II.

Wij beklommen het steile pad, dat naar het dorp Islay voert, en

kwamen bij den engelschen consul. De echtgenoote en de dochters

van dien ambtenaar, ongerust over zijn lang wegblijven, ontvingen

hem met hartelijke uitroepingen van verrassing en vreugde. Daarop

noodigden die dames ons vriendelijk uit, dien dag in den schoot der

familie door te brengen en aan den maaltijd deel te nemen; maar,

daar ik begeerig was, mij zoo spoedig mogelijk op weg te begeven,

sloeg ik die uitnoodiging af. Mijne reismakkers, die, te oordeelen

naar de blikken, die zij elkander toewierpen, zeer gaarne aan

de uitnoodiging gevolg zouden hebben gegeven, durfden nu, op mijn

voorbeeld, niet anders dan evenzeer bedanken. De vriendelijke dames,

die ons volstrekt niet nuchter wilden laten vertrekken, haastten

zich nu om de noodige sandwiches te bereiden, die ons welhaast door

een bediende werden gepresenteerd. Wij besproeiden die gebakjes

met een glas Champagnewijn, van Exeter afkomstig, waar eene zeer

gerenommeerde fabriek van dien wijn bestaat. Na afloop van dien

luncheon zette de oudste dochter van den consul, eene mooie lieve

blondine, met den dichterlijken naam van Stella, zich aan de piano,

en speelde, om de eigenliefde der gasten van haar vader te streelen,

de cantate van Manco Ccapac. Al de notabelen waren opgetogen en

klapten in de handen. Het air moest nog eens herhaald worden, en nu

begon een hunner daarbij de woorden te zingen, waarbij de anderen

weldra invielen. Dit volkslied, dat in Europa zoo goed als onbekend,

maar in Peru zeer geliefd is, en waarvan, naar men zegt, de woorden

en de muziek vervaardigd zijn door een kerkedienaar van den Sagrario

van Ayacucho, bestaat uit achttien koupletten, waarvan elk veertien

versregels telt. De zwaarmoedige, klagende wijs der muziek stemt

volkomen overeen met den inhoud van het gedicht, dat hoofdzakelijk

eene weemoedige klacht bevat over de verdwenen heerlijkheid van de

kinderen der Zon. De uitvoering van dit stuk duurde omstreeks vijf

kwartier; maar niemand viel die tijd te lang. Doch, daar de zangers

tusschen elk kouplet een hartelijken dronk wijdden aan de nagedachtenis

van den man, die Peru uit de barbaarschheid getogen had, begon mij

de vrees te bekruipen dat zij, in hunne toomelooze geestdrift, als

het lied ten einde was, wellicht eene quadrille zouden gaan dansen:

want als deze lieden eenmaal aan den gang zijn, weten zij van geen

ophouden. Daarom maakte ik aanstonds gebruik van de oogenblikkelijke

stilte, die op het uitgalmen van den laatsten regel volgde, om op te

staan en afscheid van den consul en zijne familie te nemen. Nu waren

mijn makkers wel gedwongen, een einde aan de zaak te maken. Zij namen

hunne hoeden, groetten met een zeer knorrig gezicht, en volgden mij,

blijkbaar zeer ontevreden omdat zij een dag, die zoo prettig beloofde

te zijn, dus op eenmaal moesten afbreken.

Onze muildieren stonden reeds gereed. Ieder zocht zijn eigen dier uit,

en zette zich in den zadel. De muilezeldrijvers en de mozos (jongens)

plaatsten zich aan het hoofd van den trein, en wij verlieten de

woning van den consul, onder de luide begroetingen en heilwenschen

der familie, onder handdrukken en wuiven van zakdoeken. Het zal toen

omstreeks twaalf uur zijn geweest. De zon brandde op het gloeiende

zand. Ieder brokje en korreltje mica, een spiegel van Archimedes

gelijk, zond ons een verblindenden lichtstraal in het gelaat. De

drie rijen houten huizen, met strooien of rietendaken gedekt, die

de drie straten van Islay vormen, lagen weldra achter ons. Op den

top des heuvels gekomen, hadden wij aan onze rechterhand de kerk

van het dorp, niet veel meer dan eene loods, die gedurende drie

vierde van het jaar gesloten is en den vleermuizen tot woning dient;

aan onze linkerhand zagen wij een reeks perken, door ruwe steenen

omsloten en met houten kruisen versierd; aanvankelijk dacht ik, dat

het kerkhoven waren, maar weldra vernam ik, dat ik niets dan perken

voor de muilezels voor mij zag. Kort daarop daalden wij langs de

oostelijke helling van de loma af, en bevonden ons nu op een weg,

waarvoor menschen en dieren om het zeerst beducht zijn. Deze weg,

niet ongelijk aan het diepe wagenspoor van een reusachtige kar, ter

hoogte van een voet bedekt met een steenachtige vulkanische asch,

waarin millioenen luizen wriemelen en krioelen, draagt den weidschen

naam van de. Quebrada van Islay. Quebrada--vallei--het zij zoo; maar,

dewijl de zware hooge heuvelen, die deze kloof ter wederzijde omzoomen,

de frissche zeewinden volkomen afkeeren, heerscht hier een temperatuur,

het best met die van een kalkoven te vergelijken. Nauwelijks waren

wij dan ook in deze diepte afgedaald, of de adem scheen onze longen

te begeven, en wij begonnen op onrustbarende wijze te hijgen, en naar

lucht te snakken.

Twee uren lang trokken wij door deze Quebrada, allen achter elkander

rijdende en in somber zwijgen verzonken: een gevolg deels van het

woeste, akelige voorkomen der streek, deels van de vrees om het

afschuwelijke stof in te ademen, door de hoeven onzer muildieren

opgejaagd. Te midden dier algemeene lusteloosheid, gaven de mozos

alleen nog teekenen van leven, door hun schreeuwen en roepen om de

achterblijvende muilezels aan te sporen.

Weldra bespeurden wij, aan sommige onmiskenbare teekenen, dat onze

foltering haar einde naderde. De heuvels, die ter wederzijde de kloof

ommuurden, begonnen minder hoog te worden, weken steeds verder uit

elkander, en werden in het eind door nederige hoogten vervangen. De

zeewind kon weder tot ons doordringen; de bodem verhief zich;

de weg bestond nu uit eene opeenvolging van steile glooiingen,

die wij moesten bestijgen. Naar het zeggen der muilezeldrijvers,

naderden wij eene plek, Olivar genaamd: eene soort van natuurlijke

grensscheiding tusschen de Quebrada en de Pampa, tusschen het dal en

de vlakte, tusschen het gebied van de asch en dat van het zand. De

armoedige flora, vertegenwoordigd door welriekende heliotropen,

door dwergachtige kromgetrokken olijfboomen en ettelijke sobere

gramineën, poogde vergeefs, onder haar vuil-grauw stoffig masker,

onze aandacht te trekken; zij zag er zoo pover en ellendig uit,

dat wij haar nauwelijks een blik waardig keurden.

De weg, die nog steeds stijgende bleef, bracht ons, na veelvuldige

kronkelingen, op een klein onregelmatig plateau, van waar men den

ganschen omtrek overzag. Midden op die vlakte stond eene ajoupa van

gescheurde matten, aan palen bevestigd. Onder deze soort van tent zaten

en lagen eenige vrouwen, in lompen gehuld, en eenige moedernaakte

kinderen, te midden van potten, kruiken en aardewerk. Een lage

tafel, waarop gebraden visschen, gemalen piment, en die soort van

eetbaar zeegras, waaraan de Indianen den naam geven van cocha-yuyu,

deed ons deze ajoupa kennen als een dier restauraties in de open

lucht, in Peru zoo wel bekend. Deze spijzen, met eene dikke laag

vulkanische asch overstrooid, zagen er niet zeer aptijtelijk uit;

maar onze muilezeldrijvers bekommerden zich niet over zulk eene

kleinigheid. Aanstonds lieten zij zich door de vrouwen eene dubbele

portie van die stoffige lekkernijen voorzetten, benevens een kruik

chicha. Daar het de gewoonte is, eer men de pampa ingaat, hier eenige

oogenblikken op te houden, om de muildieren te laten uitrusten,

stapten ook wij af, terwijl onze drijvers hun ontbijt gebruikten;

mijne makkers sloegen vuur, en staken hunne sigaren aan. Ik liet hen

rustig hunne rookwolken uitblazen, en begaf mij naar den rand van

het plateau, zeventienhonderd el boven de zee gelegen, om de streek

te overzien, die wij zoo pas waren doorgetrokken, en waar ik hoogst

waarschijnlijk nimmer meer den voet zetten zou.

De gansche omliggende streek, van den voet van het plateau tot den

oceaan, was eentonig grijs van kleur, dooraderd van onregelmatige

geelbruine strepen. De tallooze heuvels, die de oppervlakte bedekken,

geleken, van deze hoogte en uit de verte gezien, op die eigenaardige

phlyctenen, blazen of verheffingen van den grond, die in den omtrek

der vulkanen zoo veelvuldig voorkomen. Van het noorden tot het

zuiden strekte zich de donkere lijn uit der lomas of zoutheuvelen,

die tusschen den 23° en der 10° deze kust omzoomen; hunne hellingen en

kruinen vertoonden hier en daar een geelachtigen tint, die straks,

na de eerste nevels van den zomer,--vruchtbaar makende dampen,

die des nachts ontstaan en omstreeks elf uur in den morgen zich

weder oplossen;--in vroolijk groen zou veranderen; door de ongemeene

helderheid der lucht waren alle bijzonderheden van dit wijde landschap,

tot op grooten afstand, duidelijk kenbaar. Zuidwaarts vertoonde

zich als een zwarte streep, scheiding makende tusschen de blauwe

zee en den blauwen hemel: dat was kaap Coles en de rotsen van het

dal van Tambo, welks rivier, des zomers droog, des winters, als de

wateren zwellen, met hare modderige golven ontzaglijke steenblokken

medevoert, van de bergen afgescheurd. Iets meer nabij, ontwaarde ik

de vlakke kusten van Mejillones en Cocotea, met hare koraalbanken,

haar lagen van guano, en hare sombere heuvels met de tallooze huacas

(graven), waar duizende mummies hun eeuwigen slaap slapen. Elke

plek, waarheen ik mijne blikken wendde, herinnerde mij eene of andere

ontdekking, een of ander avontuur. Hier had ik eenige weken vertoefd,

in gezelschap van Llipis-Indianen uit de groote woestijn van Atacana,

levende van zeegras, van alikruiken en watermeloenen: alles wat deze

streek oplevert. Daar was ik, van den top der duinen, als machteloos

toeschouwer, getuige geweest van de schipbreuk van de amerikaansche

brik de Susquehannah. Verder verhief zich, als een kegelvormig eiland,

te midden van het vlotzand, de heuvel der Aymaras met zijn knekelhuis,

dagteekenende uit den tijd vóór de spaansche verovering, waar ik zulke

merkwaardige phrenologische exemplaren had gevonden. Nog verder, meer

ten zuiden, de buitengronden van Arenal, met hunne voorraadschuren

van visch-guano, tot dusverre nog onbekend, en waarop ik de aandacht

der geleerden had pogen te vestigen. Daaromheen gaapten de met asch

en slakken gevulde kraters van overoude, uitgebluschte vulkanen,

die zich, in voorhistorische tijdperken, aan deze kust verhieven,

en die noch kapitein Frézier in 1713, noch Humboldt en Bonpland in

1804, noch d' Orbigny in 1836, hadden opgemerkt.

Oostwaarts droeg het landschap een eenigszins gewijzigd karakter. Een

zandwoestijn, geheel bezaaid met plompe, ronde cerros (heuvelen),

allen sterk naar het westen overhellende, sloot hier als een muur den

gezichteinder. Die cerros, van blokken zandsteen en vulkanische rotsen

gevormd, die--wie kan gissen voor hoe vele eeuwenreeksen?--door de

wateren der zee, in haar terugtocht van het oosten naar het westen,

waren medegevoerd, op elkander geworpen, zaamgeperst:--deze cerros

hadden mij menigmaal in de gelegenheid gesteld, de vervorming der

gesteenten van nabij te bestudeeren. Aan hun voet, in de nabijheid van

een of andere kleine beek, groeiden dwergachtige, armoedige olijven,

kokos- en vijgeboomen, meer grauw dan groen, en alleen kenbaar door

de schaduw, die zij afwierpen.

Een onbeschrijfelijke weemoed vervulde de ziel, bij den aanblik

van deze landstreek, dor tot naaktheid toe, uitgedroogd tot in het

gebeente, en nog heden, zoowel door de gesteldheid van den bodem als

door de gedaante der bergen, de duidelijke sporen vertoonende van de

geduchte worsteling der twee elementen, die haar beurtelings hadden

geteisterd en verwoest. De overoude en eeuwigdurende strijd van den

draak met de hydra, van het vuur met het water, was in onuitwischbare

trekken overal gegriffeld op deze sombere aarde, wonderlijk geteekend

met bruine, rosse, grauwe strepen, en toch, ondanks de zee van licht,

die de brandende middagzon daarover uitgoot, zoo onbeschrijfelijk

doodsch en koud. Te midden van deze doffe, stoffige, toonlooze kleuren,

die een geoloog zeker zou hebben bewonderd, maar waarvan een schilder

haastig de oogen zou hebben afgewend, werd de blik onwederstaanbaar

aangetrokken door de warme, heldere, lichtvolle, vroolijke kleuren van

den azuren hemel en den azuren oceaan. Juist toen ik mij omkeerde, om

der wijde zee mijn laatsten afscheidsgroet toe te wuiven, bespeurde ik

op haar helderen spiegel twee donkere, nauwelijks merkbare stippen. De

een was een schip, haastig zuidwaarts stevenende,--waarschijnlijk dat

van onzen vriend den kapitein;--waarvan de zeilen, op dien afstand,

er uitzagen als een vlok dons, door den wind medegevoerd; de andere

stip was een stoomboot, die naar het noorden koers zette, en een ter

nauwernood zichtbaren draad van rook achterliet.

De muilezeldrijvers hadden hun ontbijt geëindigd, en waren nu bezig

onderling het geld bijeen te brengen om de gemaakte vertering te

betalen, waarmede nog een geruime tijd verloren ging. Wij zetten ons

weder in den zadel, en sloegen den weg in naar de pampa van Islay:

eene zandzee van twintig mijlen breed en zestig mijlen lang, en

waarvan de nu eens onbeweeglijke, dan weder vluchtige golven, zeer

veel gelijkenis vertoonen met de baren der zee, wier wateren vroeger

deze streek moeten hebben overdekt. Ten einde de vlakte in schuine

richting over te steken, hadden wij ons noordoostwaarts gewend, en

den vrijen teugel gelaten aan onze muilezels, die konden gaan zoo als

zij wilden, want het kwam er boven alles op aan, hunne krachten te

sparen. De aardige dieren maakten van die schoone gelegenheid gebruik

om aanstonds het gelid te verbreken, en achter elkander te gaan loopen,

wat de muilezels dadelijk gaan doen, zoodra zij aan hun eigen zin

worden overgelaten. Zoodra zij dat gedaan hadden, begon iedere ezel

luid te hinniken, wierp zijn ooren achterover, rekte zijn hals uit,

en zette zich in zachten draf achter zijn voorman. De drijvers hieven

een weemoedig gezang aan.

De tocht door deze woestijn is niet zonder gevaren. De zeewind, die

voortdurend over dit beweeglijk zand heenstrijkt, brengt telkens

allerlei veranderingen te weeg. Binnen weinige uren vormen zich

spleten en diepten, verheffen zich duinen en dammen, om straks weder

te verdwijnen, verstrooid te worden en ginds op nieuw te ontstaan. Om

zich op hun tocht door deze bedriegelijke streek van den rechten

weg te vergewissen, richten de stuurlieden van de pampa zich des

daags naar de zon, en des nachts naar de sterren: veilige gidsen,

die nooit iemand misleiden. Behalve de sterren en de hemellichamen,

zijn daar nog, om hun den weg te wijzen, de geraamten van dieren, die

op de reis door de vlakte van uitputting bezweken zijn. Deze sombere

merken, waarop de drijvers nauwkeurig acht geven, wijzen door hunne

ligging rechts of links, door hunne nabijheid of hunne verwijdering

aan, in hoe ver de karavaan den rechten weg volgt. Ook wordt de

verschijning van zulk een teeken altijd met zekere blijdschap begroet,

ondanks het gevoel van afgrijzen, met medelijden vermengd, dat u bij

dit gezicht onwillekeurig aangrijpt. Ik spreek hier natuurlijk van de

beschaafde, gevoelige reizigers, die bij de zaak geen rechtstreeksch

belang hebben; want de muilezeldrijvers, schraapzuchtig en koud van

gemoed, gevoelen bij den aanblik dier beenderen geheel iets anders:

zij denken daarbij aan het verloren kapitaal, en maken zich veeleer

kwaad dan dat zij medelijden zouden gevoelen.

Wij waren reeds sedert eenigen tijd op weg, onze blikken over de

onmetelijke pampa latende dwalen, en niets ontdekkende dat naar een

geraamte geleek, toen een der oude arrieros, die aan de spits der

karavaan liep, eensklaps luide uitriep: "De beenderen! ziedaar de

beenderen!" Aller oogen richtten zich dadelijk naar de aangewezen plek;

en aan het uiteinde der vlakte, zuidwaarts, zagen wij nu eene helder

witte streep, niet ongelijk aan de aderen van salpeter of zeezout,

die in deze streken zeer dikwijls voorkomen. Op raad van onzen gids,

die beweerde dat wij de richting dezer geraamten moesten volgen,

sloegen wij rechts af en trokken daarheen.

Deze beenderen, in kleine hoopen opeen gestapeld, in eene lange lijn,

die zich aan den horizon verloor, waren meer of minder uitgebleekt,

meer of minder gepolijst, naar gelang van den tijd, die er verloopen

was sedert den dood der schepselen, aan wie zij eens behoord

hadden. Aan zekere regelmatigheid in hunne schikking meende ik de

hand des menschen te herkennen; hoewel onze drijvers, aan wie ik deze

opmerking maakte, beweerden dat alleen de wind dit alzoo gebouwd

had. Toen ik hun echter sommige paarde- en muildierkoppen wees, in

welker oorholten eene schendige hand een paar beenderen, bij wijze van

horens, gestoken had; en sommige andere schedels, uit wier neusgaten

ribben te voorschijn kwamen, die snuiten of slagtanden moesten

verbeelden;--begonnen de mozos van den troep luidkeels te lachen:

waaruit ik besloot dat zij, of althans hunne kameraden, waarschijnlijk

in dronkenschap, deze ontwijding der dooden gepleegd hadden.

Naar mate wij verder kwamen, werden de oudere beenderen meer en

meer met nieuwe vermengd, tot zij eindelijk daar geheel onder

verdwenen. Sommige beenderen waren nog met een zwartachtig vleesch

en verdorde zenuwen bekleed; geheel ongeschonden geraamten deden u

onwillekeurig denken aan het paard van den dood in de Apocalypsis;

enkelen waren nog met de huid bekleed. Onder die strak gespannen huid

huisden gansche troepen van gallinasos (Percnopteros Urubu), de gewone

bewoners dezer wildernissen. Even als de rat van La Fontaine zich in de

hollandsche kaas eene woning maakt, zoo hadden ook deze afschuwelijke

dieren, na het vleesch hunner prooi geheel verslonden te hebben, zich

in het uitgeholde geraamte genesteld. Het gerucht der voorbijtrekkende

karavaan deed hen, een voor een, uit deze akelige schuilplaatsen te

voorschijn komen; zij zagen ons aan met hunne doffe ziellooze oogen, en

trokken zich weder terug, zoodra wij voorbij waren. De nieuwsgierigsten

of de hongerigsten zetten zich op een schedel of eene uitstekende

ribbe, als op een tak, en bespiedden met een schuinschen blik onze

muilezels, gereed zich dadelijk te werpen op het ongelukkige dier,

dat onderweg bezwijken mocht. Maar hunne hoop werd niet vervuld: onze

muildieren, al lieten zij staart en ooren hangen, vervolgden rustig hun

weg, tot groote voldoening der arrieros, van wie wij ze gehuurd hadden.

De dag liep verder zonder buitengewone ontmoetingen ten einde; na ons

den schedel en den nek geroosterd te hebben, zonk de zon eindelijk

achter ons onder de kimmen. Nauwelijks was zij verdwenen, of een

zachte, liefelijke koelte, van de Cordilleras afgedaald, suisde

over de vlakte. In den beginne ademden wij met volle teugen dien

verkwikkenden zephyr in; maar na verloop van een uur, was die suizende

koelte een scherpe, snijdende wind geworden, en wij waren gedwongen,

een wollen mantel om te slaan over den wit katoenen poncho. Wij trokken

zoo voort tot tien uur, te midden der duisternis, die echter door het

heldere schijnsel der starren tot schemering werd. Eensklaps zagen wij,

op korten afstand voor ons, eene donkere zwarte massa verrijzen. Wij

herkenden den Tampu of de karavanseraï der pampa. Onze muildieren, die

insgelijks den tampu herkenden, rekten hunne halzen uit, en stonden

uit eigen beweging stil op den drempel van dit gastvrij verblijf,

waar de reizigers gewoonlijk halt houden, meer om hunne beesten te

laten uitrusten, dan om zelven adem te scheppen.

Die tampu, door de Quechuas tegenwoordig oneigenlijk Tambo genoemd,

bestaat uit eene zeer lange en zeer lage houten woning, met een planken

dak, en in verscheidene kompartimenten verdeeld; het met mica vermengde

zand der woestijn dient tot vloer; en daar dit zand door tallooze

legioenen mikroskopische, maar zeer bloeddorstige luizen bewoond is,

vindt de reiziger, op dit zachte bed, schier geen enkel oogenblik de

zoo zeer begeerde rust. Tegenover dit ongerief staat het voordeel,

dat de tampu juist in het midden der woestijn staat, halverwege het

dorp Islay en de stad Arequipa, drieduizend-negen-honderd-zeventien

voet boven den Stillen Oceaan.

Wij waren uitermate vermoeid, lieten de zorg voor de muildieren aan

de mozos over, en haastten ons, de herberg binnen te treden, waar

een diepe stilte heerschte. Eene opening zonder deur, in den houten

wand aangebracht, gaf toegang tot een zaal, waar het stikdonker

was; al tastende langs de muren gaande, riepen wij overluid, om

de bewoners der herberg van onze komst te verwittigen. Eindelijk

antwoordde ons de herbergier, door ons roepen gewekt: maar nog

steeds verscheen er geen licht. Op zijne vragen antwoordden wij met

de kreten: "Vuur! water!" De man verscheen een oogenblik daarna,

in de eene hand een flesch dragende, in wier hals eene brandende

vetkaars stak; in de andere hand een emmer met water en een beker,

waarom wij bijkans vochten. Nadat onze brandende dorst gelescht

was, vroegen wij, of er hier niet het een of ander te krijgen was,

waarmede wij onzen honger konden stillen: want de sandwiches van den

consul waren sinds lang vergeten. Wij kregen ten antwoord, dat er in

den tambu nog maar zes kippen voorhanden waren, wel is waar levend,

maar die op een wenk van ons, dadelijk konden geslacht worden. Wij

haastten ons, dien wenk op de meest ondubbelzinnige wijs te geven;

de herbergier boog, vroeg een uur uitstel om zijne vrouw te wekken,

vuur te maken, de kippen te dooden, te plukken en ze ons voor te

zetten, toebereid met rijst en piment. Zijn verzoek werd ingewilligd.

Na verloop van een uur verscheen inderdaad de herbergier, een terrine

dragende, waarin te midden van een plas helder vocht, eenige kleine

stukken gevogelte dreven; wij kregen ieder een houten lepel, zetten

ons in een kring om den dampenden schotel, en weerden ons dapper. De

herbergier, bescheiden in de schaduw teruggetrokken, sloeg ons

aandachtig gade; zijn gevoel van eigenwaarde moest wel gestreeld

worden door onze ongeveinsde ingenomenheid met zijn kookkunst. Toen

de terrine tot den bodem ledig was, wierpen wij er onze lepels in,

en vroegen de rekening. De herbergier had die reeds, terwijl wij aten,

met een stuk krijt op een plank geschreven, en reikte ons die nu met

vriendelijk gebaar over. Deze rekening was van den volgenden inhoud:

Vel-agu 4. 16--Chup-suma 60.80. Daar wij hier niets van begrepen,

begonnen wij te lachen; maar de kastelein gaf ons de verklaring

van deze geheimzinnige teekens: en wij lachten niet meer. Het stukje

smerige vetkaars in de flesch werd ons aangerekend voor vier realen; de

emmer water voor twee piasters; de kippensoep kostte zeven-en-een-halve

piaster: de geheele zeer eenvoudige maaltijd kwam ons op niet minder

dan vijftig francs te staan.

Een Europeaan, nog onbekend met de landsgebruiken, zou natuurlijk

over gruwelijke afzetterij geschreeuwd hebben; maar onze vrienden,

in het land geboren en opgevoed, en ik, die er sedert eenige jaren

gevestigd was, wij beschouwden de zaak uit een ander oogpunt, en

betaalden, zonder een woord tegen te spreken, maar ook zonder een

fooi te geven. De kastelein scheen zich over dit moedwillig verzuim

niet te ergeren; hij stak het geld in zijn zak, en ging heen, met

achterlating van zijne terrine.

Inmiddels waren onze bedienden buiten den tampu ingeslapen en lagen

rustig op den grond uitgestrekt, terwijl de muildieren, wien het

aan voedsel en water ontbrak, hinnikten en trappelden. Wij maakten de

slapers wakker, en lieten de muildieren zadelen, ten einde onmiddellijk

onze reis te vervolgen: want, ter wille onzer dieren, verdiende een

nachtelijke tocht door de pampa de voorkeur: zij hadden dan niet te

lijden van de hitte en konden dus beter honger, dorst en vermoeienis

verdragen.

Den tampu verlatende, wendden wij ons oostwaarts; de wind blies

niet meer van de Cordilleras, maar de lucht was koel en scherp;

onze muildieren, door de rust en de frissche temperatuur versterkt,

toonden zich met de beste voornemens bezield, waarvan wij aanstonds

gebruik maakten om een fiksch eind vooruit te komen. Omstreeks vijf

uur begon een zilverachtige schemerschijn den hemel te kleuren;

de sterren verbleekten; het werd dag. Weldra verlichtten enkele

oranjekleurige stralen den effen bodem van de pampa; straks vertoonde

zich de zonneschijf, en zond ons den vollen gloed harer verblindende

stralen vlak in het gezicht. Wij waren verplicht, met gebogen hoofde

en zooveel mogelijk in elkaar gedoken, voort te rijden: eene zeer

onaangename positie. Eerst om acht uur was de zon zoo hoog boven de

kimmen gerezen, dat wij weder ongehinderd konden opzien. De met sneeuw

gekroonde toppen der Andes verhieven zich voor ons; de bergketen werd

in tweeën gedeeld door eene reeks lagere cerros of heuvelen, die de

pampa aan de oostzijde begrensden. Wij reden nu achter elkander over

smalle, bochtige, moeilijke paden, die langs den voet dezer heuvelen

loopen; de dorre streek leverde maar enkele planten op, en voorts

grauwe hagedissen en scharen van tortelduiven. Die tortelduiven zijn,

met de ratten, vlooien en luizen, een van de geesels dezer streek;

niet alleen verwoesten zij de maïs- en korenakkers, maar zij vervullen

ook de lucht met haar onophoudelijk klagelijk gekir.

De rit door de cerros kostte ons ongeveer twee uur, waarbij wij veel

van de hitte en de stof te lijden hadden; maar wij werden voor al die

onaangenaamheden ruimschoots schadeloos gesteld door het prachtig

panorama, dat zich voor ons ontvouwde, toen wij den laatsten cerro

waren overgetrokken. Voor onze voeten lag de vallei van Arequipa, eene

twee mijlen breede kloof van ongeveer vijfhonderd voet diepte, bedekt

met een groen tapeet van verschillende kleurschakeeringen; dorpen,

hoeven, landhuizen kwamen helder uit op dien donkeren grond; twee

rivierkens stuwden in breede kronkeling hare wateren door de vallei,

om eindelijk samen te vloeien. De oostelijke horizon was begrensd door

de westelijke Andes, wier schitterende sneeuwtoppen den hemel schenen

te torschen. Twee sierras, aan de hoofdketen verbonden, verhieven zich

vlak tegenover ons; de eene, ter rechterhand, Pichu-Pichu geheeten, was

getand als eene zaag; de andere, aan de linkerhand, Chachani genoemd,

verhief hare loodrechte wanden als een reuzenmuur. Een vlakte van

omstreeks twintig mijlen in omtrek scheidde de twee gevaarten. Uit het

midden van dit plateau verhief zich, in indrukwekkende majesteit,

de Misti, een der schoonst gevormde vulkanen, die de keten der

Andes bezit.

De vallei van Arequipa werd in het begin van de dertiende eeuw ontdekt

door den vierden Inca Mayta-Capac, die, op het voetspoor van zijn

voorgangers, van Cuzco was uitgegaan om de grenzen des rijks uit te

breiden, en de nog onafhankelijke stammen van het gebergte en de kust

tot de dienst van den Zonnegod te bekeeren. Na de Aymaras van de vlakte

van Tiahuanacu in Bolivia onderworpen te hebben, was hij de dubbele

keten der Andes, boven de bronnen van den Apurimac, overgetrokken, en

had het andere gedeelte van het volk der Aymaras, die in de omstreken

van Parihuanacocha woonden, onderworpen. Van dezen tocht terugkeerende,

en langs den voet der Cordilleras voorttrekkende, had hij bij toeval

de vallei van Arequipa ontdekt, destijds nog onbewoond, en waaraan hij

den naam gaf van Coripuna--de goudvlakte--naar een thans uitgebranden

vulkaan, op de grensscheiding der provinciën Cailloma en Arequipa.

De helling der vallei, van de sierra van Characato, waar zij

aanvangt, tot aan de kusten van den oceaan, bedraagt niet minder dan

zevenduizend-honderd-dertien voet. In verband hiermede heerscht in

den plantengroei de grootste afwisseling, gelijken tred houdende met

het verschil in temperatuur. De vallei levert achtervolgens tarwe,

rogge en koren, als de gematigde luchtstreken; dan maïs, vijgen en

rozijnen, olijven en granaten, als zuidelijk Europa: en eindelijk

bananen en suikerriet, als de tropische landen. De reiziger, die

uitgeput en hijgend naar zijn adem, bezwijkende van de hitte en met

stof overdekt, den zoom der cerros bereikt, en eensklaps deze weelderig

groene vallei voor zich ziet, begroet in haar een beloofd land, een

dier ouadies van Arabië, waar eindelijk de woestijn een grenspaal

vindt; bij dien aanblik voelt hij zijn kracht en moed herleven,

terwijl zijne oogen, door de weerkaatsing der zonnestralen op het

zand verblind, met wellust op deze zachte groene tinten rusten.

Deze prachtige vallei, zoo merkwaardig in meer dan een opzicht,

zoo schilderachtig schoon, heeft intusschen zeer weinig wat den

natuuronderzoeker boeien kan. Haar flora en haar fauna, in den

omtrek van Arequipa, hebben bitter weinig te beteekenen, en de lijst

der planten en dieren, aan deze streek eigen, is al zeer spoedig

opgemaakt. Daar ik hier niet in de eerste plaats voor natuurkundigen

schrijf, behoef ik over de voortbrengselen van het planten- of

dierenrijk in de vallei van Arequipa dan ook niet verder uit te wijden.

Schetsen uit Peru De Aarde en haar volken, Jaargang 1875 · 第 3 / 9 题