III.

Een smal en steil pad voerde ons naar de vallei, aan den linkeroever

van den Tampu, een der beide riviertjes, die haar besproeien, en

dien wij, nabij het gehucht Ocongate, doorwaadden. Tot dusver had de

gesteldheid van het terrein ons gedwongen, achter elkander te gaan;

maar nu konden wij weder naast elkaar rijden op een breeden, goed

geëffenden weg, ter wederzijde omzoomd door akkers en plantages

en woningen van Indianen. Vooreerst behoefden wij nu voor geen

honger of dorst meer te vreezen, noch voor een zonnesteek, noch voor

vlotzand; en deze zekerheid oefende een zeer gunstigen invloed uit

op de stemming onzer makkers, die steeds vroolijker werden. Ook de

muilezeldrijvers lieten zich niet onbetuigd, en hieven luidkeels

een beurtgezang aan, waarbij nu en dan de muildieren zelven uit al

hun macht accompagneerden. Zoo bereikten wij het gehucht Sachaca,

uit een vijftiental krotten of liever holen in de trachietrots, die

den weg afsluit, bestaande. Naar de legende verhaalt, zou Sachaca,

bij helderen maneschijn, het vereenigingspunt zijn der toovenaars,

der brujas en duendes van den omtrek. Om aan deze nachtelijke

samenkomsten een einde te maken, hebben de bewoners van Sachaca

te vergeefs de hulp ingeroepen van de vermaardste duivelbanners,

en boven de deuren hunner woningen kruisen en gewijde hulsttakjes

geplaatst: niets baatte; de toovenaars hebben de kruisen verbrand om

hun pot te koken, de hulsttakken in bezems veranderd; en ondanks de

krachtigste bezweringen het veld behouden. Tegenwoordig is Sachaca

een vermaledijde plek; als de vrouwen dit gehucht zien, maken zij het

teeken des kruises; en geen man, tenzij hij te veel gedronken heeft,

zou na middernacht hier over den weg durven gaan.

Daar het nu elf uur in den morgen was, en de toovenaars zich, even als

de uilen, overdag schuil houden, hielden onze muilezeldrijvers zonder

aarzelen te Sachaca stil, om een kruik chicha te drinken, dat hier,

naar men zegt, in voortreffelijke kwaliteit gebrouwen wordt. Onze

vrienden, die zich van de waarheid van dit gerucht wilden overtuigen,

lieten zich ook eenige glazen geven, en poogden mij evenzeer over

te halen dien beroemden drank eens te proeven. Ik weigerde echter:

niet zoo zeer uit afkeer voor dit vocht, waaraan ik in ieder geval de

voorkeur geef boven bedorven water; maar omdat ik vreesde dat het bier

van Sachaca, onder zoo booze invloeden gebrouwen, mij betooveren zou,

en mij voor altijd zou terughouden in een streek, die ik den volgenden

morgen wenschte te verlaten.

De streek tusschen Sachaca en Yanahuara, ongeveer een mijl van elkander

verwijderd, is allerbekoorlijkst. De maïs- klaver- en aardappelvelden;

de akkers met goudgeel koren; de heldere beekjes met prachtige

wilgen omzoomd; de witte, blauwe en lichtrood geschilderde huizen:

dit alles vormde een geheel, dat het oog aangenaam aandeed. Hier en

daar ziet ge een prieel van blonde pompoenen, waarboven een wimpel met

de peruaansche kleuren wappert: een teeken, waaraan ge aanstonds de

buitenherberg herkent, want de herbergen in de stad hebben geen ander

uithangbord dan een bos stroo. Daar zijn eenige mannen en vrouwen,

met sepia-kleurige aangezichten, met lange, loshangende haren en

kakelbonte kleeding, bijeen: zij tokkelen een guitaar met drie snaren,

zij blazen op een gespleten riet, zij dansen, huppelen en springen,

onder luid gelach en geschreeuw, gesnap en gejoel, tot zij eindelijk

gaan slapen met het hoofd in de schaduw en de voeten in de zon:

groepen, waaraan een genre-schilder zijn hart zou ophalen.

Even voorbij Yanahuara worden de huizen ter wederzijde van den

weg steeds talrijker; de herbergen vermenigvuldigen zich, en hare

witte en roode wimpels fladderen in de lucht als de vleugelen van

flamingos. Troepen lamas, met gedroogde vijgen, piment, houtskool

of zout beladen, banen zich een weg dwars door konvooien van ezels

en muildieren. Indianen, mannen en vrouwen, loopen heen en weder,

voortdurend babbelende. Hoe verder ge komt, hoe dichter de menigte

wordt, hoe luider het geraas, en daar boven uit hoort ge nu en dan

een verwijderd klokkenspel, dat aan het geheel iets feestelijks

geeft. Alles kondigt de nabijheid van eene groote stad aan. Ge slaat

een hoek om: en eensklaps ligt daar voor u, badende in licht en glans,

de stad Arequipa, aan den voet van den vulkaan Misti, en als met

een diadeem van sneeuwbergen gekroond. Het panorama is betooverend,

en kan de vergelijking met de meest beroemde stadsgezichten doorstaan.

Van de smerige voorstad la Recoleta, waar de chicha-stokerijen dag en

nacht doorwerken, daalden wij af naar een brug met zes bogen, die naar

de eigenlijke stad voert. Deze brug is meer dan honderd voeten boven

de bedding van het riviertje de Chile verheven, de tweelingzuster

van den Tampu, die langs Ocongate vloeit. Tijdens het smelten der

sneeuw tot een geweldigen stroom aangewassen, is de Chile gedurende

het overige van het jaar niets meer dan een zeer ordinaire beek, waar

de waschvrouwen der stad, al zingende en kakelende, het vuile linnen

komen spoelen. Iederen dag, van drie tot zes uren, kunt ge hier op de

brug een aantal aficionados vinden, die, onder voorwendsel van eene

wandeling te doen, naar de brug kuieren, daar over de leuning gaan

hangen en naar beneden kijken. Drie uren achtereen staan zij daar,

meer of minder geestige aardigheden wisselende, en voor tijdkorting

kringetjes in het water spuwende. Toen wij de brug overtrokken, was

er echter geen mensch te zien; evenmin vertoonde zich eene enkele

waschvrouw aan de oevers der rivier. Trouwens, hierin was niets

vreemds: de klokken der stad sloegen juist twaalf uur; en op dat

uur, als de zon begint te branden, houden de burgers hunne siesta in

hunne woningen, en de waschvrouwen, haar linnen en zeep verlatende,

gaan in de herberg een glas chicha drinken.

De eerste straat, als men van de brug komt, heet de calle del Puente:

een lange, smalle steeg, waar ieder huis een winkel is. Zwarte

olijven, kaas, gesmolten boter in den vorm van worsten, gerookte

visch, varkensvleesch, fijn gehakte salade, en in het vet drijvende

koeken, zijn hier in volstrekt kunstelooze wanorde voor de blikken der

voorbijgangers uitgestald. Dikke zakken met wijn en tafia gevuld, maken

daartusschen eene deftige figuur. De geuren, die u uit deze winkels

tegenkomen, doen een Europeaan bijna walgen, maar zijn een uitlokkend

genot voor den inboorling, die door de natuur met een zeldzamen eetlust

is begaafd, en met een maag, die potscherven zou kunnen verteren.

De calle del Puente verlatende, reden wij in vollen draf de plaza

Mayor van Arequipa op, van waar in verschillende richtingen straten

uitgaan. Ieder onzer moest nu eene andere richting volgen, om zijne

eigene woning te bereiken; wij stonden eensklaps stil, beseffende

dat het uur van scheiden eindelijk gekomen was. Mijne vrienden

drukten mij de hand en omhelsden mij, meer of minder hartelijk, naar

mate van de innigheid der betrekking tusschen ons. "Zult gij stellig

schrijven?--Ja, zeker zal ik schrijven."--Dit waren de laatste woorden,

die wij wisselden. Een kwartier later zat ik in mijne woning, in de

straat Huayna-Marca.

Mijn waarde, hoog geschatte lezer, ik mag u niet uitnoodigen, in mijn

salon te komen;--want ik houd er inderdaad een salon op na, met een

gewelfde zoldering, waarin twee tamelijk groote gaten om licht en

lucht door te laten; voorts met granieten muren van drie voet dik,

licht paars geverwd, en een vloer van scherpe, witte, zwarte en blauwe

steentjes;--maar die salon, anders in zijn soort merkwaardig genoeg,

ligt thans geheel overhoop. De meubelen verdwijnen onder pakken en

balen; de vloer staat vol kisten en koffers; alles is overdekt met een

laag stof, en de spinnen, gebruik makende van mijne afwezigheid, hebben

hare webben tegen de muren uitgespannen. Daar ik den lezer geen stoel

kan aanbieden, en hem toch ook niet tot mijn vertrek buiten kan laten

staan, is het maar het best, dat wij samen eene wandeling door de stad

gaan doen, waarbij ik hem het een en ander van Arequipa kan vertellen.

Wij hebben gezien dat Arequipa zijne stichting te danken heeft aan

den Inca Mayta-Capac. Twee eeuwen lang werd Arequipa, toen niet

meer dan een dorp, bestuurd door curacas of caciquen, die door den

regeerenden Inca werden benoemd. Den 5 Juli van het jaar 1536, werd

dit indiaansche dorp verwoest door Pedro Anzurez de Campo Redondo,

een der vele avonturiers, die met Pizarro naar Amerika waren getogen:

hij werd de stichter der nieuwe stad.

Sedert dien tijd werd Arequipa achtmaal gedeeltelijk en driemaal

geheel door de aardbevingen verwoest; het veranderde tweemaal van

plaats. Aan deze onheilen had evenwel de Misti, aan welks voet de

stad gelegen is, geen schuld; zij werden veroorzaakt door de geweldige

uitbarstingen van den vulkaan Huayna-Putina, in de vallei van Moquehua,

dien sommige aardrijkskundigen, doch zeer ten onrechte, naar de vallei

Coripuna verplaatsen.

De tegenwoordige stad, vrij onregelmatig van vorm, beslaat eene

oppervlakte van ongeveer vier-en-twintigduizend vierkante ellen. Zij

is in vijf wijken verdeeld, die weder in vijf-en-tachtig buurten of

cuadras zijn gesplitst, en te zamen tweeduizend-vier-en zestig huizen

tellen, met eene bevolking van ongeveer zeventienduizend zielen. Er

zijn niet minder dan negenhonderd-acht-en-twintig herbergen: een

cijfer, dat op het eerste gezicht zeer hoog schijnt, maar toch niet zoo

bovenmatig is, als men bedenkt, welken hevigen dorst deze menschen,

die op een vulkaan geboren worden en leven, wel voortdurend lijden

moeten. De wijken Santo-Domingo, San-Francisco, la Merced, San-Agustin

en Miraflores, hebben ieder hare eigene kerk en een mannenklooster;

bovendien zijn er nog drie vrouwenkloosters, een begijnhof, en een

huis voor geestelijke oefeningen, waar, in de heilige week, de dames

van Arequipa boete komen doen en zich zelven tuchtigen.

De kerken en kloosters zijn juist niet opmerkelijk door hunne

architectuur: trouwens, men moest op de aardbevingen bedacht

zijn. De muren bestaan slechts voor de helft uit gehouwen steen;

al het overige is houtwerk, kalk of leem. De kloosters vormen

altijd een meer of minder regelmatig vierkant, met een rechthoekigen

binnenhof, waarop de cellen uitkomen. De kerken hebben onveranderlijk

de gedaante van een oud latijnsch kruis; de meesten hebben maar een

schip, zonder zijbeuken; het tonronde gewelf, hoogstens twaalf tot

vijftien el hoog, rust somwijlen op bogen of op gladde muren van

zeven of acht voet dikte. Uit een architectonisch oogpunt zijn

deze kerken van binnen ongetwijfeld wat naakt; maar dit wordt

meer dan vergoed door de versiering van den voorgevel, waarbij de

bouwmeester, nu niet meer gebonden door de zorg voor de hechtheid

van zijn gebouw, aan zijne fantasie den vrijen teugel heeft gelaten,

en de grilligste figuren, krullen en bloemen, vazen en zuiltjes,

naalden en pyramiden, zonder veel besef van kunst of schoonheid,

met kwistige hand heeft aangebracht. Al die dingen, die ge eer voor

het werk van een kunstdraaier dan van een beeldhouwer zoudt aanzien,

zijn met witkalk bestreken; en in rechte lijn op de uitstekende lijsten

geplaatst, doen zij u inderdaad denken aan ivoren schaakstukken.

Maar zoo het dezen monumenten aan kunst en stijl ontbreekt, niet

aan kwistige overlading van rijkdommen: altaren en beelden bezwijken

schier onder de vracht van het goud, het zilver, de edelgesteenten,

de kostbaarste stoffen. De Christusbeelden zijn getooid met jurken van

engelsche kant, en met kronen van acacia triacanthos, waarvan iedere

doorn een smaragd is van vijf duim lengte; zij zijn met diamanten

nagels aan het kruis gehecht, en stralen van robijnen moeten het

uit de wonden vloeiende bloed verbeelden. De Madonnas, wier aantal

nog grooter is, dragen wijde hoepelrokken en mantels van fluweel,

van brokaat, van satijn; toques met struisvederen, tulbanden met

diamanten aigretten, halssnoeren van parelen, diamanten oorhangers,

ringen aan al hare vingers; en bovendien nog horloges met kettingen,

prachtige armbanden en broches, kanten zakdoeken en met goud ingelegde

waaiers. Ook met dezen opschik heeft de kunst niet veel uit te staan,

evenmin als de goede smaak.

De kerken van Arequipa, herhaalde malen verwoest en weder herbouwd,

hebben nu zoo wat twee-en-een-halve eeuw gestaan. Alleen de kathedraal,

die de eene zijde van de plaza Mayor inneemt, is jonger: zij is

eerst voor een tiental jaren gebouwd, ter vervanging van de oude

kerk, die in 1849 is afgebrand. De tegenwoordige hoofdkerk is een

gebouw van ongeveer twee-honderd voeten in het vierkant, versierd

met twee houten torens, die in stompe pyramiden uitloopen. Acht

zware, ionisch-romeinsche kolommen en een aantal gekoppelde zuiltjes

versieren den voorgevel; aan de beide uiteinden van het gebouw, dat

ruim van vensters voorzien is en misschien eene hoogte van vijftig voet

bereikt, bevinden zich twee zware vooruitspringende portieken. Die

massieve vierkante massa, met smettelooze witkalk overpleisterd en

met gom van cactus netjes glimmend gemaakt, komt wonderbaar krachtig

uit tegen het diepe blauw van den bijna altijd wolkeloozen hemel.

Toch blijven wij het gemis betreuren der oude kathedraal, wier grijze

tint zoo wel overeenstemde met de fantastische ornamentatie, waarin de

kunstenaar al den onuitputtelijken rijkdom van het grilligste vernuft

had ten toon gespreid. En behalve de schatten, in hare sakristie

opgestapeld, bevatte deze kerk nog een onwaardeerbaren schat in hare

galerij der portretten van al de bisschoppen, bestaande uit negentien

schilderijen met prachtige lijsten, die allen in den brand van 1849

zijn ondergegaan. Al de eerwaarde mannen, die sedert het jaar 1614 den

herdersstaf over Arequipa hadden gevoerd, namen, naar chronologische

orde, hunne plaats in deze verzameling in. Hunne beeldtenissen, ten

voeten uit door inlandsche kunstenaars geschilderd, hadden iets zeer

eigenaardigs: de schilder, die het tweede portret had vervaardigd,

had niet beter weten te doen dan zoo getrouw mogelijk het werk van zijn

voorganger, den vervaardiger van het eerste portret, te kopiëeren, en

dit voorbeeld was door alle latere kunstenaars gevolgd. Het resultaat

was geweest, dat men een reeks portretten had gekregen, tot in de

kleinste bijzonderheden zoo volkomen op elkander gelijkende, dat

men bijkans waande slechts één portret te zien, negentien malen door

spiegels weerkaatst! Als ik mij die kostbare collectie van negentien

bisschoppen herinner, allen in leuningstoelen met vergulde griffioenen

gezeten, op dezelfde wijze gedrapeerd, op dezelfde manier belicht,

met hetzelfde boek in de hand, en allen met hetzelfde gezicht naar

hetzelfde punt kijkende:--ja, dan kan het mij innig smarten, dat in

de groote steden der peruaansche republiek de brandweer nog zoo veel

te wenschen overlaat!

Na de kerken komen de kloosters: plompe, smakelooze gebouwen,

zonder eenige architectonische waarde hoegenaamd, en die zich alleen

door een steenen kruis boven den hoofdingang, van de gewone huizen

onderscheiden. Maar die naaktheid en dorheid is geen teeken van

armoede; integendeel, al die kloosters zijn rijk en genieten zeer

aanzienlijke inkomsten uit hunne goederen en pachthoeven. Bovendien

bezitten zij meest allen groote schatten aan kostbare ornamenten,

kerksieraden en edelgesteenten; terwijl ieder klooster ook een archief

en eene bibliotheek heeft, waarin zeer dikwijls uiterst merkwaardige

en kostbare zaken gevonden worden. Maar deze laatste schatten

liggen ongebruikt: de bibliotheek is vuil en slecht onderhouden,

want de monniken hebben geen tijd om zich daarmede te bemoeien. Het

is ook zeer moeilijk, toegang tot die bibliotheken te verkrijgen;

zonder zeer veel vermogende aanbeveling, wordt het niemand vergund,

daar onderzoekingen in het werk te stellen. Daarentegen is de toegang

tot den kloosterhof voor ieder geopend: van des morgens zes tot des

avonds zes uur, kan men daar ongestoord gaan wandelen, lezen of zijn

sigaar rooken.

De kloosterlingen staan in Peru zeer hoog in aanzien. Nog altijd is

daar de monnik de raadsman en vertrouweling van mannen en vrouwen,

de vriend des huizes, de onmisbare gast bij alle feesten. Zijn kleed

boezemt in het minst geen sombere of droefgeestige gedachten in;

hij zelf maakt zich het leven dan ook zoo aangenaam mogelijk, neemt

deel aan maaltijden en partijen, en overal is zijne verschijning het

teeken van verhoogde vroolijkheid. De monnik is volkomen vrij in zijne

bewegingen en gaat waarheen hij wil; even als de lieden van de wereld,

van wie hij zich door niets dan alleen zijn kostuum onderscheidt, houdt

hij receptiën; zijn cel is in een salon herschapen, waar chocolade,

likeuren en taartjes gepresenteerd worden, en waar het gesprek over

allerlei onderwerpen, over politiek en litteratuur, over kunst en

godsdienst, loopt.

In de vrouwenkloosters is de regel veel strenger; de nonnen mogen

nooit, onder geen enkel voorwendsel, den drempel overschrijden van het

klooster, waar zij de gelofte hebben afgelegd. Zelfs mag, in geval

van ziekte, geen geneesheer haar bezoeken, dan met uitdrukkelijke

vergunning van den bisschop. De eenige man, die in het klooster

geduld wordt, is de tuinman. Toch lijden deze zusters geen al te

treurig leven. Haar cel is een smaakvol ingericht vertrek, meer of

minder rijk gemeubeld, naar gelang van het vermogen der familie,

voor wier rekening al deze kosten komen. Iedere non heeft hare

eigene bibliotheek, haar vogels, haar guitaar, haar eigen tuintje met

fraaie en zeldzame bloemen, en in den regel ook haar hartsvriendin,

die in al hare geheimen deelt, de vertrouwelinge van hare innigste

gedachten. Zulk eene vriendschap, in het klooster geboren, heeft

somwijlen al de teederheid, al de diepte, maar ook wel eens al het

vuur en al den hartstocht eener wezenlijke liefde.

Zoo deze geestelijke zusters zelven niet uit mogen gaan, is het haar

wel vergund, haar bloedverwanten en vrienden van beiderlei kunne,

in het klooster te ontvangen en zelfs te dejeuneeren te vragen. De

maaltijd wordt dan gehouden in de spreekkamer: eene ruime, gewelfde

zaal, met traliedeuren in de wanden; en de tafel wordt zoo dicht

bij eene dier deuren geschoven, dat de non, achter het traliewerk

gezeten, hare gasten kan zien en zich met hen onderhouden. Het gesprek

loopt doorgaans over de gebeurtenissen en praatjes van den dag;

over liefdes-avonturen, over huwelijken, geboorten, sterfgevallen

en dergelijken, en in den regel gaat het er tamelijk vroolijk en

luidruchtig toe.

In een land, waar banket- en suikerbakkers nog onbekend zijn, hebben de

vrouwenkloosters en vrouwenvereenigingen het monopolie van taartjes,

gebak en suikergoed, dat op geen feest ontbreken mag, en waarvan dan

ook de bestellingen voortdurend haar gang gaan. De zusters geven zich

alle moeite om haar klanten tevreden te stellen en haar klandisie

uit te breiden: en dat nog minder uit zucht tot winst, dan wel om

elkander wederkeerig een vlieg af te vangen: want een feit is het,

dat er tusschen de vrouwenkloosters een zeer groote jaloezie bestaat,

die zich op allerlei wijzen openbaart. Ieder klooster heeft zijne

eigene specialiteit van lekkernij, gebak of suikergoed, waarvoor

het beroemd is. De bestellingen worden echter niet gedaan aan het

klooster of de congregatie in haar geheel, maar aan deze of die zuster

in het bijzonder, die, als zij de bestelde gebakjes laat bezorgen,

daar tevens de rekening bijvoegt.

Het feest van den beschermheilige van het klooster wordt door de

nonnen met een muziekale mis en met een vuurwerk gevierd, dat, naar de

zonderlinge gewoonte des lands, des morgens tusschen elf en twaalf uur

wordt afgestoken. Bovendien houden zij, op sommige kerkelijke feesten,

een maskerade, met begeleiding van zang en dans. Dit geschiedt onder

anderen op Kerstmis. Op een tooneel wordt de geboorte des Heeren

voorgesteld, door middel van geschilderde dekoratiën en papieren

poppen; daarvoor plaatsen zich de nonnen, in twee groepen, die der

herders en die der herderinnen, gesplitst; met begeleiding van guitaar

en accordeon, voeren zij dan een beurtzang en een soort van quadrille

uit. De nonnen, die de rol van herders moeten spelen, vragen, reeds

dagen vooruit, aan hare mannelijke verwanten en vrienden, hunne beste

kleederen te leen, om die voor haar figuur geschikt te maken en met

galons, linten en andere ornamenten op te tooien. Haar kostuum is

wel niet pastoraal, noch ook zeer bijbelsch; maar op de archeologie

of de uitwendige getrouwheid komt het ook niet aan.

De kloosterregel, die den toegang tot de vrouwenkloosters, met

uitzondering van het locutorio, de spreekkamer, aan het publiek

ontzegt, wordt in tijden van oproer of omwenteling niet zoo streng

gehandhaafd. In zulke dagen, die hier gansch geene zeldzaamheid zijn,

vindt de vrouwelijke aristokratie der stad eene veilige wijkplaats

in die kloosters, wier deuren dan voor haar wijd openstaan. Iedere

eenigszins aanzienlijke familie spoedt zich daarheen, en brengt daar

het goud- en zilverwerk, de edelgesteenten, en wat zij verder kostbaars

bezitten mag en voor medenemen vatbaar is, in veiligheid. Het bijna

verlaten huis wordt dan toevertrouwd aan de hoede van een vader

of echtgenoot, die zich zoo goed mogelijk in staat van tegenweer

stelt. Het is wel gebeurd, dat vrouwen, na een maand in het klooster te

hebben vertoefd, het leven in dien gezelligen, beschaafden, rustigen

kring zoo aangenaam vonden, zich daar zoo gelukkig gevoelden, dat

zij zelfs weigerden naar de echtelijke woning terug te keeren.

Nu wij met de kerken en kloosters afgehandeld hebben, willen wij

vluchtig de stad doorwandelen, niet in de hoop monumenten te zullen

vinden, want die bezit Arequipa niet, maar om een indruk te ontvangen

van haar doorgaand voorkomen. Over het algemeen zijn de straten breed,

goed geplaveid en rechtlijnig, voorzien van voetpaden en doorsneden

van granieten gooten (acequias), waardoor beekjes van de Cordilleras

met vroolijk gemurmel haar water naar de rivier voeren. De huizen

gelijken allen op elkander. Zij zijn allen van steen, somwijlen van

zandsteen gebouwd, met tonrond gewelf en met groote vensteropeningen,

die door ijzeren tralies en binnenblinden, met zink beslagen,

tegen inbraak van dieven en de kogels der opstandelingen worden

beschermd. De breede gewelfde hoofdingang met zijne dubbele deur,

rijkelijk met ijzeren nagels, krullen en andere versierselen beslagen,

heeft iets monumentaals; twee rijtuigen kunnen hier met gemak naast

elkander inrijden. De huizen hebben in den regel geen verdieping;

hoogstens, in enkele gevallen, eene enkele bovenverdieping, die dan

meestal onbewoond is en uitkomt op een plomp balkon, een soort van

houten kast, donker rood of groen geverwd, die met losse blinden kan

gesloten worden.

Deze woningen hebben twee binnenplaatsen achter elkander, met kiezel

geplaveid en omzoomd door breede voetpaden (veredas); de muren van

de eerste binnenplaats zijn wit gepleisterd en somwijlen versierd

met zeer eenvoudige tegeltjes, waarop onmogelijke landschappen,

zeegevechten of tafereelen uit het Lijden zeer kunsteloos zijn

voorgesteld. De receptiekamers en de slaapkamers van het gezin bevinden

zich ter wederzijde van deze binnenplaats. In de meeste slaapkamers

staat het bed in een breede nis van vier tot zes voet diep; een

voorzorgsmaatregel tegen aardbevingen. Deze vertrekken hebben geen

vensters, maar massieve dubbele deuren, van een traliewerk voorzien,

waardoor licht en lucht binnen stroomt. Achter de beide binnenplaatsen

is een tuin, die wederom begrensd wordt door een zeer ruim, meestal

met zerken geplaveid vertrek, dat tot eetzaal dient.

Pracht en weelde moet ge in deze woningen niet zoeken. Uitgezonderd

in enkele huizen van vreemde kooplieden en van zeer aanzienlijke

inwoners, waar althans de staatsievertrekken met papieren behangsels

prijken, zijn de muren overal met kalk gewit en versierd met allerlei

wonderlijke figuren, met roode of gele verf geteekend. De weinige

meubelen, die ge hier vindt, zijn van tweeërlei soort: de meubelen

in spaanschen stijl, die er uitzien of zij met een bijl uit een blok

hout zijn gehouwen, wit of hemelsblauw geschilderd, bezaaid met

rozen en madeliefjes en opgeluisterd door vergulde randen; en de

meubelen in den dusgenoemden klassieken stijl van het keizerrijk:

mahoniehouten kanape's met stierenkoppen en drakenklauwen; stoelen

waarvan de leuning de gedaante van een lier vertoont, gekroond met een

helm of een wapentrofee; alles overtrokken met grijze of lichtbruine

stof met groote rozen en bloemen.

Het huiselijk leven der bewoners van Arequipa bepaalt zich, voor

de vrouwen, tot gesprekken over de politiek van den dag, en voorts

tot breedvoerige beschouwingen over al de nieuwtjes en praatjes

van de stad, die haar trouw worden overgebracht door de cholas en

chinas, negerinnen en kamermeisjes, die tot het altijd vrij talrijke

dienstbodenpersoneel behooren. Sommige dames borduren, maken fijne

gebakjes en sorbets klaar, of spelen op de guitaar; maar de meesten

brengen de week door met begeerig uit zien naar den zondag: vooreerst

om naar de mis te gaan, hetgeen altijd eene zeer aangename afleiding

voor de vrouwen is; en ten anderen omdat op dien dag het plaatselijk

gebruik haar vergunt, de vensters harer kamer aan straat te openen,

en, op tapijten neergezeten, naar de voorbijgangers te kijken. Over

het algemeen leggen de dames weinig bezoeken af; zij laten hare

boodschappen overbrengen door haar kameniers, die ook nu en dan met

het bezorgen van bloemen, vruchten en soortgelijke geschenken worden

belast. Alleen bij zeer feestelijke gelegenheden verschijnen de dames

op partijtjes.

De fransche mode heerscht ook hier, maar met eenige wijzigingen,

die doorgaans niet als verbeteringen kunnen worden beschouwd;

bovendien zijn de dames van Arequipa steeds een zeker aantal jaren ten

achteren. Maar ook zonder dat, zou de fransche kleeding haar slecht

voegen: haar geheele bouw en gang passen niet bij de wonderlijke, zoo

hemelsbreed van de natuur afwijkende uitmonstering eener Parisienne:

jammer slechts, dat de peruaansche dames, als zoo vele anderen, niet

genoeg gezond verstand en goeden smaak schijnen te bezitten om dat

te begrijpen. Des zondags als zij naar de kerk gaan, zijn zij geheel

in het zwart gekleed: zij dragen dan een zwart zijden japon en een

mantille van dezelfde stof, met fluweel of kant versierd, die over

het hoofd wordt geworpen. Deze kleeding, die zij van haar Spaansche

voorouders hebben overgenomen, staat haar allerliefst: maar zoodra

de dames weer thuis zijn, haasten zij zich, haar smakeloos bonten

opschik weder aan te trekken. Daar het gebruik van stoelen en banken

in de kerken van Peru onbekend is, laten de dames zich een kussen of

tapijt nadragen, waarop zij knielen. Die recht gedistingeerd wil zijn,

houdt er een kleinen Indiaan, van zes tot tien of twaalf jaar op na, om

dat tapijt te dragen. Zulk een indiaansche jongen is het meest welkome

geschenk, dat een heer aan eene dame maken kan. Die kinderen worden

voor een kleinigheid van hunne ouders in de Sierra-Nevada gekocht,

en naar Arequipa gezonden; in de woning opgenomen, worden zij daar

vertroeteld en op alle mogelijke manieren geliefkoosd, als waren zij

schoothondjes of merkwaardige aapjes. Zij blijven de lievelingen en

de pages der dames, tot zij te groot zijn geworden om die dubbele rol

met schik te kunnen vervullen; dan worden zij naar de keuken gezonden

en bij het korps der gewone bedienden ingelijfd. Somwijlen blijven

zij hun leven lang in het huis; meestal echter verlaten zij het als

zij volwassen zijn geworden, en zoeken elders een goed heenkomen.

De heeren zijn te Arequipa tamelijk uithuizig: zij hebben ook zoo veel

te doen. Hunne voornaamste bezigheid is, van het eene huis naar het

andere te gaan, over politiek te praten, een oneindig aantal sigaren

te rooken, nu en dan een partijtje te dobbelen; voorts siesta te

houden, paard te rijden, den galant te spelen, en te droomen van de

schitterende toekomst, die de republiek wacht.

Maar, uit deze wijze van hun tijd te besteden moet ge niet afleiden,

dat het dezen heeren aan verstand of aan kennis ontbreekt. In geenen

deele! Zij hebben allen veel geleerd, indien al niet veel onthouden;

theologie, rechtsgeleerdheid, burgerlijk en kanoniek recht, genees-

en heelkunde--zij hebben dat alles bestudeerd, even als Faust. Deze

heeren, schijnbaar met zulke nietigheden bezig, hebben in het openbaar

stellingen verdedigd, en zich een diploma van doctor-bachiller

veroverd. Bovendien verstaan zij allen de kunst van verzen maken en

zijn sterk in bouts-rimés, ex-tempore's, koupletjes en strofen van

allerlei aard, die zij zoo voor de vuist dichten. Indien zij zich

dus voor studie of geestelijke genietingen onverschillig toonen,

dan moet ge niet denken dat dit uit onwetendheid geschiedt; maar dit

is veeleer een gevolg van zekere instinktieve philosophie, en vooral

van die aanbiddelijke traagheid, die zij van hunne vaderen hebben

overgeërfd en als een kostbaren schat bewaren. Elk denkbeeld van

verandering of vooruitgang, dat hun zalige rust zou kunnen storen,

is hun ondragelijk. De zedelijke en physieke werkzaamheid van den

Europeaan is voor hen een even verwonderlijk verschijnsel, als het

tikken van een horloge voor een wilde, dat zij niet begrijpen en ook

zich niet pogen te verklaren.

De wetenschappelijke inrichtingen en scholen zijn zeer talrijk

te Arequipa. De medische fakulteit kan wedijveren met die van

Chuquisaca in Bolivia. De universiteit van Sint-Augustinus, de twee

akademiën en het College der Onafhankelijkheid, door den maarschalk

Gutierrez de la Tuente gesticht, zijn allerwege beroemd. De openbare

bibliotheek werd in 1821 opgericht en dankt haar ontstaan aan de

ijverige pogingen van den heer Evaristo Gomez Sanchez. Zij bezit

tegenwoordig negentienhonderd-vijf-en-negentig boeken, handelende

over theologie en rechtsgeleerdheid, de kaart van Peru op bevel van

den bevrijden Simon Bolivar vervaardigd, den Atlas van den heer de

Vaugondy, hydograaf van Z. M. Lodewijk XV, een album van karikaturen

van Gravarni, twee meteoorsteenen, een hemelglobe, een bibliothekaris

en een portier. Bovendien zijn er twee drukkerijen, die ieder een

dagblad in klein formaat uitgeven; een hospitaal, een vondelingenhuis

en een armeninrichting.

De plaza Mayor is het hart der stad. Dit plein, waarvan de noordzijde

geheel door de kathedraal wordt ingenomen, wordt aan de andere zijden

omgeven door open galerijen, waaronder katoenen en wollen stoffen,

linten en allerlei artikelen in de open lucht zijn uitgestald. Op het

midden van het plein prijkt een bronzen fontein, met drie bekkens

boven elkander. Dit monument, dat vrij wel op een haspel gelijkt,

wordt gekroond door een beeld van de Faam of zoo iets, wanhopend

mager en in zoo stijf mogelijke houding. Deze allegorie blaast op

een trompet en staart onafgewend naar de straat San Francisco.

Op dit plein, waar de openbare vermakelijkheden, de revolutionnaire

pronunciamentos en de openbare terechtstellingen plaats grijpen, wordt

ook dagelijks, van des morgens vijf tot twaalf uur, een groentenmarkt

gehouden. De inlandsche bevolking, die dan hier van alle kanten uit

de stad en den omtrek samenkomt, vertoont slechts twee verschillende

typen. De eerste is die van den Indiaan van de kust der Stille-zee,

met zijn rond gelaat, zijn platten neus, zijn dikke lippen, zijn

kleine, schuine oogen; de andere is die van den Quechua, met zijn

ovaal gelaat, zijne uitstekende wangbeenderen, zijn arendsneus,

zijne schuine maar wijdgeopende oogen, zijn lang zacht gitzwart

hair. Uit de vermenging en kruising dier twee rassen van de kust

en van het gebergte zijn mettertijd een zeker aantal schakeeringen

ontstaan, wier voornaamste kenmerk eene afschuwelijke leelijkheid

is. De voorsteden worden voornamelijk bewoond door deze mestiezen en

door de kleine burgerij, die daar handel drijft in dranken, vruchten

en soortgelijke artikelen van dagelijksch gebruik.

Ik gaf u vroeger eene beknopte beschrijving van een buitenherberg:

ik mag u thans die van een herberg in de stad niet onthouden. Deze

etablissementen, die alleen door Indianen en cholos van beiderlei kunne

worden bezocht, zijn donkere, vuile, rookerige hokken, die alleen

door de deur licht en lucht ontvangen, vol potten en kruiken van

verschillende grootte en vormen; terwijl de grond bedekt is met vuil

stroo, afval van groenten, beenderen en uitwerpselen van dieren, waarin

kippen en indiaansche varkentjes naar hartelust rondscharrelen. Daar

in deze herbergen noch stoelen noch banken te vinden zijn, gaan de

klanten eenvoudig op den grond zitten, in de eene hand een schotel

met fijn gemalen piment, om den dorst te prikkelen, en in de andere

een pot metchicha, het uit maïs gebrouwen bier, waarvan het gebruik

in 1043 in Peru werd ingevoerd door de Keizerin Mama Ocllo Huacco

(letterlijk Moeder-Broeihen) de zuster en echtgenoote van den eersten

Inca Manco-Capac.--Terwijl dit publiek babbelt en lacht, eet en drinkt,

wordt in een hoek van de herberg weer nieuwe chicha bereid. Dit

geschiedt op zeer eenvoudige en weinig kostbare wijze: eene zekere

hoeveelheid gepelde maïs wordt uitgestort in een kuil van zes voet in

het vierkant en een voet diep; vervolgens met een weinig water begoten,

en met planken toegedekt, waarop eenige zware steenen worden gelegd;

na verloop van acht dagen hebben de warmte en de vochtigheid het

graan aan het gisten gebracht. Deze gegiste mais, die nu den naam

van gunapo draagt, wordt uit den kuil genomen en in de zon gelegd om

te drogen; is zij goed droog, dan wordt zij naar den molen gezonden,

waar het zaad verbrijzeld, maar niet fijn gemalen wordt. Van den molen

keert het zaad dan terug naar de chicheria, waar het in groote, met

water gevulde potten een geheelen dag lang gekookt wordt. Des avonds

gieten de vrouwen het drabbige vocht in een soort van groven vaatdoek,

dien zij goed uitwringen; dan blijft het den nacht overstaan om af te

koelen, en kan reeds den volgenden dag gedronken worden. Dit bier is

een ware volksdrank, die door alle klassen gebruikt wordt, ook door

de aristokratie, die hoewel zij in het openbaar dien drank versmaadt,

zich daaraan toch in stilte te goed doet.

Arequipa, door sommige moderne reizigers nog altijd eene bloeiende

stad genoemd, met levendigen handel en uitgebreide industrie,

beroemd wegens de vroolijkheid, het vernuft en den opgewekten zin

harer bewoners--vertoont, het valt niet te loochenen, in dat opzicht

niet meer dan de schaduw van haar vroegere heerlijkheid. De politieke

omwentelingen en de vele faillissementen en financiëele tegenspoeden

hebben de stad langzamerhand van haar rijkdom en welvaart beroofd,

en ook een zeer noodlottigen invloed uitgeoefend op dien vroolijken

frisschen zin, dien tintelenden levenslust, waardoor hare burgers zich

weleer onderscheidden. Deze stad, die langen tijd, wat schittering

en pracht en weelde aangaat, kon wedijveren met Lima, de stad der

Koningen, is nu niet meer dan een kapel, ingesloten in de doodsche

pop, hopend wachtende op de herschepping, die de toekomst haar

wellicht brengen zal. Hare vroolijke schitterende feesten bestaan

nog maar alleen in de herinnering: met de armoede is de zuinigheid

gekomen. Slechts bij enkele gelegenheden vertoont Arequipa zich nog,

voor eenige oogenblikken, in haar ouden glans, en wordt het geld

met handenvol weggeworpen, ook al treurt men den volgenden dag om

het verlies.

Zulk eene jaarlijks wederkeerende gelegenheid biedt met name de

Dingsdag voor de Vasten, de Vastenavond. Bij de feesten van dien

dag spelen de eieren een hoofdrol: in die mate zelfs dat ijverige

statistici hebben uitgerekend--en wat rekenen statistici al niet

uit?--dat er dan in Arequipa voor meer dan achthonderdduizend francs

aan eieren verdaan wordt: een cijfer, dat te meer verbazing wekt,

als men bedenkt dat hier alleen van eierschalen sprake is, waaruit

het wit en de dooier sinds lang zijn verdwenen. Van die schalen weten

dus de vrouwenkloosters en ook vele huismoeders uitstekend partij

te trekken. Zij verzamelen, het gansche jaar door, de schalen der

eieren, die in de spaansch-amerikaansche keuken in zulke kolossale

hoeveelheden worden gebruikt, en die dan, juist met het oog op deze

latere bestemming, niet stuk geslagen, maar slechts aan het eene einde

even gebroken worden. In de week, die aan het karnaval vooraf gaat,

worden die opgegaarde eierschalen klaar gemaakt, waarmede drie vrouwen

zich onledig houden. De eene heeft een kom met water bij zich, waarin

zij gutte-gom, indigo of vermiljoen oplost; de tweede vult de eieren

met die kleurstof; de derde eindelijk stopt de opening in de schaal

dicht met een vierkant lapje, met eene vloeibare was besmeerd, die

dadelijk hecht. Zoo klaar gemaakt, worden die eierschalen voor een

cuartillo en zelfs voor een halven reaal per stuk, aan alle hoeken

der straten verkocht.

Nauwelijks licht de morgen van den lang verwachten Dingsdag aan,

of allen, heeren en dames, kleeden zich van het hoofd tot de voeten

in het wit; dan loopen zij, die het eerst bij de hand zijn, naar de

nog slapende huisgenooten, om dezen hun morgengroet te brengen:--voor

ditmaal hierin bestaande, dat drie of vier eieren van verschillende

kleur op het gelaat van den slaper worden stuk geslagen, en hij

vervolgens met meel wordt bestrooid. De aldus gewekte haast zich op

zijn beurt zijn wit pak aan te schieten, wapent zich ook met eieren

en meel, en tracht zich nu op ieder te wreken over de hem aangedane

mishandeling. De gansche ochtend gaat daarmede voorbij. De heeren

en dames in den salon, de bedienden in de keuken, gooien elkander om

het hardst met eieren, en bepoederen elkaar met meel; niemand wordt

bij dit spel verschoond.

Die gedenkwaardige dag is bijna de eenige in het jaar, waarop de

balkons der huizen geopend worden. Ten twaalf uur wordt op ieder

balkon eene gansche batterij van spuiten geplaatst, en de bewoners

der belendende huizen bespuiten elkaar, en werpen elkander met eieren

en met papieren zakjes met meel gevuld. Inmiddels wordt het op straat

steeds drukker: het volk en de burgerij kunnen het in de huizen niet

langer uithouden, en stroomen de straat op, gewapend met parapluien

om zich te beveiligen tegen de stortbaden van de balkons; met

begeleiding van muziek en onder het uitgalmen van allerlei liederen,

trekken gansche troepen, opgewonden door den drank, de straten door,

zich aanstellende als bezetenen.

Tegen drie uur worden een aantal oude, afgeleefde, blinde, kreupele,

half lamme paarden van de Pampilla, een woestijn ten noorden van de

stad, aangevoerd en op de plaza Mayor publiek verkocht. De prijs

van zoo'n paard verschilt van vijf tot twaalf francs, naar gelang

van den waarschijnlijken levensduur. In een oogwenk vormen zich nu

ruiterbenden, die de balkons gaan belegeren, van waar het heftigst op

de menigte gespoten is. Ieder ruiter neemt aan zijn arm een mandje

met eieren, dat door vlugge jongens telkens weer gevuld wordt: en

nu begint een geregeld gevecht tusschen de ruiters en de dames, die

zich op het balkon geposteerd hebben. De ruiters werpen met eieren;

de dames, met spuiten, gieters en kannen gewapend, antwoorden met

stroomen min of meer helder water. Soms duurt zulk een gevecht langer

dan een uur, eer een van de beide partijen het opgeeft, al druipen de

mannen ook van het water, en al zijn de dames ook ontoonbaar van de

eieren en het meel. Eindelijk komt een met kracht geworpen ei op het

oog of den boezem van een der dames te recht, die, luid gillende, in

de armen harer zusters nedervalt: dan gaat er uit de groep der ruiters

een luid gejubel op; maar de dames, nu door dit verlies verbitterd,

beginnen met bloempotten, scherven en met alles te werpen, wat zij

grijpen en vangen kunnen, tot de mannen de wijk nemen, om elders

hetzelfde spel te gaan hervatten. Dit dolle tooneel duurt zoo lang,

tot de klok voor het Angelus geluid wordt: dan gaan allen naar huis,

waar evenwel het feest wordt voortgezet tot het aanbreken van den

volgenden morgen.

Schetsen uit Peru De Aarde en haar volken, Jaargang 1875 · 第 4 / 9 题