Openbare vermakelijkheden moet men te Cuzco niet zoeken: schouwburgen
en andere gelegenheden van dien aard zijn er niet te vinden. Onder
de volksvermaken verdienen evenwel vermeld te worden: de tocht,
dien de vrouwen uit de volksklasse telken jare, op Allerzielendag,
naar de begraafplaats doen; en de wandelingen naar den Sacsahuaman,
waaraan de kleine burgerij deelneemt.
De bedevaart naar het kerkhof begint al des morgens vroeg. Ten acht
uur zijn reeds al de toegangen bezet met indiaansche vrouwen, die
kruiken met chicha dragen. Op het kerkhof toegelaten, beginnen zij
in het algemeene graf, uit de doodshoofden en andere beenderen, welke
daar verstrooid liggen, die bijeen te zoeken, waarvan zij onderstellen
dat ze eenmaal aan haar bloedverwanten hebben behoord. Zij zoeken
die beenderen zorgvuldig bij elkander, leggen ze op kleine hoopjes,
en vertellen ze, al weeklagende, de nieuwtjes van den laatsten tijd:
dat de vrouw van Juan haar man heeft verlaten en met een soldaat
is doorgegaan; dat de zeug van Pedro acht biggen heeft geworpen,
waaronder een met vijf pooten, en dergelijke belangrijke mededeelingen
meer. Dat alles wordt afgewisseld door huilen en snikken en door het
drinken van chicha, waarbij zij niet vergeten, ook de geliefkoosde
beenderen rijkelijk met den dierbaren drank te besproeien. Daar deze
bezigheid den ganschen dag wordt voortgezet, spreekt het van zelf,
dat de weeklagende vrouwen tegen den avond stomdronken zijn, en luid
schreeuwende en waggelende naar hare woning terugkeeren.
De wandeling naar den Sacsahuaman, die op Pinksterzondag plaats heeft,
is eigenlijk eene landelijke orgie, in de schaduw van de muren der
aloude citadel van de Incas. Mannen en vrouwen, behoorlijk van eet-
en drinkwaren voorzien, beklimmen te voet of te paard de steile
helling, die naar den top des heuvels voert. Boven gekomen, kiest
elk gezelschap zich naar welgevallen eene eigene plaats uit, zet
de mondbehoeften en de medegebrachte flesschen op het gras, eet en
drinkt, zingt en danst, en gaat de bloemen plukken, die hier in elken
herfst ontluiken. Als de zon achter de drie kruisen op den top des
heuvels gedaald is, keert de vroolijke schare, zingende, joelende,
schreeuwende, waggelende en strompelende en elkander vasthoudende,
naar de stad terug. Op het plein der hoofdkerk gaat de menigte uiteen,
waarna de feestviering in de bijzondere woningen wordt voortgezet.
De jaarlijksche processiën, waarbij de dames, in groot toilet op de
getraliede balkons harer huizen gezeten, toezien, moeten mede tot de
openbare vermakelijkheden van Cuzco gerekend worden. De meest beroemde
dezer processiën is die van Onzen Heer der aardbevingen, van wiens
kapel in de hoofdkerk ik reeds gesproken heb. Deze processie heeft
op Paaschmaandag plaats. Reeds twee dagen vooraf gaan de kinderen
der stad bloemen plukken, die in korfjes worden gerangschikt en
hier en daar tentoongesteld. De huizen, waar de processie langs moet
komen, worden met fraaie tapijten en kostbare fluweelen draperieën
behangen; overal heerscht drukte en beweging. Eindelijk is de groote
dag aangebroken. Reeds vroeg in den morgen wordt ge gewekt door het
schieten met camaretos, kleine kanonnen; zwermen, vuurpijlen sissen en
knetteren aan alle kanten, en teekenen in de lucht een vurig spoor. De
gansche bevolking, in haar beste kleeren gedost, vult de straten of
verdringt zich op de balkons. Sedert Zaterdagavond heeft het allerwege
chicha, wijn en brandewijn gestroomd, ter eere van het Paaschfeest.
Met klokslag van vieren doet een driedubbel salvo van camaretos het
plein der kathedraal dreunen, en aanstonds beginnen de klokken van alle
kerken en kloosters te luiden. Tienduizend havelooze, schreeuwende
Indianen staan op het plein geschaard, en de vensters zijn overal
bezet met nieuwsgierigen, zoo mannen als vrouwen, die met hunne
zakdoeken zwaaien. De drie deuren der kathedraal worden wijd geopend,
en gunnen een blik te slaan in de donkere diepte van het schip, nu
door duizende waskaarsen verlicht. Eene huivering van eerbied vaart
door de schare. Aller halzen zijn gestrekt, aller oogen gekeerd naar
den hoofdingang, waaruit de processie te voorschijn komt, voorafgegaan
door de gouden kruisen, en groote zilveren kandelaars, welke laatsten
door bruine koorknapen, in witte kleeding, gedragen worden.
Dan volgt op een draagbaar, door acht mannen getorscht, het
levensgroote beeld van San-Blas, dat door de menigte met luid
handgeklap wordt begroet. Het kostuum van den heiligen bisschop
bestaat uit eene zwart fluweelen tuniek met goud geborduurd, die hem
tot aan de knieën reikt; een nauwsluitenden, vleeschkleurigen broek;
eene breede, geplooide halskraag, en een opengewerkte zwart fluweelen
baret met witte veeren; zijne voeten zijn gevat in roode laarsjes,
en in de met een leeren handschoen bekleede rechterhand, houdt hij
zijn gebedenboek in quarto, sierlijk verguld op snede. Een engel met
uitgespreide vleugelen, op een spiraalvormig ijzerdraad geplaatst,
houdt een rood zijden parasol boven het hoofd van den heilige.
San-Blas wordt onmiddellijk gevolgd door San-Benito, die tamelijk
koel ontvangen wordt, omdat de eerwaardige abt tot de zonen van Cham
behoort. Het gelaat van het beeld is dan ook inderdaad pikzwart, en
de groote witte oogen en de vooruitstekende dikke lippen, violetrood
van kleur, geven den eerwaardigen vader inderdaad een afschuwelijk
voorkomen.
Op hem volgt San-Cristoval. De kluizenaar houdt een ontwortelden
palmboom in de hand, die als een riet onder zijne reusachtige gestalte
buigt. Hij is gehuld in een wit kleed, met gouden sterren geborduurd,
en met paars agrement afgezet; hij draagt een purperen hairband,
evenals een assyrische koning, groote opstaande knevels en een
spitsen kinbaard.
San-José, de echtgenoot van Maria, volgt op San-Cristoval. De nederige
timmerman draagt een bruinen pelgrimsrok. Een schaaf hangt hem over
den schouder; in de eene hand houdt hij een zaag, en met de andere
omklemt hij een knoestigen stok. Zijn eenige sieraad is een pauwenveer,
op zijn vilten hoed gestoken.
Achter San-José vertoont zich het beeld van Onze-Lieve-Vrouwe van
Belen of Bethlehem, gedragen door zestien mannen, die schier onder
hun last bezwijken. Geen wonder: de draagbaar waarop het beeld staat,
is van massief huarangohout, met zilveren platen bedekt, en bovendien
voorzien met zware zilveren kandelaars, waarop welriekende kaarsen
branden. De Heilige Maagd is allerprachtigst gekleed. Haar japon, van
wit en blauw brokaat met goud doorweven, heeft een omvang van zes el;
de borst is met zilverborduursel versierd; uit de korte wijde mouwen,
rijkelijk met kant omzoomd, komen een paar fraai gevormde, blanke armen
te voorschijn, stralende van rijke armbanden, zooals de fijne vingers
van kostbare ringen. In de eene hand houdt zij een skapulier, met goud
en edelgesteenten geborduurd; in de andere een kostbaren waaier. Haar
lichtblonde hairen zijn een weinig gegolfd; op haar smaakvol kapsel
draagt zij een diadeem van onnoemelijke waarde; twee prachtige parelen
hangen in haar ooren; een ketting van robijnen schittert om haar
hals, die in een reusachtigen opstaanden kanten kraag, met gouddraad
doorwerkt, is gevat. De merkwaardigste bijzonderheid aan dat beeld
zijn wel de glazen oogballen, die, door middel van een verborgen
veer, met duizelingwekkende snelheid rusteloos heen en weer rollen,
hetgeen een allerzonderlingsten, zeer onaangenamen indruk maakt.
Bij het verlaten der kerk, plaatsen zich de dragers met de beelden
van San-Blas, San-Benito en San-Cristoval ter linkerzijde van
den hoofdingang; de Madonna en de heilige Joseph plaatsen zich
ter rechterzijde. Er verloopen eenige oogenblikken, eer dat het
Christusbeeld verschijnt. Eindelijk wordt eene groote figuur in de
schemering zichtbaar; de mannen nemen hunne hoeden af, de vrouwen maken
het teeken des kruises. Dit beeld van den Zaligmaker is een geschenk
van Karel V, en sedert niet meer schoongemaakt of geschilderd. Uit
het oogpunt der kunst heeft het niet de minste waarde: het is niet
veel meer dan een ruw behouwen stuk hout, waarvan de afzichtelijkheid
nog aanmerkelijk verhoogd wordt door de kleur, die mettertijd donker
rossig is geworden. Het bloed, waarmede het beeld letterlijk van
het hoofd tot de voeten besprenkeld is, heeft mede met de jaren een
vuilzwarte kleur aangenomen, hetgeen den aanblik des te afschuwelijker
maakt. De Gekruisigde draagt een wijden kanten rok, die om de heupen
is gebonden en tot over de knieën reikt; de dorens der doornenkroon
zijn edelgesteenten van fabelachtigen prijs; de nagels aan handen en
voeten zijn smaragden van drie duim lengte, en de randen der wond
in de zijde zijn met groote robijnen bezet. Dit Christusbeeld rust
op een zilveren draagbaar, die door dertig ongeschoeide, ongekamde,
havelooze cholos gedragen wordt; in het rond branden een aantal
groote waskaarsen, en het gansche beeld wordt, door verborgen veeren,
voortdurend in een soort van zenuwachtige trilling gehouden.
De verschijning van dit beeld is het teeken voor het hervatten van den
optocht. De processie zet zich in beweging; achter het Christusbeeld
volgt de bisschop met het heilige sakrament, omstuwd en gevolgd door
alle geestelijke en wereldlijke notabiliteiten. Ter wederzijde van
den stoet gaan de monniken der verschillende orden, die ook den trein
sluiten en gevolgd worden door de bagijnen. Eene dichte, luidruchtige,
rumoerige menigte golft, dringend, hortend, schreeuwend, achter de
processie, en perst en duwt om zoo mogelijk nabij het Christusbeeld te
komen en dat mede te helpen dragen, hetgeen in den regel aanleiding
geeft tot vechtpartijen. Zoo vervolgt de processie, onder eene
onbeschrijfelijke en steeds toenemende verwarring, telkens opgehouden
en telkens voortworstelende, haar weg, en keert eindelijk, na in twee
uren een afstand te hebben afgelegd, dien een gewoon wandelaar binnen
tien minuten zou afleggen, in de kerk terug. Ik behoef bijna niet te
zeggen, dat de dag in drinkgelagen en ongebondenheid eindigt.
Gedurende mijn verblijf te Cuzco, ben ik ook getuige geweest van den
plechtigen intocht van een bisschop en de benoeming van een president,
bij welke gelegenheid Cuzco groote feesten aanrichtte, die drie dagen
duurden. De eerste dag werd er een plechtige mis gevierd, en daarna,
op den vollen middag, op het plein voor de hoofdkerk, een groot
vuurwerk afgestoken; op den tweeden dag voerden de kweekelingen van
het college van San-Bernardo een treurspel op, Antonius en Cleopatra
getiteld. De voornaamste dames van de stad, vooraf uitgenoodigd door
brieven op wit en rose satijn gedrukt, vereerden de opvoering met
hare tegenwoordigheid. Een student in de theologie, met eene vrij
donkere gelaatskleur, maar gekapt met een pruik met lange krullen en
een toque met vederen, met hooge borsten, en gekleed in een witte
japon met zes rijen volants, vervulde de rol der schoone koningin
van Egypte. Een zijner kameraden, met een sapeursbaard aan zijn kin,
een driekanten hoed met veêren, een zwarten rok en broek en hooge
kaplaarzen, speelde voor Antonius.
De derde dag kenmerkte zich door een zoogenaamd stierengevecht. Het
plein Cabildo, waar de waterdragers gewoon zijn hunne kruiken te
komen vullen en een praatje te maken, was in een circus met zes
rijen oploopende banken herschapen. Van twaalf tot vier uren werden
achtervolgens twaalf stieren in het perk gelaten. Daar echter deze
kunst te Cuzco nog in de kindsheid verkeert, had men, om een ongeluk
te voorkomen, de horens der stieren afgezaagd en van proppen of ballen
voorzien; er werden dan ook slechts enkele chulos, in wit en groen
satijn gedost, tegen den grond geworpen, waarmede de zaak afliep. Met
klokslag van vieren marcheerde een afdeeling soldaten, omstreeks dertig
man sterk, in grijze uniformen, en met wit katoenen policiemutsen
op het hoofd, den circus binnen, op de maat eener luidruchtige en
krijgshaftige muziek, en schaarde zich in het midden. Daarop voerden
zij eenige handgrepen uit, en begonnen toen op eene onbegrijpelijke
wijze te draaien, te wenden en door elkander te marcheeren, waarbij
zij telkens in hun ransel tastten en bloembladeren daaruit haalden,
die zij op den grond lieten vallen. Toen deze manoeuvre afgeloopen
was, groetten deze verdedigers van het vaderland zeer beleefd het
publiek en trokken, achteruit gaande, af. Toen zag men op het gele
zand, in kolossale bloemenletters van twee el, deze drie woorden:
Viva el Peru! Een storm van toejuichingen en handgeklap was het loon
voor dezen onschadelijken goochelaarstoer.
Tot de eigenaardige vermakelijkheden van Cuzco behooren ook de
gemaskerde optochten, die vooral bij gelegenheid van het carnaval
worden gehouden. Bij die optochten behooren zekere typen, die nooit
ontbreken en steeds met welgevallen door het volk worden begroet. Een
der zonderlingste dezer maskers is de chucchu (derdendaagsche koorts),
voorgesteld door een Indiaan van middelbaren leeftijd, met een
gedeukten strooien hoed op het hoofd, een beddelaken bij wijze van
mantel om de leden, en met een vlierboom in de hand. Twee wonderlijk
uitgedoste jongens vergezellen hem, waarvan de een een stoel, en de
andere een reusachtige lavementspuit draagt. Om de honderd passen
houdt de man, dien de koorts als een blad doet beven, even op, groet
de voorbijgangers, gaat op zijn stoel op de knieën liggen, ligt zijn
beddelaken op, en zet den jongen met het zoo even genoemde instrument
aan het werk, natuurlijk tot groot genoegen van het publiek.
En hiermede nemen wij afscheid van Cuzco. Wellicht dat ik mijn lezers
later uitnoodig, mij op mijn tocht door het binnenland te vergezellen.