VIII.

Openbare vermakelijkheden moet men te Cuzco niet zoeken: schouwburgen

en andere gelegenheden van dien aard zijn er niet te vinden. Onder

de volksvermaken verdienen evenwel vermeld te worden: de tocht,

dien de vrouwen uit de volksklasse telken jare, op Allerzielendag,

naar de begraafplaats doen; en de wandelingen naar den Sacsahuaman,

waaraan de kleine burgerij deelneemt.

De bedevaart naar het kerkhof begint al des morgens vroeg. Ten acht

uur zijn reeds al de toegangen bezet met indiaansche vrouwen, die

kruiken met chicha dragen. Op het kerkhof toegelaten, beginnen zij

in het algemeene graf, uit de doodshoofden en andere beenderen, welke

daar verstrooid liggen, die bijeen te zoeken, waarvan zij onderstellen

dat ze eenmaal aan haar bloedverwanten hebben behoord. Zij zoeken

die beenderen zorgvuldig bij elkander, leggen ze op kleine hoopjes,

en vertellen ze, al weeklagende, de nieuwtjes van den laatsten tijd:

dat de vrouw van Juan haar man heeft verlaten en met een soldaat

is doorgegaan; dat de zeug van Pedro acht biggen heeft geworpen,

waaronder een met vijf pooten, en dergelijke belangrijke mededeelingen

meer. Dat alles wordt afgewisseld door huilen en snikken en door het

drinken van chicha, waarbij zij niet vergeten, ook de geliefkoosde

beenderen rijkelijk met den dierbaren drank te besproeien. Daar deze

bezigheid den ganschen dag wordt voortgezet, spreekt het van zelf,

dat de weeklagende vrouwen tegen den avond stomdronken zijn, en luid

schreeuwende en waggelende naar hare woning terugkeeren.

De wandeling naar den Sacsahuaman, die op Pinksterzondag plaats heeft,

is eigenlijk eene landelijke orgie, in de schaduw van de muren der

aloude citadel van de Incas. Mannen en vrouwen, behoorlijk van eet-

en drinkwaren voorzien, beklimmen te voet of te paard de steile

helling, die naar den top des heuvels voert. Boven gekomen, kiest

elk gezelschap zich naar welgevallen eene eigene plaats uit, zet

de mondbehoeften en de medegebrachte flesschen op het gras, eet en

drinkt, zingt en danst, en gaat de bloemen plukken, die hier in elken

herfst ontluiken. Als de zon achter de drie kruisen op den top des

heuvels gedaald is, keert de vroolijke schare, zingende, joelende,

schreeuwende, waggelende en strompelende en elkander vasthoudende,

naar de stad terug. Op het plein der hoofdkerk gaat de menigte uiteen,

waarna de feestviering in de bijzondere woningen wordt voortgezet.

De jaarlijksche processiën, waarbij de dames, in groot toilet op de

getraliede balkons harer huizen gezeten, toezien, moeten mede tot de

openbare vermakelijkheden van Cuzco gerekend worden. De meest beroemde

dezer processiën is die van Onzen Heer der aardbevingen, van wiens

kapel in de hoofdkerk ik reeds gesproken heb. Deze processie heeft

op Paaschmaandag plaats. Reeds twee dagen vooraf gaan de kinderen

der stad bloemen plukken, die in korfjes worden gerangschikt en

hier en daar tentoongesteld. De huizen, waar de processie langs moet

komen, worden met fraaie tapijten en kostbare fluweelen draperieën

behangen; overal heerscht drukte en beweging. Eindelijk is de groote

dag aangebroken. Reeds vroeg in den morgen wordt ge gewekt door het

schieten met camaretos, kleine kanonnen; zwermen, vuurpijlen sissen en

knetteren aan alle kanten, en teekenen in de lucht een vurig spoor. De

gansche bevolking, in haar beste kleeren gedost, vult de straten of

verdringt zich op de balkons. Sedert Zaterdagavond heeft het allerwege

chicha, wijn en brandewijn gestroomd, ter eere van het Paaschfeest.

Met klokslag van vieren doet een driedubbel salvo van camaretos het

plein der kathedraal dreunen, en aanstonds beginnen de klokken van alle

kerken en kloosters te luiden. Tienduizend havelooze, schreeuwende

Indianen staan op het plein geschaard, en de vensters zijn overal

bezet met nieuwsgierigen, zoo mannen als vrouwen, die met hunne

zakdoeken zwaaien. De drie deuren der kathedraal worden wijd geopend,

en gunnen een blik te slaan in de donkere diepte van het schip, nu

door duizende waskaarsen verlicht. Eene huivering van eerbied vaart

door de schare. Aller halzen zijn gestrekt, aller oogen gekeerd naar

den hoofdingang, waaruit de processie te voorschijn komt, voorafgegaan

door de gouden kruisen, en groote zilveren kandelaars, welke laatsten

door bruine koorknapen, in witte kleeding, gedragen worden.

Dan volgt op een draagbaar, door acht mannen getorscht, het

levensgroote beeld van San-Blas, dat door de menigte met luid

handgeklap wordt begroet. Het kostuum van den heiligen bisschop

bestaat uit eene zwart fluweelen tuniek met goud geborduurd, die hem

tot aan de knieën reikt; een nauwsluitenden, vleeschkleurigen broek;

eene breede, geplooide halskraag, en een opengewerkte zwart fluweelen

baret met witte veeren; zijne voeten zijn gevat in roode laarsjes,

en in de met een leeren handschoen bekleede rechterhand, houdt hij

zijn gebedenboek in quarto, sierlijk verguld op snede. Een engel met

uitgespreide vleugelen, op een spiraalvormig ijzerdraad geplaatst,

houdt een rood zijden parasol boven het hoofd van den heilige.

San-Blas wordt onmiddellijk gevolgd door San-Benito, die tamelijk

koel ontvangen wordt, omdat de eerwaardige abt tot de zonen van Cham

behoort. Het gelaat van het beeld is dan ook inderdaad pikzwart, en

de groote witte oogen en de vooruitstekende dikke lippen, violetrood

van kleur, geven den eerwaardigen vader inderdaad een afschuwelijk

voorkomen.

Op hem volgt San-Cristoval. De kluizenaar houdt een ontwortelden

palmboom in de hand, die als een riet onder zijne reusachtige gestalte

buigt. Hij is gehuld in een wit kleed, met gouden sterren geborduurd,

en met paars agrement afgezet; hij draagt een purperen hairband,

evenals een assyrische koning, groote opstaande knevels en een

spitsen kinbaard.

San-José, de echtgenoot van Maria, volgt op San-Cristoval. De nederige

timmerman draagt een bruinen pelgrimsrok. Een schaaf hangt hem over

den schouder; in de eene hand houdt hij een zaag, en met de andere

omklemt hij een knoestigen stok. Zijn eenige sieraad is een pauwenveer,

op zijn vilten hoed gestoken.

Achter San-José vertoont zich het beeld van Onze-Lieve-Vrouwe van

Belen of Bethlehem, gedragen door zestien mannen, die schier onder

hun last bezwijken. Geen wonder: de draagbaar waarop het beeld staat,

is van massief huarangohout, met zilveren platen bedekt, en bovendien

voorzien met zware zilveren kandelaars, waarop welriekende kaarsen

branden. De Heilige Maagd is allerprachtigst gekleed. Haar japon, van

wit en blauw brokaat met goud doorweven, heeft een omvang van zes el;

de borst is met zilverborduursel versierd; uit de korte wijde mouwen,

rijkelijk met kant omzoomd, komen een paar fraai gevormde, blanke armen

te voorschijn, stralende van rijke armbanden, zooals de fijne vingers

van kostbare ringen. In de eene hand houdt zij een skapulier, met goud

en edelgesteenten geborduurd; in de andere een kostbaren waaier. Haar

lichtblonde hairen zijn een weinig gegolfd; op haar smaakvol kapsel

draagt zij een diadeem van onnoemelijke waarde; twee prachtige parelen

hangen in haar ooren; een ketting van robijnen schittert om haar

hals, die in een reusachtigen opstaanden kanten kraag, met gouddraad

doorwerkt, is gevat. De merkwaardigste bijzonderheid aan dat beeld

zijn wel de glazen oogballen, die, door middel van een verborgen

veer, met duizelingwekkende snelheid rusteloos heen en weer rollen,

hetgeen een allerzonderlingsten, zeer onaangenamen indruk maakt.

Bij het verlaten der kerk, plaatsen zich de dragers met de beelden

van San-Blas, San-Benito en San-Cristoval ter linkerzijde van

den hoofdingang; de Madonna en de heilige Joseph plaatsen zich

ter rechterzijde. Er verloopen eenige oogenblikken, eer dat het

Christusbeeld verschijnt. Eindelijk wordt eene groote figuur in de

schemering zichtbaar; de mannen nemen hunne hoeden af, de vrouwen maken

het teeken des kruises. Dit beeld van den Zaligmaker is een geschenk

van Karel V, en sedert niet meer schoongemaakt of geschilderd. Uit

het oogpunt der kunst heeft het niet de minste waarde: het is niet

veel meer dan een ruw behouwen stuk hout, waarvan de afzichtelijkheid

nog aanmerkelijk verhoogd wordt door de kleur, die mettertijd donker

rossig is geworden. Het bloed, waarmede het beeld letterlijk van

het hoofd tot de voeten besprenkeld is, heeft mede met de jaren een

vuilzwarte kleur aangenomen, hetgeen den aanblik des te afschuwelijker

maakt. De Gekruisigde draagt een wijden kanten rok, die om de heupen

is gebonden en tot over de knieën reikt; de dorens der doornenkroon

zijn edelgesteenten van fabelachtigen prijs; de nagels aan handen en

voeten zijn smaragden van drie duim lengte, en de randen der wond

in de zijde zijn met groote robijnen bezet. Dit Christusbeeld rust

op een zilveren draagbaar, die door dertig ongeschoeide, ongekamde,

havelooze cholos gedragen wordt; in het rond branden een aantal

groote waskaarsen, en het gansche beeld wordt, door verborgen veeren,

voortdurend in een soort van zenuwachtige trilling gehouden.

De verschijning van dit beeld is het teeken voor het hervatten van den

optocht. De processie zet zich in beweging; achter het Christusbeeld

volgt de bisschop met het heilige sakrament, omstuwd en gevolgd door

alle geestelijke en wereldlijke notabiliteiten. Ter wederzijde van

den stoet gaan de monniken der verschillende orden, die ook den trein

sluiten en gevolgd worden door de bagijnen. Eene dichte, luidruchtige,

rumoerige menigte golft, dringend, hortend, schreeuwend, achter de

processie, en perst en duwt om zoo mogelijk nabij het Christusbeeld te

komen en dat mede te helpen dragen, hetgeen in den regel aanleiding

geeft tot vechtpartijen. Zoo vervolgt de processie, onder eene

onbeschrijfelijke en steeds toenemende verwarring, telkens opgehouden

en telkens voortworstelende, haar weg, en keert eindelijk, na in twee

uren een afstand te hebben afgelegd, dien een gewoon wandelaar binnen

tien minuten zou afleggen, in de kerk terug. Ik behoef bijna niet te

zeggen, dat de dag in drinkgelagen en ongebondenheid eindigt.

Gedurende mijn verblijf te Cuzco, ben ik ook getuige geweest van den

plechtigen intocht van een bisschop en de benoeming van een president,

bij welke gelegenheid Cuzco groote feesten aanrichtte, die drie dagen

duurden. De eerste dag werd er een plechtige mis gevierd, en daarna,

op den vollen middag, op het plein voor de hoofdkerk, een groot

vuurwerk afgestoken; op den tweeden dag voerden de kweekelingen van

het college van San-Bernardo een treurspel op, Antonius en Cleopatra

getiteld. De voornaamste dames van de stad, vooraf uitgenoodigd door

brieven op wit en rose satijn gedrukt, vereerden de opvoering met

hare tegenwoordigheid. Een student in de theologie, met eene vrij

donkere gelaatskleur, maar gekapt met een pruik met lange krullen en

een toque met vederen, met hooge borsten, en gekleed in een witte

japon met zes rijen volants, vervulde de rol der schoone koningin

van Egypte. Een zijner kameraden, met een sapeursbaard aan zijn kin,

een driekanten hoed met veêren, een zwarten rok en broek en hooge

kaplaarzen, speelde voor Antonius.

De derde dag kenmerkte zich door een zoogenaamd stierengevecht. Het

plein Cabildo, waar de waterdragers gewoon zijn hunne kruiken te

komen vullen en een praatje te maken, was in een circus met zes

rijen oploopende banken herschapen. Van twaalf tot vier uren werden

achtervolgens twaalf stieren in het perk gelaten. Daar echter deze

kunst te Cuzco nog in de kindsheid verkeert, had men, om een ongeluk

te voorkomen, de horens der stieren afgezaagd en van proppen of ballen

voorzien; er werden dan ook slechts enkele chulos, in wit en groen

satijn gedost, tegen den grond geworpen, waarmede de zaak afliep. Met

klokslag van vieren marcheerde een afdeeling soldaten, omstreeks dertig

man sterk, in grijze uniformen, en met wit katoenen policiemutsen

op het hoofd, den circus binnen, op de maat eener luidruchtige en

krijgshaftige muziek, en schaarde zich in het midden. Daarop voerden

zij eenige handgrepen uit, en begonnen toen op eene onbegrijpelijke

wijze te draaien, te wenden en door elkander te marcheeren, waarbij

zij telkens in hun ransel tastten en bloembladeren daaruit haalden,

die zij op den grond lieten vallen. Toen deze manoeuvre afgeloopen

was, groetten deze verdedigers van het vaderland zeer beleefd het

publiek en trokken, achteruit gaande, af. Toen zag men op het gele

zand, in kolossale bloemenletters van twee el, deze drie woorden:

Viva el Peru! Een storm van toejuichingen en handgeklap was het loon

voor dezen onschadelijken goochelaarstoer.

Tot de eigenaardige vermakelijkheden van Cuzco behooren ook de

gemaskerde optochten, die vooral bij gelegenheid van het carnaval

worden gehouden. Bij die optochten behooren zekere typen, die nooit

ontbreken en steeds met welgevallen door het volk worden begroet. Een

der zonderlingste dezer maskers is de chucchu (derdendaagsche koorts),

voorgesteld door een Indiaan van middelbaren leeftijd, met een

gedeukten strooien hoed op het hoofd, een beddelaken bij wijze van

mantel om de leden, en met een vlierboom in de hand. Twee wonderlijk

uitgedoste jongens vergezellen hem, waarvan de een een stoel, en de

andere een reusachtige lavementspuit draagt. Om de honderd passen

houdt de man, dien de koorts als een blad doet beven, even op, groet

de voorbijgangers, gaat op zijn stoel op de knieën liggen, ligt zijn

beddelaken op, en zet den jongen met het zoo even genoemde instrument

aan het werk, natuurlijk tot groot genoegen van het publiek.

En hiermede nemen wij afscheid van Cuzco. Wellicht dat ik mijn lezers

later uitnoodig, mij op mijn tocht door het binnenland te vergezellen.

Schetsen uit Peru De Aarde en haar volken, Jaargang 1875 · 第 9 / 9 题