Cuzco werd, omstreeks het midden der elfde eeuw van onze jaartelling,
gesticht door Manco-Ccapac, den stamvader van de dynastie der
Incas. De verschijning van dezen vorst en wetgever in de vlakten van
Collao heeft de stoffe geleverd voor eene wondervolle, geheimzinnige
legende, die door de Spaansche geschiedschrijvers op verschillende
wijzen wordt verhaald. Volgens sommigen zouden Manco-Ccapac en
zijne vrouw Mama-Ocllo, op zekeren dag, uit de wateren van het meer
Titicaca zijn opgestegen; anderen zeggen, dat zij te voorschijn zijn
gekomen uit een spleet in een der heuvelen van Paucartampu. Wij
zullen deze wonderverhalen laten voor hetgeen zij zijn; meer dan
waarschijnlijk waren de beide vreemdelingen niet anders dan de
laatste vertegenwoordigers van eene dier tallooze volkplantingen,
die, in vóórhistorische tijden, van de hoogvlakten van centraal-Azië
uitgegaan, zich in alle richtingen door de oude wereld verspreidden.
Bij den tegenwoordigen stand der wetenschap is het niet mogelijk,
met eenige juistheid, het tijdstip dezer oudste verhuizing te bepalen,
of te berekenen hoeveel tijd de zwervende kolonie noodig had, eer zij,
voorzeker na menig oponthoud, het vasteland van Amerika bereikte. Maar
de nauwkeurige studie van de amerikaansche rassen, van hunne zeden,
hun taal, hunne wetten, hunne godsdienstige instellingen, hunne
mythologische en kosmogenische traditiën, van den stijl hunner
bouwgewrochten, kan ons althans een leiddraad in de hand geven,
om de zwervelingen op hun verren tocht eenigermate te volgen.
De eerste gemeenschap tusschen Azië en Amerika had waarschijnlijk
door de Behringstraat plaats, waar de beide werelddeelen elkander
het dichtst naderen.
Al de verschillende typen der amerikaansche bevolkingen kunnen tot twee
groote, vaste hoofdtypen worden herleid: de inlandsche, of zoo men
wil amerikaansch-mongoolsche type, en de iranisch-ârische type. Wij
zullen hier niet de uiterst ingewikkelde vraag behandelen, of het
amerikaansche ras moet beschouwd worden als inderdaad autochthoon
(oorspronkelijk, ingeboren), dan wel als een ras van aziatische
uitgewekenen. Morton, Pricharu, Robertson, Blumenbach beweren het
eerste; andere geleerden zijn van het tegenovergestelde gevoelen. In
ieder geval vertoont het eigenlijk amerikaansche ras eene niet te
loochenen, treffende overeenkomst met het mongoolsche: een feit,
waarvan de verklaring niet moeielijk valt, indien men mag aannemen,
dat de bevolking van Amerika uit Azië oorspronkelijk is.
Van de beide genoemde typen, is de inlandsche of
amerikaansch-mongoolsche, zooals men wil, in de beide Amerika's
de overheerschende: tot dezen behoort de groote meerderheid der
bevolking. Echter vertegenwoordigt dit ras, hetzij dan autochthoon
of aziatisch, niet meer dan het koloniseerende element, om mij
zoo uit te drukken. Het beschavende element wordt uitsluitend
vertegenwoordigd door het iranisch-ârische ras, waarvan de type zich,
de eeuwen door, tot op onze dagen bewaard heeft, indien al niet in
zijne oorspronkelijke zuiverheid, dan toch duidelijk genoeg om alle
verwarring te voorkomen. Dit is de type der eerste volksstammen, die
zich in Nieuw-Spanje vestigden, van waar zij naar Canada, Louisiana,
Florida en Yucatan trokken, en door de vlakten van Popayan en Guyana in
het zuidelijk halfrond doordrongen. De beeldwerken der Tlascalteken,
der Chichimeken, der Tolteken, de hiëroglyphische teekeningen der
astekische handschriften, hebben ons dezen type getrouw bewaard,
dien men nog heden wedervindt bij sommige zwervende stammen van
Noord-Amerika, en in Zuid-Amerika bij de Aymaras en de Quechuas,
en bij sommige wilde stammen aan den linkeroever van de Quillabamba
Santa-Ana, ten oosten van de bergketen der Andes.
Op het eerste gezicht mag het onverklaarbaar schijnen, dat men in het
hart van Amerika, den gelaatstype, de instellingen en monumenten der
aloude volken van Azië terugvindt; maar dit verschijnsel zal minder
raadselachtig voorkomen, wanneer men acht geeft op de streken,
waar deze volken oorspronkelijk gevestigd waren: uitgebreide
landstreken aan den voet van ontzaglijke bergketen en, naar alle
zijden uitloopende in onmetelijke vlakten en onderling verbonden,
zoodat zij te zamen een groot geheel vormden. De hoogvlakten van
Iran, van Zend, van Arya, waren als het ware het groote brandpunt,
van waar de stroom der volksverhuizing in alle richtingen uitging,
al is het ons nu niet meer mogelijk, de oorzaken der verhuizingen on
hare geschiedenissen in bijzonderheden na te gaan.
Uit verschillende historische getuigenissen blijkt, dat de Indiërs,
reeds in de alleroudste tijden, buiten hun land, zoo ten oosten als
ten westen, volkplantingen hebben gesticht. Met den noordoostelijken
moesson steken zij de golf van Omar over, en vestigen zich in het
zuidelijk gedeelte van Arabië, in het eiland Sokotera, om met de
Egyptenaars ruilhandel in goud te drijven. Daarentegen wordt nergens
melding gemaakt van eene indische nederzetting in de noordelijke
landen van Azië. Het is waar, dat er niets was om daarheen hunne
aandacht te trekken, niets dat voor hun handel van eenige beteekenis
kon zijn. Sedert de overoude verhuizing, wellicht in de allereerste
eeuwen der historie, die de Mitsraïeten (zonen der zon) uit het hart
van Azië naar de vallei van den Nijl had gevoerd, was Egypte in het
bezit gebleven der antieke traditiën en overleveringen, en tevens het
middelpunt geworden van eene hooge intellektuëele beschaving en van een
uitgebreiden handel. Haar meerderheid boven de omringende landen was
onbetwistbaar; de glans van haar macht en voorspoed, haar wetenschap
en kunst, trok de bewonderende blikken der volkeren tot zich. Geen
handelsbelang, geen begeerte naar meerdere beschaving, geene behoefte
zelfs aan uitgestrekter grondgebied, kan de verhuizing der arische
stammen naar de noordelijke streken van Azië verklaren. Evenmin
kan de reden daarvoor worden gezocht in godsdiensttwisten of
vervolgingen: althans voor zoo verre ons bekend. Immers, de opkomst
van het Boeddhisme valt in veel later tijd, in de zesde eeuw voor onze
jaartelling op zijn vroegst. Bij gebreke van historische gegevens, ter
verklaring van zulk eene verhuizing, is het misschien niet ongeoorloofd
te denken aan de uitwerking van de eerste veroveringen der thebaansche
Farao's, negen eeuwen ouder dan die van Rhamses-Meiamoun; veroveringen,
aanvankelijk tot de boorden van den Indus beperkt, maar vervolgens tot
voorbij den Ganges uitgestrekt. Zou het niet mogelijk zijn, dat deze
geweldige krijgstochten en veroveringen op de arische volksstammen
een machtigen indruk maakten, en den eersten stoot gaven tot die
verre tochten en verhuizingen, waarover wij ons zoozeer verbazen,
en die wij niet kunnen verklaren?
Wat hiervan zij, en welke gebeurtenis tot die verhuizingen
aanleiding mag gegeven hebben, zeker is het dat deze volksstammen,
bij het verlaten der aziatische hoogvlakten, hun oorspronkelijk
vaderland, hunne godsdienstige denkbeelden, hunne kosmogonische
traditiën, hunne zeden, hunne kunst, hunne taal, medenamen naar den
vreemde. Maar op hunne tochten door de nieuwe onbekende landen, waar
zij soms eeuwen vertoefden, bij de aanraking met andere volken en de
onvermijdelijke vermenging der rassen, konden deze overleveringen en
herinneringen van het verleden niet zuiver bewaard blijven; terwijl
ook de verandering van omstandigheden, ten gevolge der wijziging van
klimaat en grondgesteldheid, niet nalaten kon op hunne denkbeelden
en voorstellingen van grooten invloed te zijn. Zijzelven namen nieuwe
denkbeelden, nieuwe vormen van taal en gedachte in zich op, en lieten
die wederom achter aan de volken, met wie zij in aanraking waren
geweest. Zoo verklaren zich zoowel de vele punten van overeenkomst als
die van verschil in de taal en zeden der volken van arische afkomst,
die wij nog heden aantreffen.
Meenen wij alzoo, op goede gronden, dat in Azië de bakermat ook der
amerikaansche beschaving moet worden gezocht, daarmede willen wij
natuurlijk niet zeggen, dat de aziatische kolonisten, die de eerste
kiemen dezer beschaving met zich brachten, allen te gelijkertijd naar
Amerika zijn gekomen, en evenmin dat hun invloed steeds met gelijke
kracht heeft gewerkt. Er is veelmeer alle reden om aan te nemen, dat de
amerikaansche beschaving lange tijdperken van stilstand en verdooving
heeft gekend, waarin zij, aan zich zelve overgelaten, op dezelfde
hoogte is gebleven, tot zij een nieuwen stoot ontving door nieuwe
volksverhuizers, nieuwe kolonisten uit het moederland, door fenicische,
arabische, wellicht etrurische zeevaarders en emigranten. Ware dit niet
het geval, dan zou men bij al de afstammelingen der eerste aziatische
kolonisten dezelfde godsdienstige leerstellingen en begrippen,
dezelfde zeden, denzelfden bouwstijl moeten aantreffen. Nu bestaat er
evenwel tusschen de natiën van Nieuw-Spanje en die van het zuidelijk
halfrond--ondanks onmiskenbare overeenstemming in het hoofddenkbeeld
van de eeredienst, en in de grondtrekken zoo van het physiek als
van het moreel karakter, die duidelijk naar den gemeenschappelijken
oorsprong en eenzelfde uitgangspunt heenwijst,--een zoo in het oog
vallend verschil, dat de meerderheid der eersten boven de laatsten niet
valt te loochenen. Deze meerderheid laat zich niet anders verklaren dan
door de scheiding, die al spoedig deze volken van elkander verwijderde,
en die de laatsten al verder en verder naar het zuiden voerde, waar
zij den voortdurenden invloed der aziatische beschaving misten, of
althans in veel minder mate moesten gevoelen. Na de scheiding der
beide groepen op het hoogland van Mexiko, zien wij inderdaad, dat de
traditiën van het verleden, de godsdienstige mythen, de kosmogonische
bespiegelingen van Indië en Egypte, juist bij de noordelijke groep vrij
getrouw bewaard blijven. Hun gelaatsvorm, hun kleur, hun lang zacht
kunstig gevlochten hair, hunne witte of veelverwige kleederen:--dit
alles herinnert sterk aan hunne deels semitische, deels japhetische
afstamming. De opperpriesters, die over deze volken regeeren en hunne
eeredienst regelen, de koningen, die hun wetten geven en in den krijg
aanvoeren, zijn mannen met lange baarden, in wijde, golvende kleeding,
echte vertegenwoordigers der aloude theokratische en militaire
kasten van het Oosten. Eeuwen zijn verloopen sedert het vertrek dezer
stammen uit hunne oorspronkelijke woonplaatsen. In eene nieuwe wereld
gevestigd, blijven zij toch voortdurend van Azië, de alma parens,
de kiemen ontvangen eener steeds voortschrijdende beschaving. Het
hieroglyphenschrift wordt bij hen inheemsch, evenzeer als het gebruik
van den papyrus (maguey). Hunne architectuur, aanvankelijk eene bloote
navolging van de plompe oudste monumenten van Indië en Opper-Egypte,
gaat straks zelfstandig haar eigen weg; voor de tempels en paleizen
handhaaft zij de traditioneele, onveranderlijke regelen der oude
hiëratische kunst; maar de wanden dier gebouwen tooit en versiert zij
op hare eigene wijze, wier smaakvolle ornamentatie vaak herinnert aan
den griekschen stijl uit het macedonische tijdperk. De monumenten van
Teotihuacan in den staat Mexiko, die van Culhuacan, van Guatusco en van
Papantla en den staat Chiapa, de tempel van Chichen-Itza in Yucatan,
zijn nog daar als de getuigen van de ontwikkeling der amerikaansche
kunst in hare verschillende tijdperken.
Onder de dynastie der astekische keizers bereikte deze beschaving haar
toppunt. De plechtigheden van de eeredienst, de luister der feesten,
de weelderige levenswijze,--het was hier alles tot de hoogste mate
van pracht en overdaad opgevoerd. Het zijn toestanden als die in
het oude perzische rijk--totdat Hernand Cortes op eenmaal aan al
die heerlijkheid een einde maakt, zooals negentien eeuwen voor hem
Alexander de Groote een einde had gemaakt aan de heerlijkheid van
Babylon en Persepolis.
Een ander schouwspel bieden ons de volken van de tweede groep. Na
hunne afscheiding en hun vertrek naar het zuidelijke vasteland, zien
wij hen dwalen door de boschrijke streken van Venezuela en Guyana,
terwijl zij op de rotsen langs den Orinoquo en de Cassiquiare, aan de
boorden van de rivier de Cauca, de onuitwischbare teekenen van hun
doorgang achterlaten. Onder deze zwervende stammen zijn er enkelen,
die eeuwen lang gevestigd blijven op de hoogvlakten van Bogota; anderen
vertoeven onder den Equator, en stichten in het land Lican de dynastie
der Conchocandos; nog anderen strekken hunne zwerftochten uit tot aan
het meer van Chucuytu, en bedekken de omstreken van Tiahuanacu met
tempels en monumenten. Naarmate zij zich verder verwijderen van het
groote brandpunt van beschaving en ontwikkeling, dat in Nieuw-Spanje
bleef, verflauwt en ontaardt meer en meer de herinnering aan het
gemeenschappelijk verleden met zijne traditiën en inzettingen. Aan
zichzelven overgelaten, afgesneden van alle gemeenschap met de wereld
daar buiten, zich steeds meer onttrekkende aan elken beschavenden
invloed, vervallen zij trapsgewijze in een toestand van betrekkelijke
barbaarschheid.
De haast uitgedoofde fakkel der beschaving werd het eerst weder
ontstoken in Peru, en wel door de dynastie der Incas, die daar de
bijna vergeten eeredienst en traditiën van het oude Oosten op nieuw
in het leven riep en in eere herstelde.
Volgens de plaatselijke overlevering kwamen Manco-Ccapac en zijne
zuster Mama-Ocllo uit de warme valleien aan gene zijde der Cordilleras,
ten oosten van het meer Titicaca. Deze valleien, tusschen Apolobamba en
de bronnen van de rio Beni gelegen, behooren tegenwoordig tot Bolivia,
en worden gewoonlijk aangeduid met den naam van Yungas de la Paz.
Met een gouden roede, het zinnebeeld des gezags, in de hand, trok
deze nieuwe Horus, een herder van nog ongeboren volken, met zijne
gezellinne, door de punas van Collao, en bereikte, na een tocht van
tachtig mijlen in noordwestelijke richting, de hoogten van Huanacoti
(tegenwoordig Huanacauri), van waar hij een ruime, cirkelvormige
quebrada (kom, kloof) ontdekte, door bergen omringd: daar koos
hij zijn verblijf. De stad, die hij later in het midden van deze
quebrada bouwen zal, zal den naam dragen van Ccozçco, dat wil zeggen:
aanknoopingspunt of navel.
Weldra verzamelt de Inca de omwonende stammen om zich: zij
luisteren naar zijn woord, en getroffen door zijne onderwijzing, die
misschien in hun gemoed de herinnering aan een beter verleden wakker
roept, onderwerpen zij zich aan zijne wet, en zeggen hun zwervend
jagersleven vaarwel, om zich aan den landbouw te wijden. Terwijl
Manco de mannen onderricht in het ontginnen van den grond, in het
bezaaien van den akker, en het graven van besproeiingskanalen, leert
Mama Ocllo de vrouwen, hoe zij de wol der vigognas en alpacas moeten
spinnen, de stoffen weven voor de kleeding der leden van het gezin,
en hare plichten als huismoeders vervullen. Het plan van eene stad
wordt ontworpen: het is een onregelmatig parallelogram, van weinig
uitgestrektheid, en nog door geen muur of omwalling omgeven. Een
beek, van de Cordilleras gedaald, vloeit langs de zuidelijke grens
der stad, die zij later doorsnijden zal, wanneer de metropolis,
onder de regeering van dertien opeenvolgende keizers, hare grenzen
noordwaarts en zuidwaarts zal hebben uitgezet.
Door de ongelijkheid van den grond moet men de stad in twee wijken
verdeelen: Hurin (de bovenstad), tegenwoordig de wijk San-Cristoval, en
Hanan (de benedenstad), tegenwoordig de wijk der kathedraal. In Hurin
wordt een paleis voor Manco gebouwd; de eerste gebouwen, die in Hanan
verrijzen, zijn een tempel voor den Zonnegod en de Accllhuaci of het
paleis der aan zijne dienst gewijde maagden. Deze beide gebouwen, door
Manco begonnen, werden echter eerst vijftig jaar na de stichting van
Ccozçco, door de ijverige bemoeiingen van zijn oudsten zoon Sinchi Roca
voltooid. Gedurende eene halve eeuw was de Zonnetempel niet meer dan
een door ruwe steenen omsloten ruimte, in wier midden een vierkante,
nauwelijks behouwen pilaar verrees, die tevens altaar en beeld der
godheid was, en aan de hyrmensul of zonnesteen der druïden herinnert.
Na gedurende eenige jaren aan de ontwikkeling der jonge gemeente
te hebben gearbeid, begaf Manco zich naar de verstrooide stammen
in de omstreken van Ccozçco. Deze tocht, ondernomen in naam van den
Zonnegod, als wiens zoon en profeet hij zich uitgaf, had zoowel een
godsdienstig als een staatkundig doel: hij wilde deze onbeschaafde
wilden bekeeren tot de dienst van Helios-Churi, en hen tevens aan
zijn gezag onderwerpen. De expeditie, die verscheidene jaren duurde,
leidde tot de onderwerping van een twintigtal stammen, verstrooid over
eene oppervlakte van tien mijlen in omtrek, en tot de inlijving van
hun gebied bij het rijk van den Inca. Onder Manco was dit rijk ten
zuiden begrensd door Quiquijana, ten noorden door Ollantay-Tampu,
ten oosten door Paucartampu, ten westen door Limatampu: een zeer
bescheiden gebied van ettelijke mijlen.
Na eene voorspoedige regeering van vijftig jaren, overleed Manco,
en werd opgevolgd door zijn oudsten zoon Sinchi Roca. Het rijk is
reeds georganiseerd; de eeredienst van de zon is voor goed gevestigd;
de verder te volgen weg nauwkeurig afgebakend: de wijze wetgever
had ook voor de toekomst gearbeid, en zijne opvolgers hadden slechts
zijn werk voort te zetten. En aan deze zending bleven zij gedurende
twaalf geslachten van koningen onveranderlijk getrouw, tot op de
verschijning der europeesche avonturiers, die aan het rijk der Incas
een einde maakten.
Wij kunnen hier ons niet begeven in de geschiedenis van de Incas en hun
rijk; trouwens, daar moet nog zeer veel onderzocht en op onderscheiden
gebied voorgearbeid worden, eer op zoo menige vraag betreffende
het oude Peru een bevredigend antwoord kan worden gegeven. Daarom
laten wij nu het oude Cuzco en de Incas rusten, en gaan over tot de
beschouwing van het moderne Cuzco, dat wij heden ten dage nog ongeveer
in denzelfden toestand zullen vinden, zooals Pizarro, na de verovering,
het herbouwde, en, zooals La Serna, de laatste onderkoning van Peru,
het in 1824 verliet.