drukkerij, die de laatste onderkoning,
bij zijn vertrek in 1824, heeft achtergelaten.