Ik heb mijne lezers slechts schetsen uit mijn reisboek beloofd; ik mag
dan ook niet van hen vergen, dat zij mij, van station tot station,
zullen volgen op mijn tocht naar de aloude hoofdstad van Peru. Ik
noodig hen liever uit, mij nu te willen vergezellen bij mijn bezoek
aan Cuzco, de voormalige Zonnestad, de residentie der Incas.
Wij hadden het dorp San-Sebastian verlaten, en volgden den grooten
weg, die ons naar Cuzco brengen moest. De hooge heuvelen, die den
horizon begrenzen, naderen al meer en meer, en schijnen een geweldigen
cirkelvormigen muur te vormen, aan welks voet Cuzco ligt, dat van hier
nog onzichtbaar is. Ter linkerzijde van den weg wordt weldra mijne
aandacht getrokken door een machtigen boom, waarvan de knoestige
gebarsten stam, de sterke blootgewoelde wortels, en het schrale
gebladerte zoovele teekenen zijn van hoogen ouderdom. Volgens de
overlevering zou deze boom geplant zijn door den Inca Capac Yupanqui,
omstreeks het midden der dertiende eeuw; de inboorlingen noemen hem
chachacumayoc--den boom des afscheids. De reiziger, die van Cuzco
vertrekt, behoort zich met zijne bloedverwanten, vrienden of kennissen
onder dezen boom neder te zetten; tot hier doen zij hem uitgeleide;
hier worden de wederkeerige afscheidsgroeten gewisseld, hetgeen in
den regel ontaardt in eene ergerlijke slemppartij.
Een klein kwartier verder verrijst, op den top der heuvelen, het
groote klooster la Recoleta, in 1599 gebouwd, dat de geheele omliggende
vlakte beheerscht, en waar ik vroeger, op mijne botanische uitstapjes,
menigmaal gastvrij ontvangen was. Al voortgaande, komen wij aan den
zoogenoemden Duivels-preekstoel: een hoop geweldige rotsblokken aan den
voet van twee heuvelen, wier gladde en bijna loodrechte wanden hier en
daar van vierkante openingen zijn voorzien, waaruit de Indianen, ten
tijde der Incas, steenen gehouwen hebben. Die duistere gaten, tien el
boven den grond verheven, en waarheen weg noch pad voert, gelijken wel
op spookachtige oogen, waarmede de berg de voorbijgangers aanstaart.
Op korten afstand van daar verdienen twee merkwaardigheden de
aandacht. Ter rechterzijde eene groeve van porfierachtigen zandsteen,
waaruit de inboorlingen de ontzaglijke steenblokken haalden, die wij
nog heden met verbazing beschouwen. Maar, na de uitgehouwen steenen van
de groeve te hebben verwijderd, lieten de Quechuas niet een gapenden
kuil achter: zij beitelden in de rots een kamer uit, tien el in het
vierkant, met een uitnemend en reliëf bewerkt plafond en drie steenen
banken, waarop de vermoeide of door een regenbui overvallen reiziger
zich te rusten kan leggen. Deze banken zijn, evenals de wanden en het
plafond, zoo voortreffelijk bewerkt, zoo glanzend glad gepolijst,
dat geen meubelmaker het in onze dagen zou kunnen verbeteren,
niettegenstaande de grondstof hier metaalharde rots is.
Tegenover deze inderdaad bewonderenswaardige kamer, een werk uit den
zoogenaamd barbaarschen tijd vóór de verovering, staat, te midden
van hoog opschietende struiken en planten, een armzalige leemen hut,
met een rieten dak, waarop een kruis prijkt: dit is de beaterio of
begijnhof van la Recoleta, thans bewoond door drie oude inlandsche
vrouwen, aan wie de zorg is opgedragen, het heiligdom in behoorlijken
staat te onderhouden, en den lof des Heeren te verkondigen: eene
dubbele taak, waarvan zij zich zoo slecht mogelijk kwijten. De hut
ziet er vuil en vervallen uit.
Voorbij dezen beaterio is de weg ter wederzijde omzoomd door eene
onafgebroken reeks van hoeven, tuinen, boomgaarden, die te zamen
eene nauwe, bochtige straat vormen, de zoogenaamde voorstad la
Recoleta. Eene bijna altijd uitgedroogde beek, waarvan de bedding
met steenen is bezaaid, doorsnijdt dit vuile, armoedige kwartier, dat
weinig wordt bezocht, maar niettemin een twintigtal herbergen bezit,
waar chicha wordt verkocht.
Onze muildieren schenen te bemerken, dat wij de aloude heilige stad
naderden; het leek wel of zij, even als weleer Mercurius, vleugels
aan de voeten hadden. Gaten, kuilen, steenblokken, steilten noch
hellingen--niets hield hen tegen in hunne driftige vaart. Met
opgestoken ooren, de neusgaten in den wind, de pooten gestrekt,
draafden zij lustig voort; niemand zou het hun hebben aangezien,
dat zij een tocht van acht-en-negentig mijlen dwars door de Andes
hadden afgelegd. De muilezel is in waarheid een onbetaalbaar dier!
Binnen weinige minuten hadden wij de zoogenaamde Cueva-honda (diepe
grot) bereikt, een steenachtig ravijn, waardoor de bronnen van Sapi
haar water naar de vlakte voeren. Van dit betrekkelijk hooge punt
overschouwt de blik de gebouwen en monumenten van Cuzco. Het panorama
is verre van indrukwekkend: eene plompe, saamgepakte, eentonige massa
van steenen en pannen, een doffe roodachtige grond, waarop bijna
geen enkel detail krachtig uitkomt, en dit alles onder een flauw
en mat licht, dat over het geheel een grauwen tint wierp;--ziedaar
de eerste aanblik van de aloude hoofdstad van Manco-Ccapac, sedert
verbeterd en vermeerderd, maar niet verfraaid, door Francisco Pizarro.
Intusschen, naderbij komende, begint die eenvormige massa zich wat te
scheiden en duidelijker af te teekenen, komt er eenig leven in. Boven
de tallooze daken verheffen zich enkele torens en koepels; tegen den
roodachtig bruinen grond der heuvelen en oude monumenten teekenen
zich hier en daar wit gepleisterde muren af; dan wordt de voorstad
la Recoleta, of liever de zoogenoemde straat, eensklaps afgebroken,
rechts door de steilte, waarop San-Blas, mede een der voorsteden,
ligt; en ter linkerhand door een smal pad, ter wederzijde door ruwe,
cyclopische muren omzoomd: dit pad draagt den weidschen naam van de
straat der Overwinning. De muildieren draven onvermoeid deze steeg
in; en na een paar minuten staan wij eensklaps, zonder door iets op
deze verandering te zijn voorbereid, op de Plaza Mayor van Cuzco,
tegenover de kathedraal.
Ik liet mij aan mijne woning op de Plaza Mayor, onder de zoogenaamde
Oud-linnengalerij, afzetten.--De beide andere galerijen, die,
met de zooeven genoemde, drie zijden van het plein innemen, heeten
de Broodgalerij en de Confiturengalerij.--Ik betaalde Nor Medina
de verschuldigde huur voor zijne muilezels, gaf hem nog een fooi
bovendien, en liet hem vertrekken. Vervolgens ging ik, na mijn honger
gestild te hebben, in mijn gemakkelijk oud-spaansch bed liggen,
en sliep ongestoord tot den volgenden morgen.
Het was mijn voornemen, slechts een paar dagen in Cuzco, dat ik
van vroeger kende, te blijven, om vervolgens naar het binnenland
te reizen, ten einde de indiaansche stammen te bezoeken. Maar ik
mag niet vergeten, dat mijne lezers, althans zeker verreweg het
meerendeel hunner, Cuzco niet door eigen aanschouwing kennen; en dat
het niet aangaat, hen naar deze beroemde stad te voeren, alleen om
enkele benoodigdheden voor den tocht naar het binnenland te koopen,
en dan weer heen te gaan. Ik ben hun eene beschrijving van Cuzco,
van de oude zoowel als van de nieuwe stad, schuldig, en wil mij ook,
voor zooveel in mijn vermogen is, gaarne van dien plicht kwijten.