V.

Ik heb mijne lezers slechts schetsen uit mijn reisboek beloofd; ik mag

dan ook niet van hen vergen, dat zij mij, van station tot station,

zullen volgen op mijn tocht naar de aloude hoofdstad van Peru. Ik

noodig hen liever uit, mij nu te willen vergezellen bij mijn bezoek

aan Cuzco, de voormalige Zonnestad, de residentie der Incas.

Wij hadden het dorp San-Sebastian verlaten, en volgden den grooten

weg, die ons naar Cuzco brengen moest. De hooge heuvelen, die den

horizon begrenzen, naderen al meer en meer, en schijnen een geweldigen

cirkelvormigen muur te vormen, aan welks voet Cuzco ligt, dat van hier

nog onzichtbaar is. Ter linkerzijde van den weg wordt weldra mijne

aandacht getrokken door een machtigen boom, waarvan de knoestige

gebarsten stam, de sterke blootgewoelde wortels, en het schrale

gebladerte zoovele teekenen zijn van hoogen ouderdom. Volgens de

overlevering zou deze boom geplant zijn door den Inca Capac Yupanqui,

omstreeks het midden der dertiende eeuw; de inboorlingen noemen hem

chachacumayoc--den boom des afscheids. De reiziger, die van Cuzco

vertrekt, behoort zich met zijne bloedverwanten, vrienden of kennissen

onder dezen boom neder te zetten; tot hier doen zij hem uitgeleide;

hier worden de wederkeerige afscheidsgroeten gewisseld, hetgeen in

den regel ontaardt in eene ergerlijke slemppartij.

Een klein kwartier verder verrijst, op den top der heuvelen, het

groote klooster la Recoleta, in 1599 gebouwd, dat de geheele omliggende

vlakte beheerscht, en waar ik vroeger, op mijne botanische uitstapjes,

menigmaal gastvrij ontvangen was. Al voortgaande, komen wij aan den

zoogenoemden Duivels-preekstoel: een hoop geweldige rotsblokken aan den

voet van twee heuvelen, wier gladde en bijna loodrechte wanden hier en

daar van vierkante openingen zijn voorzien, waaruit de Indianen, ten

tijde der Incas, steenen gehouwen hebben. Die duistere gaten, tien el

boven den grond verheven, en waarheen weg noch pad voert, gelijken wel

op spookachtige oogen, waarmede de berg de voorbijgangers aanstaart.

Op korten afstand van daar verdienen twee merkwaardigheden de

aandacht. Ter rechterzijde eene groeve van porfierachtigen zandsteen,

waaruit de inboorlingen de ontzaglijke steenblokken haalden, die wij

nog heden met verbazing beschouwen. Maar, na de uitgehouwen steenen van

de groeve te hebben verwijderd, lieten de Quechuas niet een gapenden

kuil achter: zij beitelden in de rots een kamer uit, tien el in het

vierkant, met een uitnemend en reliëf bewerkt plafond en drie steenen

banken, waarop de vermoeide of door een regenbui overvallen reiziger

zich te rusten kan leggen. Deze banken zijn, evenals de wanden en het

plafond, zoo voortreffelijk bewerkt, zoo glanzend glad gepolijst,

dat geen meubelmaker het in onze dagen zou kunnen verbeteren,

niettegenstaande de grondstof hier metaalharde rots is.

Tegenover deze inderdaad bewonderenswaardige kamer, een werk uit den

zoogenaamd barbaarschen tijd vóór de verovering, staat, te midden

van hoog opschietende struiken en planten, een armzalige leemen hut,

met een rieten dak, waarop een kruis prijkt: dit is de beaterio of

begijnhof van la Recoleta, thans bewoond door drie oude inlandsche

vrouwen, aan wie de zorg is opgedragen, het heiligdom in behoorlijken

staat te onderhouden, en den lof des Heeren te verkondigen: eene

dubbele taak, waarvan zij zich zoo slecht mogelijk kwijten. De hut

ziet er vuil en vervallen uit.

Voorbij dezen beaterio is de weg ter wederzijde omzoomd door eene

onafgebroken reeks van hoeven, tuinen, boomgaarden, die te zamen

eene nauwe, bochtige straat vormen, de zoogenaamde voorstad la

Recoleta. Eene bijna altijd uitgedroogde beek, waarvan de bedding

met steenen is bezaaid, doorsnijdt dit vuile, armoedige kwartier, dat

weinig wordt bezocht, maar niettemin een twintigtal herbergen bezit,

waar chicha wordt verkocht.

Onze muildieren schenen te bemerken, dat wij de aloude heilige stad

naderden; het leek wel of zij, even als weleer Mercurius, vleugels

aan de voeten hadden. Gaten, kuilen, steenblokken, steilten noch

hellingen--niets hield hen tegen in hunne driftige vaart. Met

opgestoken ooren, de neusgaten in den wind, de pooten gestrekt,

draafden zij lustig voort; niemand zou het hun hebben aangezien,

dat zij een tocht van acht-en-negentig mijlen dwars door de Andes

hadden afgelegd. De muilezel is in waarheid een onbetaalbaar dier!

Binnen weinige minuten hadden wij de zoogenaamde Cueva-honda (diepe

grot) bereikt, een steenachtig ravijn, waardoor de bronnen van Sapi

haar water naar de vlakte voeren. Van dit betrekkelijk hooge punt

overschouwt de blik de gebouwen en monumenten van Cuzco. Het panorama

is verre van indrukwekkend: eene plompe, saamgepakte, eentonige massa

van steenen en pannen, een doffe roodachtige grond, waarop bijna

geen enkel detail krachtig uitkomt, en dit alles onder een flauw

en mat licht, dat over het geheel een grauwen tint wierp;--ziedaar

de eerste aanblik van de aloude hoofdstad van Manco-Ccapac, sedert

verbeterd en vermeerderd, maar niet verfraaid, door Francisco Pizarro.

Intusschen, naderbij komende, begint die eenvormige massa zich wat te

scheiden en duidelijker af te teekenen, komt er eenig leven in. Boven

de tallooze daken verheffen zich enkele torens en koepels; tegen den

roodachtig bruinen grond der heuvelen en oude monumenten teekenen

zich hier en daar wit gepleisterde muren af; dan wordt de voorstad

la Recoleta, of liever de zoogenoemde straat, eensklaps afgebroken,

rechts door de steilte, waarop San-Blas, mede een der voorsteden,

ligt; en ter linkerhand door een smal pad, ter wederzijde door ruwe,

cyclopische muren omzoomd: dit pad draagt den weidschen naam van de

straat der Overwinning. De muildieren draven onvermoeid deze steeg

in; en na een paar minuten staan wij eensklaps, zonder door iets op

deze verandering te zijn voorbereid, op de Plaza Mayor van Cuzco,

tegenover de kathedraal.

Ik liet mij aan mijne woning op de Plaza Mayor, onder de zoogenaamde

Oud-linnengalerij, afzetten.--De beide andere galerijen, die,

met de zooeven genoemde, drie zijden van het plein innemen, heeten

de Broodgalerij en de Confiturengalerij.--Ik betaalde Nor Medina

de verschuldigde huur voor zijne muilezels, gaf hem nog een fooi

bovendien, en liet hem vertrekken. Vervolgens ging ik, na mijn honger

gestild te hebben, in mijn gemakkelijk oud-spaansch bed liggen,

en sliep ongestoord tot den volgenden morgen.

Het was mijn voornemen, slechts een paar dagen in Cuzco, dat ik

van vroeger kende, te blijven, om vervolgens naar het binnenland

te reizen, ten einde de indiaansche stammen te bezoeken. Maar ik

mag niet vergeten, dat mijne lezers, althans zeker verreweg het

meerendeel hunner, Cuzco niet door eigen aanschouwing kennen; en dat

het niet aangaat, hen naar deze beroemde stad te voeren, alleen om

enkele benoodigdheden voor den tocht naar het binnenland te koopen,

en dan weer heen te gaan. Ik ben hun eene beschrijving van Cuzco,

van de oude zoowel als van de nieuwe stad, schuldig, en wil mij ook,

voor zooveel in mijn vermogen is, gaarne van dien plicht kwijten.

Schetsen uit Peru De Aarde en haar volken, Jaargang 1875 · 第 6 / 9 题