VI.

Cuzco werd, omstreeks het midden der elfde eeuw van onze jaartelling,

gesticht door Manco-Ccapac, den stamvader van de dynastie der

Incas. De verschijning van dezen vorst en wetgever in de vlakten van

Collao heeft de stoffe geleverd voor eene wondervolle, geheimzinnige

legende, die door de Spaansche geschiedschrijvers op verschillende

wijzen wordt verhaald. Volgens sommigen zouden Manco-Ccapac en

zijne vrouw Mama-Ocllo, op zekeren dag, uit de wateren van het meer

Titicaca zijn opgestegen; anderen zeggen, dat zij te voorschijn zijn

gekomen uit een spleet in een der heuvelen van Paucartampu. Wij

zullen deze wonderverhalen laten voor hetgeen zij zijn; meer dan

waarschijnlijk waren de beide vreemdelingen niet anders dan de

laatste vertegenwoordigers van eene dier tallooze volkplantingen,

die, in vóórhistorische tijden, van de hoogvlakten van centraal-Azië

uitgegaan, zich in alle richtingen door de oude wereld verspreidden.

Bij den tegenwoordigen stand der wetenschap is het niet mogelijk,

met eenige juistheid, het tijdstip dezer oudste verhuizing te bepalen,

of te berekenen hoeveel tijd de zwervende kolonie noodig had, eer zij,

voorzeker na menig oponthoud, het vasteland van Amerika bereikte. Maar

de nauwkeurige studie van de amerikaansche rassen, van hunne zeden,

hun taal, hunne wetten, hunne godsdienstige instellingen, hunne

mythologische en kosmogenische traditiën, van den stijl hunner

bouwgewrochten, kan ons althans een leiddraad in de hand geven,

om de zwervelingen op hun verren tocht eenigermate te volgen.

De eerste gemeenschap tusschen Azië en Amerika had waarschijnlijk

door de Behringstraat plaats, waar de beide werelddeelen elkander

het dichtst naderen.

Al de verschillende typen der amerikaansche bevolkingen kunnen tot twee

groote, vaste hoofdtypen worden herleid: de inlandsche, of zoo men

wil amerikaansch-mongoolsche type, en de iranisch-ârische type. Wij

zullen hier niet de uiterst ingewikkelde vraag behandelen, of het

amerikaansche ras moet beschouwd worden als inderdaad autochthoon

(oorspronkelijk, ingeboren), dan wel als een ras van aziatische

uitgewekenen. Morton, Pricharu, Robertson, Blumenbach beweren het

eerste; andere geleerden zijn van het tegenovergestelde gevoelen. In

ieder geval vertoont het eigenlijk amerikaansche ras eene niet te

loochenen, treffende overeenkomst met het mongoolsche: een feit,

waarvan de verklaring niet moeielijk valt, indien men mag aannemen,

dat de bevolking van Amerika uit Azië oorspronkelijk is.

Van de beide genoemde typen, is de inlandsche of

amerikaansch-mongoolsche, zooals men wil, in de beide Amerika's

de overheerschende: tot dezen behoort de groote meerderheid der

bevolking. Echter vertegenwoordigt dit ras, hetzij dan autochthoon

of aziatisch, niet meer dan het koloniseerende element, om mij

zoo uit te drukken. Het beschavende element wordt uitsluitend

vertegenwoordigd door het iranisch-ârische ras, waarvan de type zich,

de eeuwen door, tot op onze dagen bewaard heeft, indien al niet in

zijne oorspronkelijke zuiverheid, dan toch duidelijk genoeg om alle

verwarring te voorkomen. Dit is de type der eerste volksstammen, die

zich in Nieuw-Spanje vestigden, van waar zij naar Canada, Louisiana,

Florida en Yucatan trokken, en door de vlakten van Popayan en Guyana in

het zuidelijk halfrond doordrongen. De beeldwerken der Tlascalteken,

der Chichimeken, der Tolteken, de hiëroglyphische teekeningen der

astekische handschriften, hebben ons dezen type getrouw bewaard,

dien men nog heden wedervindt bij sommige zwervende stammen van

Noord-Amerika, en in Zuid-Amerika bij de Aymaras en de Quechuas,

en bij sommige wilde stammen aan den linkeroever van de Quillabamba

Santa-Ana, ten oosten van de bergketen der Andes.

Op het eerste gezicht mag het onverklaarbaar schijnen, dat men in het

hart van Amerika, den gelaatstype, de instellingen en monumenten der

aloude volken van Azië terugvindt; maar dit verschijnsel zal minder

raadselachtig voorkomen, wanneer men acht geeft op de streken,

waar deze volken oorspronkelijk gevestigd waren: uitgebreide

landstreken aan den voet van ontzaglijke bergketen en, naar alle

zijden uitloopende in onmetelijke vlakten en onderling verbonden,

zoodat zij te zamen een groot geheel vormden. De hoogvlakten van

Iran, van Zend, van Arya, waren als het ware het groote brandpunt,

van waar de stroom der volksverhuizing in alle richtingen uitging,

al is het ons nu niet meer mogelijk, de oorzaken der verhuizingen on

hare geschiedenissen in bijzonderheden na te gaan.

Uit verschillende historische getuigenissen blijkt, dat de Indiërs,

reeds in de alleroudste tijden, buiten hun land, zoo ten oosten als

ten westen, volkplantingen hebben gesticht. Met den noordoostelijken

moesson steken zij de golf van Omar over, en vestigen zich in het

zuidelijk gedeelte van Arabië, in het eiland Sokotera, om met de

Egyptenaars ruilhandel in goud te drijven. Daarentegen wordt nergens

melding gemaakt van eene indische nederzetting in de noordelijke

landen van Azië. Het is waar, dat er niets was om daarheen hunne

aandacht te trekken, niets dat voor hun handel van eenige beteekenis

kon zijn. Sedert de overoude verhuizing, wellicht in de allereerste

eeuwen der historie, die de Mitsraïeten (zonen der zon) uit het hart

van Azië naar de vallei van den Nijl had gevoerd, was Egypte in het

bezit gebleven der antieke traditiën en overleveringen, en tevens het

middelpunt geworden van eene hooge intellektuëele beschaving en van een

uitgebreiden handel. Haar meerderheid boven de omringende landen was

onbetwistbaar; de glans van haar macht en voorspoed, haar wetenschap

en kunst, trok de bewonderende blikken der volkeren tot zich. Geen

handelsbelang, geen begeerte naar meerdere beschaving, geene behoefte

zelfs aan uitgestrekter grondgebied, kan de verhuizing der arische

stammen naar de noordelijke streken van Azië verklaren. Evenmin

kan de reden daarvoor worden gezocht in godsdiensttwisten of

vervolgingen: althans voor zoo verre ons bekend. Immers, de opkomst

van het Boeddhisme valt in veel later tijd, in de zesde eeuw voor onze

jaartelling op zijn vroegst. Bij gebreke van historische gegevens, ter

verklaring van zulk eene verhuizing, is het misschien niet ongeoorloofd

te denken aan de uitwerking van de eerste veroveringen der thebaansche

Farao's, negen eeuwen ouder dan die van Rhamses-Meiamoun; veroveringen,

aanvankelijk tot de boorden van den Indus beperkt, maar vervolgens tot

voorbij den Ganges uitgestrekt. Zou het niet mogelijk zijn, dat deze

geweldige krijgstochten en veroveringen op de arische volksstammen

een machtigen indruk maakten, en den eersten stoot gaven tot die

verre tochten en verhuizingen, waarover wij ons zoozeer verbazen,

en die wij niet kunnen verklaren?

Wat hiervan zij, en welke gebeurtenis tot die verhuizingen

aanleiding mag gegeven hebben, zeker is het dat deze volksstammen,

bij het verlaten der aziatische hoogvlakten, hun oorspronkelijk

vaderland, hunne godsdienstige denkbeelden, hunne kosmogonische

traditiën, hunne zeden, hunne kunst, hunne taal, medenamen naar den

vreemde. Maar op hunne tochten door de nieuwe onbekende landen, waar

zij soms eeuwen vertoefden, bij de aanraking met andere volken en de

onvermijdelijke vermenging der rassen, konden deze overleveringen en

herinneringen van het verleden niet zuiver bewaard blijven; terwijl

ook de verandering van omstandigheden, ten gevolge der wijziging van

klimaat en grondgesteldheid, niet nalaten kon op hunne denkbeelden

en voorstellingen van grooten invloed te zijn. Zijzelven namen nieuwe

denkbeelden, nieuwe vormen van taal en gedachte in zich op, en lieten

die wederom achter aan de volken, met wie zij in aanraking waren

geweest. Zoo verklaren zich zoowel de vele punten van overeenkomst als

die van verschil in de taal en zeden der volken van arische afkomst,

die wij nog heden aantreffen.

Meenen wij alzoo, op goede gronden, dat in Azië de bakermat ook der

amerikaansche beschaving moet worden gezocht, daarmede willen wij

natuurlijk niet zeggen, dat de aziatische kolonisten, die de eerste

kiemen dezer beschaving met zich brachten, allen te gelijkertijd naar

Amerika zijn gekomen, en evenmin dat hun invloed steeds met gelijke

kracht heeft gewerkt. Er is veelmeer alle reden om aan te nemen, dat de

amerikaansche beschaving lange tijdperken van stilstand en verdooving

heeft gekend, waarin zij, aan zich zelve overgelaten, op dezelfde

hoogte is gebleven, tot zij een nieuwen stoot ontving door nieuwe

volksverhuizers, nieuwe kolonisten uit het moederland, door fenicische,

arabische, wellicht etrurische zeevaarders en emigranten. Ware dit niet

het geval, dan zou men bij al de afstammelingen der eerste aziatische

kolonisten dezelfde godsdienstige leerstellingen en begrippen,

dezelfde zeden, denzelfden bouwstijl moeten aantreffen. Nu bestaat er

evenwel tusschen de natiën van Nieuw-Spanje en die van het zuidelijk

halfrond--ondanks onmiskenbare overeenstemming in het hoofddenkbeeld

van de eeredienst, en in de grondtrekken zoo van het physiek als

van het moreel karakter, die duidelijk naar den gemeenschappelijken

oorsprong en eenzelfde uitgangspunt heenwijst,--een zoo in het oog

vallend verschil, dat de meerderheid der eersten boven de laatsten niet

valt te loochenen. Deze meerderheid laat zich niet anders verklaren dan

door de scheiding, die al spoedig deze volken van elkander verwijderde,

en die de laatsten al verder en verder naar het zuiden voerde, waar

zij den voortdurenden invloed der aziatische beschaving misten, of

althans in veel minder mate moesten gevoelen. Na de scheiding der

beide groepen op het hoogland van Mexiko, zien wij inderdaad, dat de

traditiën van het verleden, de godsdienstige mythen, de kosmogonische

bespiegelingen van Indië en Egypte, juist bij de noordelijke groep vrij

getrouw bewaard blijven. Hun gelaatsvorm, hun kleur, hun lang zacht

kunstig gevlochten hair, hunne witte of veelverwige kleederen:--dit

alles herinnert sterk aan hunne deels semitische, deels japhetische

afstamming. De opperpriesters, die over deze volken regeeren en hunne

eeredienst regelen, de koningen, die hun wetten geven en in den krijg

aanvoeren, zijn mannen met lange baarden, in wijde, golvende kleeding,

echte vertegenwoordigers der aloude theokratische en militaire

kasten van het Oosten. Eeuwen zijn verloopen sedert het vertrek dezer

stammen uit hunne oorspronkelijke woonplaatsen. In eene nieuwe wereld

gevestigd, blijven zij toch voortdurend van Azië, de alma parens,

de kiemen ontvangen eener steeds voortschrijdende beschaving. Het

hieroglyphenschrift wordt bij hen inheemsch, evenzeer als het gebruik

van den papyrus (maguey). Hunne architectuur, aanvankelijk eene bloote

navolging van de plompe oudste monumenten van Indië en Opper-Egypte,

gaat straks zelfstandig haar eigen weg; voor de tempels en paleizen

handhaaft zij de traditioneele, onveranderlijke regelen der oude

hiëratische kunst; maar de wanden dier gebouwen tooit en versiert zij

op hare eigene wijze, wier smaakvolle ornamentatie vaak herinnert aan

den griekschen stijl uit het macedonische tijdperk. De monumenten van

Teotihuacan in den staat Mexiko, die van Culhuacan, van Guatusco en van

Papantla en den staat Chiapa, de tempel van Chichen-Itza in Yucatan,

zijn nog daar als de getuigen van de ontwikkeling der amerikaansche

kunst in hare verschillende tijdperken.

Onder de dynastie der astekische keizers bereikte deze beschaving haar

toppunt. De plechtigheden van de eeredienst, de luister der feesten,

de weelderige levenswijze,--het was hier alles tot de hoogste mate

van pracht en overdaad opgevoerd. Het zijn toestanden als die in

het oude perzische rijk--totdat Hernand Cortes op eenmaal aan al

die heerlijkheid een einde maakt, zooals negentien eeuwen voor hem

Alexander de Groote een einde had gemaakt aan de heerlijkheid van

Babylon en Persepolis.

Een ander schouwspel bieden ons de volken van de tweede groep. Na

hunne afscheiding en hun vertrek naar het zuidelijke vasteland, zien

wij hen dwalen door de boschrijke streken van Venezuela en Guyana,

terwijl zij op de rotsen langs den Orinoquo en de Cassiquiare, aan de

boorden van de rivier de Cauca, de onuitwischbare teekenen van hun

doorgang achterlaten. Onder deze zwervende stammen zijn er enkelen,

die eeuwen lang gevestigd blijven op de hoogvlakten van Bogota; anderen

vertoeven onder den Equator, en stichten in het land Lican de dynastie

der Conchocandos; nog anderen strekken hunne zwerftochten uit tot aan

het meer van Chucuytu, en bedekken de omstreken van Tiahuanacu met

tempels en monumenten. Naarmate zij zich verder verwijderen van het

groote brandpunt van beschaving en ontwikkeling, dat in Nieuw-Spanje

bleef, verflauwt en ontaardt meer en meer de herinnering aan het

gemeenschappelijk verleden met zijne traditiën en inzettingen. Aan

zichzelven overgelaten, afgesneden van alle gemeenschap met de wereld

daar buiten, zich steeds meer onttrekkende aan elken beschavenden

invloed, vervallen zij trapsgewijze in een toestand van betrekkelijke

barbaarschheid.

De haast uitgedoofde fakkel der beschaving werd het eerst weder

ontstoken in Peru, en wel door de dynastie der Incas, die daar de

bijna vergeten eeredienst en traditiën van het oude Oosten op nieuw

in het leven riep en in eere herstelde.

Volgens de plaatselijke overlevering kwamen Manco-Ccapac en zijne

zuster Mama-Ocllo uit de warme valleien aan gene zijde der Cordilleras,

ten oosten van het meer Titicaca. Deze valleien, tusschen Apolobamba en

de bronnen van de rio Beni gelegen, behooren tegenwoordig tot Bolivia,

en worden gewoonlijk aangeduid met den naam van Yungas de la Paz.

Met een gouden roede, het zinnebeeld des gezags, in de hand, trok

deze nieuwe Horus, een herder van nog ongeboren volken, met zijne

gezellinne, door de punas van Collao, en bereikte, na een tocht van

tachtig mijlen in noordwestelijke richting, de hoogten van Huanacoti

(tegenwoordig Huanacauri), van waar hij een ruime, cirkelvormige

quebrada (kom, kloof) ontdekte, door bergen omringd: daar koos

hij zijn verblijf. De stad, die hij later in het midden van deze

quebrada bouwen zal, zal den naam dragen van Ccozçco, dat wil zeggen:

aanknoopingspunt of navel.

Weldra verzamelt de Inca de omwonende stammen om zich: zij

luisteren naar zijn woord, en getroffen door zijne onderwijzing, die

misschien in hun gemoed de herinnering aan een beter verleden wakker

roept, onderwerpen zij zich aan zijne wet, en zeggen hun zwervend

jagersleven vaarwel, om zich aan den landbouw te wijden. Terwijl

Manco de mannen onderricht in het ontginnen van den grond, in het

bezaaien van den akker, en het graven van besproeiingskanalen, leert

Mama Ocllo de vrouwen, hoe zij de wol der vigognas en alpacas moeten

spinnen, de stoffen weven voor de kleeding der leden van het gezin,

en hare plichten als huismoeders vervullen. Het plan van eene stad

wordt ontworpen: het is een onregelmatig parallelogram, van weinig

uitgestrektheid, en nog door geen muur of omwalling omgeven. Een

beek, van de Cordilleras gedaald, vloeit langs de zuidelijke grens

der stad, die zij later doorsnijden zal, wanneer de metropolis,

onder de regeering van dertien opeenvolgende keizers, hare grenzen

noordwaarts en zuidwaarts zal hebben uitgezet.

Door de ongelijkheid van den grond moet men de stad in twee wijken

verdeelen: Hurin (de bovenstad), tegenwoordig de wijk San-Cristoval, en

Hanan (de benedenstad), tegenwoordig de wijk der kathedraal. In Hurin

wordt een paleis voor Manco gebouwd; de eerste gebouwen, die in Hanan

verrijzen, zijn een tempel voor den Zonnegod en de Accllhuaci of het

paleis der aan zijne dienst gewijde maagden. Deze beide gebouwen, door

Manco begonnen, werden echter eerst vijftig jaar na de stichting van

Ccozçco, door de ijverige bemoeiingen van zijn oudsten zoon Sinchi Roca

voltooid. Gedurende eene halve eeuw was de Zonnetempel niet meer dan

een door ruwe steenen omsloten ruimte, in wier midden een vierkante,

nauwelijks behouwen pilaar verrees, die tevens altaar en beeld der

godheid was, en aan de hyrmensul of zonnesteen der druïden herinnert.

Na gedurende eenige jaren aan de ontwikkeling der jonge gemeente

te hebben gearbeid, begaf Manco zich naar de verstrooide stammen

in de omstreken van Ccozçco. Deze tocht, ondernomen in naam van den

Zonnegod, als wiens zoon en profeet hij zich uitgaf, had zoowel een

godsdienstig als een staatkundig doel: hij wilde deze onbeschaafde

wilden bekeeren tot de dienst van Helios-Churi, en hen tevens aan

zijn gezag onderwerpen. De expeditie, die verscheidene jaren duurde,

leidde tot de onderwerping van een twintigtal stammen, verstrooid over

eene oppervlakte van tien mijlen in omtrek, en tot de inlijving van

hun gebied bij het rijk van den Inca. Onder Manco was dit rijk ten

zuiden begrensd door Quiquijana, ten noorden door Ollantay-Tampu,

ten oosten door Paucartampu, ten westen door Limatampu: een zeer

bescheiden gebied van ettelijke mijlen.

Na eene voorspoedige regeering van vijftig jaren, overleed Manco,

en werd opgevolgd door zijn oudsten zoon Sinchi Roca. Het rijk is

reeds georganiseerd; de eeredienst van de zon is voor goed gevestigd;

de verder te volgen weg nauwkeurig afgebakend: de wijze wetgever

had ook voor de toekomst gearbeid, en zijne opvolgers hadden slechts

zijn werk voort te zetten. En aan deze zending bleven zij gedurende

twaalf geslachten van koningen onveranderlijk getrouw, tot op de

verschijning der europeesche avonturiers, die aan het rijk der Incas

een einde maakten.

Wij kunnen hier ons niet begeven in de geschiedenis van de Incas en hun

rijk; trouwens, daar moet nog zeer veel onderzocht en op onderscheiden

gebied voorgearbeid worden, eer op zoo menige vraag betreffende

het oude Peru een bevredigend antwoord kan worden gegeven. Daarom

laten wij nu het oude Cuzco en de Incas rusten, en gaan over tot de

beschouwing van het moderne Cuzco, dat wij heden ten dage nog ongeveer

in denzelfden toestand zullen vinden, zooals Pizarro, na de verovering,

het herbouwde, en, zooals La Serna, de laatste onderkoning van Peru,

het in 1824 verliet.

Schetsen uit Peru De Aarde en haar volken, Jaargang 1875 · 第 7 / 9 题