IV.

Ten noorden van Arequipa strekt zich eene zandwoestijn uit, la Pampilla

genaamd, die ge, op een goeden draf, in een half uur doorrijden kunt;

aan de grens dier zandige vlakte begint de weg te stijgen; al steiler

en bezwaarlijker wordt de helling, tot ge eindelijk, uitgeput van

vermoeienis en bibberende van kou, Apo bereikt, het eerste station

in de Sierra-Nevada.

De reiziger, die hier den nacht doorbrengt om zijne beesten te

laten uitrusten, kan op zijn gemak de wonderen van een poollandschap

aanschouwen. Noordwaarts, voor hem uit, is de grond bedekt met vaste

harde sneeuw; de beken slapen gerust onder haar ijsdek; de watervallen

zijn in een verwarde ophooping van stalactiten herschapen; en ten

noordoosten verheffen zich eenige besneeuwde toppen van de Andesketen,

als bleeke schimmen, in de lucht. De thermometer staat op twaalf tot

veertien graden onder nul.

Dit zoogenaamde station van Apo, waar ik tegen het vallen van den avond

aankwam, gelijkt op alle dergelijke inrichtingen in Peru, waar men

niet bijzonder veel zorg voor de reizigers draagt; dat wil zeggen,

het is niets meer dan eene tamelijk ruime hut, in twee vertrekken

verdeeld, en meer of minder vervallen, naar gelang men zich van de

groote steden verwijdert. Een vierkante, ongedekte ruimte, met groote,

op elkander gestapelde steenblokken omzoomd, dient tot stalling voor

de muildieren der reizigers. Zij zelven moeten zich tevreden stellen

met een der beide vertrekken in de hut; zij slapen op den grond,

als zij niet de voorzorg hebben gebruikt, een matras mede te nemen,

bibberen den ganschen nacht van koude, en staan zoo vroeg mogelijk op,

om aan eene kwelling te ontkomen, die zij aan het volgende station

toch zullen wedervinden.

Den volgenden morgen hervatten wij, mijn muilezeldrijver Nor Medina

en ik, onzen tocht, te midden van eindelooze sneeuw- en ijsvelden,

en zonder dat wij eenig levend schepsel zagen, met uitzondering van

eenige condors, die hoog boven ons in de lucht zweefden, en ettelijke

vigognas op de berghellingen. Ten vijf ure zagen wij, tusschen de

rotsen verborgen, het station van Pachaca, waar ik mij had voorgenomen

den nacht door te brengen; maar het station was gesloten, en al ons

roepen en schreeuwen bleef onbeantwoord. Wij waren dus wel genoodzaakt,

eene dubbele dagreis te maken, en door te rijden tot aan Huallata,

waar wij des avonds ten negen ure aankwamen.

Dit wachthuis van Huallata, op een eenzamen bergtop gelegen, te

midden van sneeuwvelden en afgronden, blootgesteld aan alle winden,

dikwerf door ijzige nevels omhuld, maakt een boven alles treurigen en

akeligen indruk. Gelukkig vonden wij hier een tamelijk goed onthaal;

nadat ik een kop chocolade en een stuk geroosterd brood gebruikt had,

begaf ik mij naar het vertrek voor de reizigers bestemd, waar ik mijn

nachttoilet maakte, terwijl Nor Medina, zoo goed hij kon, de gaten en

spleten in den muur dicht stopte. Een vuur van lamamest werd in het

midden van het vertrek aangelegd, en een Indiaan van het posthuis nam,

tegen eene kleine belooning, op zich, dit vuur gedurende den nacht aan

te houden. Dank zij den ijver van onzen waker, heerschte er althans

in de kamer eene dragelijke temperatuur.

Den volgenden morgen was het doordringend koud; wij huiverden en rilden

onder onze mantels, toen wij het posthuis van Huallata verlieten en,

den weg naar Cuzco ter linkerhand latende liggen, de rijzende zon te

gemoet trokken. Men kan in elken tijd des jaars de Andes overtrekken;

maar de meest geschikte tijdstippen voor zulk een tocht zijn de maanden

April en September. In April vindt men geene sneeuw, dan alleen op

de plaatsen, waar zij nimmer smelt. In September is de sneeuw, die

van Juni tot Augustus de wegen bedekt, reeds gesmolten en naar de

zee afgevloeid.

Daar wij toen in Juli, dat wil zeggen in het hart van den winter,

waren, moesten wij er op rekenen door een dier stormen overvallen

te worden, die doorgaans in den achtermiddag losbreken, tenzij de

hemel--wat niet te verwachten was--te onzen gerieve een paar dagen

helder bleef. Wij trokken door eene steenachtige en zeer heuvelachtige

streek, waar ik, zonder hulp van mijn gids, ongetwijfeld zou zijn

verdwaald geraakt; maar Nor Medina was een ervaren leidsman,

op wien ik mij veilig verlaten kon. Tegen twee uren vertoonden

zich aan den hemel eenige witte wolkjes, die de landlieden zeer

plastisch schapenwolkjes en de geleerden cirro-cumuli noemen. Binnen

weinige oogenblikken namen deze wolken ziender ooge in omvang toe,

naderden elkander, en benevelden de zonneschijf. Blijkbaar was er

een storm in aantocht. Wij zagen in het rond, of wij ergens eene

schuilplaats konden vinden; maar nergens was iets van dien aard te

zien. Zelfs in de bergen was geen grot of spleet te bespeuren, waar

wij ons konden verschuilen; wij zetten dus onze muildieren in draf,

zonder zelven te weten waar wij komen zouden, maar alleen gedreven

door de instinktmatige behoefte om ons tegen het dreigende gevaar in

veiligheid te stellen. Weldra stak de wind op; geweldige vlagen dreven

de wolken bijeen, die van oogenblik tot oogenblik donkerder werden;

de donder rolde steeds naderbij, terwijl blauwe bliksemstralen de

zwarte lucht doorkruisten. Onze muilezels liepen zoo snel zij konden,

maar het was niet mogelijk, de geweldige bui, die op de vleugelen

van den storm naderde, te ontkomen. Eensklaps, bij een daverenden

donderslag, was het of de wolken barstten, en een geweldige massa

hagelsteenen kletterde naar beneden. Wij doken huiverende ineen en

wikkelden ons in onze mantels; terwijl onze arme muilezels, aan al

de woede van de bui blootgesteld, hinnikten van pijn, als hen de

scherpe hagelsteenen de oogen of den neus troffen. Straks hield

de hagel op, maar om nu vervangen te worden door eene zoo dichte

sneeuwjacht, dat wij letterlijk geen vier passen voor ons uit konden

zien. In een oogenblik was het landschap als met eene onmetelijke

wade overdekt. Wij reden zoo, bijna op den tast, ongeveer een half

uur voort, toen zich eensklaps een donkere massa voor onze oogen

teekende. "God zij gedankt!" riep Nor Medina, zijn muilezel wendende

naar de zijde van dit gebouw, van welks eigenlijken aard en bestemming

ik mij nog geen rekenschap geven kon. Naderbij gekomen, riep hij mij

toe, af te stijgen. Ik gehoorzaamde des te bereidwilliger, daar de

deur van dat gebouw wijd openstond. Zij was echter zoo laag, dat ik

niet dan op mijne knieën kruipende naar binnen kon komen. Terwijl ik

daarmede bezig was, ontdeed Nor Medina de muildieren van hun tuig,

en kroop toen mede door de opening, om zich bij mij te voegen. De

sneeuw dwarrelde nog steeds in dichte vlokken neder.

De schuilplaats, die wij zoo te goeder uur hadden ontdekt, was een

soort van ruime cel, uit ontzaglijke steenblokken opgetrokken, en met

een reusachtig blok gedekt. Door een klein venster, aan de naar het

oosten gekeerde zijde, ter manshoogte in den wand aangebracht, viel

een schemerlicht naar binnen. Dit graf--want het was een graf--had

misschien een omtrek van tien voet in het vierkant, bij eene hoogte

van acht voet. De muren, schuin naar boven toeloopende als die der

oud-egyptische monumenten, en ontzaglijk dik, hadden waarschijnlijk

menigen storm getart en vele eeuwen zien voorbijgaan. Ik vroeg aan

mijn gids, wat hij van dit gedenkteeken wist, en of zich ook eenige

overlevering aan dit graf verbond. Zijne onvolledige inlichtingen uit

nader ingewonnen berichten aanvullende, kan ik het volgende mededeelen.

Toen de Zonen der Zon zich in Peru kwamen vestigen, vonden zij daar

het groote volk der Aymaras, in de wijde landstreek, die zich van

Lampa tot aan de grenzen van den Desaguadero uitstrekt, en, onder

den naam van Collao, de Punas of bergvlakten ten oosten van de

Andesketen omvat. Deze landstreek, ongeveer negentig mijlen lang en

gemiddeld dertig mijlen breed, bevatte een aantal tempels, paleizen,

verschillende monumenten, sommigen ongeschonden, sommigen in puin

gevallen, en die zoowel door hunne architectuur als door het beeldwerk,

waarmede zij prijkten, getuigenis gaven van eene zeer ontwikkelde

beschaving. De Aymaras, die aan deze gedenkteekenen eene hooge oudheid

toekenden, beweerden dat zij afkomstig waren van de Collahuas, een

volk, waarvan zij zich beroemden af te stammen. Volgens hen, zou

deze natie, in vroeger tijd, uit een ver land, ten noorden van Peru,

zijn gekomen, en zou langen tijd op verschillende plaatsen hebben

vertoefd, alvorens zich in de peruaansche hoogvlakten te vestigen,

die sedert naar hen den naam van Collao droegen.

Naar het zeggen der Aymaras, zou, uit hieroglyphische teekeningen,

waarvan alleen de opperhoofden de verklaring kenden, blijken, dat

deze Collahuas leerden, dat de zon, die hen bescheen, reeds was

voorafgegegaan door vier andere zonnen, die achtereenvolgens waren

uitgebluscht: en wel door eene overstrooming, door een aardbeving,

door een algemeenen wereldbrand, en door een orkaan; telkenmale was

ook al het geschapene mede te gronde gegaan. Na het verdwijnen van

de vierde zon, was de wereld vijf-en-twintig jaar lang in duisternis

gedompeld geweest. In dien nacht, en tien jaar voor de verschijning

van de vijfde zon, was het menschelijk geslacht op nieuw in het aanzijn

getreden. De Schepper had toen andermaal een man en eene vrouw gevormd,

en vervolgens ook de vijfde zon geschapen, die nu reeds sedert duizend

jaren bestond.

Deze zelfde kosmogonie, welke de Aymaras aan de Collahuas hadden

ontleend, wordt ook gevonden bij eene geheele groep van volken,

die allen dezelfde taal spraken: de Tolteken, de Cicimeken, de

Nahuatlaken, de Acolhuen, de Tlascalteken, de Azteken, enz., die,

omstreeks de eerste eeuw van onze jaartelling, het land Auahuac, in

het latere Nieuw-Spanje, bewoonden. Deze volken beweerden, dat zij

deze kosmogonie, zoowel als hunne bouwkunst, hunne hieroglyphen en

hunne beschaving in het algemeen, hadden overgenomen van de Olmeken en

de Xicalanken, twee machtige natiën, die vóór hen in het land hadden

gewoond, en die zich beroemden van overouden oorsprong te zijn.

De zegepraal der Incas in Peru, waardoor vele volksstammen van

de Andes uit hunne woonplaatsen werden verdreven, ontnam ook aan

de Aymaras het land, dat zij sinds zoo langen tijd in bezit hadden

gehad. Reeds onder Sinchi-Roca, den tweeden Keizer van Peru, hadden de

Aymaras de provincie van Cuzco verlaten, en zich al verder en verder

naar het westen teruggetrokken, om aan de heerschappij van de Zonen

der Zon te ontkomen. De derde Inca, Lloque-Yupanqui, ondernam een

krijgstocht naar dat gedeelte van Collao, waarvan het meer Titicaca

met zijne monumenten als het middelpunt kan worden beschouwd; hij

onderwierp de Aymaras, in het zuiden gevestigd, en liet de anderen,

die meer westwaarts woonden, met rust. Mayta-Capac, zijn opvolger,

tastte deze natie van twee zijden tegelijk aan. Na de Aymaras van

Tiahuanacu, in Bolivia, onderworpen te hebben, richtte hij zijne

wapenen tegen die van Parihuanacocha, het Flamingo-meer, nabij den

vijftienden graad gelegen, en bracht ook hen ten onder.

Door deze veroveringen, die onder elken nieuwen Keizer steeds verder

werden uitgebreid, werden de nog vrijgebleven Aymaras naar de kusten

van den Stillen-oceaan teruggedrongen. Sommige familiën van dit

volk hadden zich gevestigd aan den ingang der westelijke valleien,

waar hunne overblijfselen nog heden gevonden worden; anderen waren

tot den oever der zee doorgetrokken, en hadden zich daar vermengd

met de vischetende stammen, die destijds dat gedeelte der kust

bewoonden. Toen, in de vijftiende eeuw, de Inca Capac-Yupanqui de

grenzen van zijn rijk tot aan Chili had uitgebreid, werden ook deze

stammen, en met hen de Aymaras, bijna geheel uitgeroeid. Alleen zij,

die zich reeds vroeger aan de heerschappij der Incas onderworpen

hadden, bleven in de Sierra gevestigd, in een gedeelte der landstreek,

waarin weleer hunne vaderen gewoond hadden. Tegenwoordig telt men nog

ongeveer tweehonderd-duizend dier oude inboorlingen, langs de grenzen

van Bolivia, en in de zeven departementen van die republiek verstrooid.

Bij dit volk heerschte eene zonderlinge gewoonte, die het den

ethnograaf gemakkelijk maakt hun spoor te volgen: de gewoonte namelijk,

om den schedel der pasgeboren kinderen, door samenpersing tusschen

twee met katoen bekleede plankjes, een ovalen kegelvorm te geven. De

geraamten van Aymaras, die men in de nabijheid der zee, tusschen den

zestienden en den achttienden graad, vindt, zijn aanstonds kenbaar

aan dien eigenaardigen langwerpigen vorm van hun schedel, dien ik niet

beter weet te vergelijken dan bij een ei, waarvan een der punten het

gelaat voorstelt.

Niet minder vreemd was de wijze van ter aardebestelling, bij deze

Indianen, tijdens hun bloei, in gebruik, en die men bij geen enkel

ander volk van Zuid-Amerika terug vindt. Hunne graven, chulpas genaamd,

hadden de gedaante van eene afgeknotte pyramide, van twintig tot dertig

voet, hoog. Deze pyramide, uit ongebakken tichelsteenen samengesteld,

liep naar boven smaller toe, en herinnerde door hare algemeene

gedaante, aan de mexikaansche teocallis, waarvan het oorspronkelijke

plan aan den tempel van Bel schijnt ontleend. Somwijlen waren deze

graven niet meer dan eenvoudige cellen of kluizen van opeengestapelde

steenen, met een grooten steenklomp gedekt, en niets dan eene vierkante

kamer bevattende, met eene lage deur aan de westzijde en een klein

raam naar het oosten uitziende. Het graf, waarin wij nu verscholen

waren, was zulk een cel. Soms echter hadden deze graven de gedaante

van een obelisk, waarvan de hoogte, acht of tien el, gelijk stond met

tweemaal de breedte van hun grondvlak. Deze obelisken waren met een

schuin dak gedekt, en uit leemaarde opgetrokken. Een graf als dat,

waarin wij ons nu bevinden, was bestemd voor twaalf personen, wier

lichamen, gebalsemd met den chenopodium ambrosioides uit de naburige

valleien, en in hunne kleederen gedost of gewikkeld in een wijden zak

van totora-bladeren, die ter plaatse van het aangezicht open was,

in een kring waren gezeten, met de voeten tegen elkander. Nevens

ieder lijk bevonden zich eenige maïs-halmen, een pot met chicha, een

etensbak en een lepel. Was het een man, dan voegde men daarbij een

slinger, eenig jacht- of vischtuig en een kluwen wol. Bij eene vrouw

plaatste men een mandje of korfje, van jaraya-vezels gevlochten,

eenige kluwen lama-wol, en eenige breinaalden, vervaardigd uit de

lange zwarte doornen van den cactus quisco. Zoodra het bepaalde aantal

lijken in het graf geplaatst was, werd de ingang toegemetseld. Het

venster alleen bleef open, waarschijnlijk opdat de opkomende zon hare

stralen in dit kalme doodenverblijf zou kunnen werpen. Nog heden vindt

men enkele van deze chulpas, maar ledig en geschonden. Franschen,

Duitschers, Engelschen hebben om strijd deze graven opengebroken,

en de mummies, die daar hun eeuwigen slaap sliepen, in hunne ruste

gestoord, en naar Europa overgebracht, waar zij nu, in een of ander

museum, met hunne holle oogen achter een glazen kast zitten te staren.

De sneeuw had opgehouden, de bui was afgetrokken, en wij vervolgden

onzen tocht. Tegen den avond bereikten wij het gehucht Compuerta,

waar wij den nacht wilden doorbrengen. De ellendige hutten schenen

onbewoond: uit eene daarvan steeg een dunne rookwolk ten hemel:

wij besloten, ons daar aan te melden. Bij onze nadering werd de

deur geopend; eene indiaansche vrouw stak haar hoofd naar buiten,

en zag ons met een verschrikt gelaat aan. Ons voorkomen stelde haar

waarschijnlijk gerust; zij vroeg althans aan mijn gids, welk gelukkig

toeval hem herwaarts voerde; en hoewel zij van mij niet de minste

notitie nam, verzette zij er zich ook niet tegen, toen ik, met mijn

gids, de woning binnentrad.

Wat Nor Medina, waarschijnlijk uit beleefdheid jegens onze gastvrouw,

eene woning noemde, was niets dan eene vierkante, zwarte, berookte,

door en door onreine ruimte; aan de latten van het dak hingen overal

vuile, verscheurde lompen van kleederen, waarvan de oorspronkelijke

kleur onkenbaar was geworden door eene dikke laag rook en roet. In

het midden van het vertrek brandde een vuur van lamamest, dat een

sterken muskuslucht verspreidde, die, gevoegd bij den dikken zwaren

rook, oog en neus evenzeer pijnigde. Voor dat vuur stond een ketel,

die waarschijnlijk het avondeten bevatte. Ik lichtte het deksel op,

en zag eene soort van soep, bestaande uit klaar water en maïsmeel,

waarmede de Indianen in het gebergte zich, bij gebrek van beter,

voeden. Die maaltijd scheen mij wat al te mager, en terwijl ik, op een

bankje voor het vuur gezeten, daarover nadacht, hoorde ik eensklaps,

vlak achter mij, een haan kraaien. Ik schrikte onwillekeurig; maar,

Medina met de indiaansche vrouw ziende binnenkomen, wenkte ik hem. "Ik

houd niet van elagua" zeide ik zacht tot hem, naar de soep wijzende,

die in den ketel pruttelde; "maar die haan zou mij beter aanstaan;

is er geen middel om hem voor ons souper te krijgen?"

"Niets gemakkelijker," antwoordde hij, op denzelfden fluisterenden

toon. Daarop, zich tot de vrouw keerende: "Mamita, ga eens kijken of

de muildieren niet zijn weggeloopen." De vrouw ging heen, en bleef een

oogenblik buiten. Toen zij terug kwam, begon zij luidkeels te gillen:

want Nor Medina, voor het vuur zittende, hield den haan, dien hij den

strot had afgesneden, tusschen zijn beenen, en was bezig den vogel

te plukken.

"Mamita. die haan is erg mager," zeide mijn gids heel kalm tot haar.

"O, duivelskind," riep de vrouw in het quechua, "hond van een mesties,

dief, moordenaar! Waarom hebt gij mijn geliefden haan, dien ik zelve

had opgevoed, gedood?" En de ongelukkige barstte in tranen uit.

"Stil, vrouw," sprak Nor Medina, op ernstigen toon; "de elagua,

die gij klaar maakt, is niet naar den smaak van dezen reiziger; en

daar hij toch iets eten moest, heb ik uw haan genomen. Bovendien,

wij zullen uw mageren haan betalen. Hoeveel is hij wel waard, een

reaal of twee realen?"

De vrouw, die aan de afpersingen en ruwe behandelingen van de

afstammelingen der Spanjaarden gewoon was, scheen zeer verbaasd,

dat men nu haar aanbood te betalen, wat men tot dusver eenvoudig

weggenomen had. Hare tranen droogden plotseling: en toen ik haar een

stuk van vier realen in de hand stopte, was zij al spoedig zoo geheel

met de zaak verzoend, dat zij zelfs Medina hielp bij het plukken

en bereiden van den haan. Terwijl mijn souper over het vuur hing,

hoorden wij van buiten een geluid van stemmen. "Dat is Juan, die met

zijne vrienden van de mijn terugkomt," zeide de vrouw. Nauwelijks had

zij dit gezegd, of vier Indianen, geheel in hunne gestreepte ponchos

gewikkeld, traden de hut binnen. De tegenwoordigheid van vreemdelingen

ontstemde hen blijkbaar; maar de vriendelijke begroeting van Nor

Medina, en vooral het gezicht van den halven piaster, dien de vrouw

aan haar man toonde, verdreef spoedig de booze bui. Terwijl de nieuw

aangekomenen zich van hunne mantels ontdeden, stak de vrouw een dier

harsachtige toortsen aan, die veel meer walm dan licht verspreiden;

de Quechuas zetten zich op den grond neder, en haalden uit hunne

knapzakken een houten nap, dien zij aan de vrouw reikten, en dien

deze tot den rand met heete elagua vulde. Zij plaatsten daarop de

volle schaal op de toppen hunner vijf vingers, lieten ze vrij snel

in de rondte draaien, en slurpten zoo de soep langs den rand op,

waarbij zij allerlei wonderlijke gezichten trokken.

Eindelijk was ook mijn souper gereed. Nor Medina spreidde het dekkleed

van mijn zadel op den grond uit, zette de terrine met den gekookten

haan daarop, legde een puntig gesneden stukje hout, dat de plaats

van een vork vervullen moest, daarnaast, en noodigde mij uit tot

den avondmaaltijd. Ik liet mij niet onbetuigd, ook al was de vogel

wat taai, en verzuimde ook niet, onze gastvrouw een deel van den

maaltijd aan te bieden, dat haar uitnemend scheen te smaken. Kort

daarop verlieten ons de Quechuas; met de vrouw begaven zij zich naar

de naburige hut, ons de woning voor den nacht overlatende. Het duurde

niet lang, of wij lagen voor het vuur uitgestrekt, en waren weldra

in een diepen slaap gedompeld.

Den volgenden morgen, reeds ten zes ure, begaven wij ons weder op

weg, overnachtten dien avond bij den eerwaardigen pastoor van het

dorp Cabana, en bereikten den dag daarna, tegen het vallen van den

avond, de stad Lampa. Het was reeds donker, toen wij onzen intocht

hielden in dit zeer onaanzienlijke stedeke, dat mij bijna uitgestorven

toescheen. Op het marktplein gekomen, vroeg ik aan een koopman in

aardewerk, die juist bezig was zijne uitgestalde borden, potten en

schotels naar binnen te brengen, waar don Firmin de Vara y Pancorbo,

koopman in manufacturen, woonde, voor wien ik een aanbevelingsbrief

bij mij had. Hij wees mij een huis op het plein, waarvan de vensters

straalden van licht. Daar viel ik, zooals men zegt, met mijn neus

in de boter. De koopman vierde het feest van zijn heiligen patroon,

en had eenige heeren en dames van zijne kennis bij zich genoodigd, in

wier kring hij mij nu introduceerde. Het ging daar bijzonder lustig

toe; en het spijt mij, te moeten erkennen, dat het feest al vrij

spoedig zulk een karakter aannam, dat ik het raadzaam oordeelde mij

ongemerkt te verwijderen. Een der bedienden wees mij de slaapkamer

van zijn heer, waar ik, ondanks het helsch rumoer in de feestzaal,

den ganschen nacht rustig sliep. Toen ik den volgenden morgen afscheid

wilde nemen van mijn gastheer, bracht de bediende mij naar de zaal,

waar den vorigen avond feest gehouden was. Hij opende even de deur,

en ik zag een schouwspel, waarvan men mij de beschrijving sparen

zal. Eenige oogenblikken later zat ik in den zadel.

Lampa verlatende, vervolgden wij onzen tocht door een eentonig

landschap: een heuvelachtige hei, met heidekruid en kort gras

begroeid. Nauwelijks waren wij voorbij het eerste station, of wij

vernamen achter ons, steeds naderbij, de tonen eener pansfluit. Ik

keerde mij om, om te ontdekken van waar deze melodie kwam, en zag een

man, die met haastigen tred naar ons toekwam; hij hield een mager

paard bij den teugel, dat achter hem aan draafde, beladen met een

lederen brievenzak.

"Dat is de correo real (koninklijke koerier) die van Puno naar Cuzco

gaat," zeide mijn gids.

"Zeg correo nacional," hernam ik: "het woord koninklijk is, als

oproerleuze, geschrapt in het woordenboek van elke fatsoenlijke

republiek."

De arriero keek mij met verbazing aan, en stond waarschijnlijk op

het punt mij uitlegging van die woorden te vragen, toen de postbode

ons inhaalde. Hij groette ons beleefd, en knoopte een praatje aan

met onzen gids, wien hij vroeg van waar wij kwamen en waarheen wij

gingen. Na vervolgens nog een weinig over het weer, de slechte wegen

in de Sierra en het gebrek aan levensmiddelen gesproken te hebben,

nam hij afscheid en dribbelde weer voort.

Tegen den avond kwamen wij te Pucara, een akelig dorp, uit hoogstens

een honderdtal, deels leemen hutten bestaande. Het heeft volstrekt

niets merkwaardigs, dan zijn kerk, die betrekkelijk groot mag

worden genoemd en met twee half houten torens prijkt; verder is het

vooral bekend om de kermis of jaarmarkt, die daar telken jare in

December gehouden wordt, en die, met de jaarmarkt van Vilque, tot de

belangrijkste van Peru behoort. Dan staat de vlakte voor het dorp vol

tenten en kramen, waar allerlei dingen, voornamelijk producten van

europeesche nijverheid. zij het dan ook niet veel bijzonders, worden

verkocht. Dan beweegt zich daartusschen eene dichte menschenmassa,

deels om te koopen en te verkoopen; deels om getuige te zijn van

de vertooningen van goochelaars, koorddansers, kunstenaars van

allerlei soort, die in den regel bij dergelijke gelegenheden niet

ontbreken. Dan heeft Pucara een gansch ander aanzien dan thans, nu wij

er niets vinden dan den zieken postmeester, die met een gezwollen koon

in zijn bed lag, en voor wien men mijn raad inriep. Ik schreef een

eenvoudige pap van brood en melk voor; maar de Indiaan, die mij had

geraadpleegd, achtte dat dit goed was voor kleine kinderen. Hij maakte

daarop zelf een ander middel klaar: een mengsel van chicha met vet,

fijn gestampte coca-bladeren en asch; dit mengsel liet hij koken, gaf

daarvan den patiënt de helft te drinken, en wiesch hem met de andere

het gelaat. Tot mijne groote verbazing was de postmeester den volgenden

morgen, bij ons vertrek, waarschijnlijk ondanks de kuur, veel beter.

Schetsen uit Peru De Aarde en haar volken, Jaargang 1875 · 第 5 / 9 题