Hy vond dezelve heel zediglijk gekleed voor zyn Toonbank in de Winkel

zitten, en hem gezegd hebbende waarom hy kwam, verzogt hy hem dat hy

trouwelyk daar in handelen zoude, want voegde hy 'er nog by, ik ben

daar by een Lakenkoper geweest, die my zulk slegt Goed verkogt heeft

dat het schande is; ik vertrouw van u dat gy my beter zult handelen:

Ik agt dat het maar een weerelds mensch geweest is; die niet anders

als zyn tydelijke belangens zoekt; maar van u gehoord hebbende, dat

gy een goed Christen zyt en daar by in dienst van de Kerk, maak ik

in het geheel geen zwarigheid my op u te vertrouwen.

De Winkelier doen met een styf en betrokken wezen hem aanziende,

zeide; Myn vriend om een goed Christen te wezen dat heeft al veel

in; want wy hebben hier dagelijks tegen zoo veel vyanden te stryden,

dat het al wat te zeggen is dezelve te overwinnen: evenwel moet ik

u zeggen dat het zeer gevaarlijk is, wil men niet bedrogen wezen,

by iemand goed te kopen, die niet anders als wereldze inzigten heeft;

want zoo een man maakt geen zwarigheid om de goede lieden te bedriegen

en daarom zoude ik dezelve altoos raden van by deugtzame lieden te

gaan; die zyn altyd met een klein winsje te vreden en daarom niet

genegen om iemand te misleiden.

Zoo behoord het ook te weezen, zeide Thomas; maar laat my eens eenige

Hoeden en Kousen zien. De Winkelier daar op eenige van dezelve gekregen

hebbende, zogt 'er een Hoed en een paar Kousen uit, en hem dezelve

toonende, zeide: ziet daar myn vriend, een Hoed en Kousen die ik u

op myn woord verkoop; al waart gy een Eedelman behoefde gy u zelven

niet te schamen om ze te dragen, en ik raad u daar aan.

Thomas daar op de Hoed nemende en dezelve ziende, dagt dat die wat hart

en styf was, en daar by weinig voorzien van hair of wol; zeide daarom

tegen de Winkelier het geen hy 'er van dagt: die daar op antwoorde. ô

Myn vriend dat is niet met al! Dat hy u zoo voorkomt, is dat gy 'er zoo

weinig kennis van hebt; die hardigheid en styfheid is niet anders, als

dat de stoffagie zoo vast in malkanderen gewerkt is en dat hy zoo min

wollig is, komt door zyn fynte. Thomas geloofde al het geen hy zeide;

zettede daarom den Hoed op zyn hooft en bevindende dat dezelve hem

paste, vroeg hoe veel geld hy daar voor hebben moest. De Winkelier

hem daar op antwoordende zeide; als ik als een werelds mensch of die

geen die niet anders als zyn tydelijke belangens behartigt, te werk

ging, zoude ik daar twee Ducaten voor moeten hebben; maar dewyl ik

met een gering winsje te vreeden ben, zult gy my maar zeven guldens

daar voor geven. Is dit het allernaaste? Vroeg hem Thomas, geen duit

minder myn vriend, antwoorde de Winkelier ik zou 'er zonde van maken

dat ik iemand, overeischen zoude. 'T is wel zeide Thomas, en daar

op ook een paar Kousen op de Winkelier zyn woord genomen hebbende,

betaalde hy het een en andere. Onderwylen dat Thomas wagten moest tot

dat de Hoed opgetoomt was, hadden zy nog eenige zeedige en stigtelijke

gesprekken met malkanderen; daar op Thomas van de Winkelier afscheit

nemende, begaf zig weder na huis.

De Heer N.... bezag het geen hy gekogt had, en de Hoed en Kousen

kwamen hem redelijk wel voor. Wat zegt gy nu zeide hy tegen Thomas;

blyft gy nu nog by u gevoelen, als of hier geen eerlijke lieden

waren? Myn Heer zeide Thomas, ik heb niet gezeid dat 'er in het geheel

geen eerlijke lieden hier zyn; maar wel dat 'er zeer weinige waren:

Onder die weinige heb ik nu deeze man gevonden, dat waarlijk een goed

Christen en een eerlijk man schynt te weezen. Daar op verhaalde hy

hem wat stigtelijke redenvoeringen zy te samen gehad, en hoe hem de

Winkelier had te verstaan gegeven, dat men nooit anders als by vroome

lieden zyn goed diende te kopen, en de redenen waarom.

De Nademiddag wilde de Heer N.... een wandeling met Thomas door de

Stad aan doen, en liet hem die nieuwe Kousen aantrekken en nieuwe

Hoed opzetten.

Toen zy een weinig gewandelt hadden, wierden zy van een geweldige

regenvlaag overvallen; zoo dat zy eer zy ergens gelegentheid hadden

om te schuilen, reeds braaf nat waren geworden. Weder na haar verblyf

te rug gekeert zynde, wilde Thomas zyn Hoed met de neusdoek afveegen:

maar wat was hy verwondert, het geen hy eerst voor een glanzigheid en

fynigheid aangezien had, nu te ondervinden dat het niet anders was als

gom, 't welk die styvigheid en hardigheid in het behandelen te weeg

gebragt had, en die door de vogtigheid week zynde geworden, men 'er met

een doek af konde vegen. Men kon doen ook bescheidentlijk zien dat het

maar een oude Hoed was; die wat was opgemaakt en om die reden met de

gom betreken. Na zyn Kousen ziende hoe of die zig al gehouden hadden,

bevond hy dat aan een van dezelve die hy aan zyn regter been had, een

gat van agter aan de kuit was gekomen zoo groot als een Hoender ey; 't

welk veroorzaakt was dat 'er behendig zoo een stuk ingelapt is geweest.

Daar hebt gy de eerlijkheid al weder van de Amsterdammers, zeide

Thomas; dit bedrog is my nu geschiet van iemand die voor vroom te

boek staat; wat zullen dan de anderen wel niet doen! Wat zegt gy nu

myn Heer; blyft gy nog by u gevoelen? De Heer N.... kost 'er niet

veel op antwoorden; dewyl hy het bedrog zag: hy trok alleenlijk zyn

schouderen op en zeide, dat alschoon hy zag, dat 'er onder luiden

die de naam van vroom en Christelijk hadden, ook bedriegers waren;

hy daarom niet naliet te gelooven, dat 'er ook veel eerlijke lieden

onder waren: dat 'er onder een mant met Appelen die 'er alle op het

oog wel uitzagen, wel eenige kosten weezen die van binnen rot en

aangestoken waren: maar dat daarom niet gezegt kost worden, dat de

anderen niet goed waren: dat het met de menschen ook zoo gestelt was,

waar van eenige in schyn de vroomheid en deugt nabootste: en daar

door de lieden bedrogen; maar dat het zoo met alle niet gestelt was;

dewyl men overal waare vroome vondt. Thomas daar en tegen bleef by zyn

gevoelen, dat 'er in een Land waar de gewin en baatzugt zoo groot was,

zeer weinige waare vroome en eerlijke lieden kosten gevonden worden.

Terwijl de Heer N.... zig met zyn Familie en Thomas zig daar

ophielden, gebeurde het dat 'er iemand van zyn kennissen na Suriname

zou vertrekken. Hy nam deeze gelegentheid waar om te zien of hy

ook eenige goederen met een brief aan de Heer le Sage zoude kunnen

zenden. Hy sprak daar over met die kennis en met de Schipper van het

Schip, die hy een present beloofde, indien hy het voor hem wilde te

werk stellen. De Schipper maakte daar eenige zwaarigheid in; maar het

aanhouden van de Heer N.... die tegen hem zeide dat het in zyn weg

was, die hy te bezeilen had, nam hy het op zig om het ter uitvoer te

brengen. De Heer N.... gaf hem het plan der legging van het Eiland in

handen, en bezorgde het goed, 't geen zyn vriend mede zoude nemen,

met volmagt dat zoo zy het Eiland niet kosten aandoen, hy het goed

te Surinamen verkopen zoude, en hem 'er weder andere goederen of geld

voor in de plaats zoude zenden.

De Brief welke hy aan de Heer le Sage mede gaf, behelsde zyn gelukkige

aankomst in Holland, en voor al het goede aan hem en de zyne bewezen,

zond hy aan zyn Ed. tot dankbetuiging, het nevensgaande present,

en verzogt, dat hy hem met een Lettertje wilde vereeren; om eenige

kondschap van hem te verkrygen, en besloot met een wensch van des

Hemels Zegen over zyn Ed. Persoon, en de geheele Volkplanting.

De Heer N.... hier mede bezig zynde, nam Thomas deeze geleegentheid

waar, om een brief aan de Heer le Sage te schryven; dezelve was van

dezen inhoud.

Aan de Heer le Sage; myn waarde weldoender en Vriend.

"Indien de menschen zig doorgaans schuldig maken aan

ondankbaarheid; met de weldaden die zy van iemand, waar van zy

verwydert zyn, ontfangen hebben, uit haar geheugen te bannen,

zoude ik my zelven indien ik deeze gelegentheid voorby liet gaan,

schuldig maken. Weet dan myn Heer dat u goetheden aan my bewezen,

nog niet vergeten zyn en uwe weldaden zoo lang in myn gedagten

zullen blyven als 'er adem in my is. Mogt ik het geluk hebben van

uw mondelijk daar nogmaals voor te bedanken, wat zou my dit een

genoegen geven! Maar dewyl den Hemel dit niet toelaat en wy van

een zyn, zoo kan ik het niet anders als schriftelyk doen. Neemt

dan de wil voor de daad, en verbeeld u een Persoon die met u

zedelessen bezwangert, dezelve hier heel wel nodig heeft, om zig

daar mede te wapenen, tegen zoo veel aanvallen en verleidingen

waar mede zyn gemoed in dit land bestormt word. Een land zeg ik

waar in men zoo weinig waare vroome en eerlijke lieden vind, dat

zoo my uwe waarschouwingen en vermaaningen niet te hulp kwamen,

ik groot gevaar zoude loopen van in myn oude twyfelary te vallen,

alles word hier aan de baatzugt en aan het gewin opgeoffert; zelfs

die geenen die de naam van vroom voeren, ontzien niet zig daar

aan te vergrypen: denkt dan eens hoe het met andere gestelt is,

die zig weinig met zulk een naam bekreunen. Dit doet my geduurig

om u Eiland denken, waar in de menschen sober levende en even ryk

zynde, die baatzugt geen plaats heeft, en waar in de ware trouw

en liefde na de regelen des Geloofs die zy belyden, geoeffent word.

"Gelukkig Eiland daar men geen twee Heeren te gelyk dient, te

weten God en het Geld; maar daar men met zyn lot te vreeden,

de goederen gebruikt zoo als het behoort, zonder daar zyn hart

aan te hangen en daar men stervende van afscheid, zonder zig

zelven daar over te bedroeven! Gelukkig Eiland daar men van al

die slimme vonden niet weet, om malkanderen te bederven, die men

wel op andere plaatzen gewaar word, en waar door men groot gevaar

loopt zyn ziel te verliezen! Maar ik zoude om het Eiland denkende

u wel vergeten, myn Heer, ik bedanke uw nogmaals voor het goede

aan my gedaan en smeeke den Hemel dat hy het u wil vergelden,

dat hy u in uwen hogen ouderdom met zyn kragt wil ondersteunen,

en u hier namaals eens deelgenoot wil maken van een beter leven

als dit is; 'T welk van harten wenscht

Uwen Onderdanige en Dankschuldige Dienaar

THOMAS."

Deeze Brief geschreeven en verzegelt hebbende, gaf hy die aan de Heer

N.... die haar in de zyne sloot en aan zyn Vriend ter hand stelde,

om aan de Heer le Sage over te geven. Het Schip vertrok en de Heer

N.... kreeg geen tyding voor dat een half jaar verstreken was. Zyn

Vriend zond de Brieven wederom, en schreef 'er by; dat zy op die

hoogte gekomen zynde, waar het Eiland moest leggen, wel een zware

nevel gezien hadden; dat zy 'er zig ook in begeven hadden; maar dat

de Schipper niet durvende zig langer daar in betrouwen, het Schip

had laten wenden en zig daar uit begeven had; dat zy gezond en wel

te Suriname aangekomen waren, en dat hy de goederen verkopen zoude

en hem andere in de plaats zenden.

Dit smerte de Heer N.... geweldig en Thomas was 'er zeer over

aangedaan; dewijl zy daar door alle hoop verloren, van ooit tyding

van het Eiland en van de Heer le Sage te vernemen; want zyn Vriend

had ook nog by het geene gezegt is geschreven, dat hy hem rade geen

moeite daar omtrent meer te doen; alzoo 'er niemand zoude wezen, die

het zou willen te werk stellen en een Land zoude zoeken aan te doen;

daar het zoo gevaarlijk was om by te komen. Dit deed hem 'er dan voor

altoos van afzien.

In al dien tusschen tyd viel 'er niets aanmerkelijks voor met Thomas;

als dat hy meer diergelyke gevalletjes van bedrog, zoo als wy 'er

reeds twee gemeld hebben, ondervonden had; 't welk hem nog meer in

zyn gevoele versterkte, dat 'er weinig eerlijke en deugtzame lieden

waren. Onder anderen was hem 'er een ontmoet, 't geen nog wel verdient

aangetekent te worden.

De Heer N.... had een huis te Amsterdam gehuurd; hy hield Thomas meer

voor gezelschap en voor zyn Vriend, als wel voor zyn Dienaar by zig;

en gaf hem derhalven de vryheid om te gaan waar hy wilde. Thomas

had daar door Verscheide kennissen gekreegen, die hy wel eens ging

bezoeken. Hy eens op een avond aan het huis van dezelve wezende,

en daar wat laat blyvende, begaf zig om half twaalf na huis.

Onderweg ontmoete hem twee Vrouwlieden, die hem vroegen of hy met haar

lieden meede wilde gaan om zyn vermaak met haar te nemen. Thomas die

geen lust tot diergelijke spelletjes had, zeide, dat hy daar niet

toe genegen was en dat zy hem daarom met vrede zoude laten gaan;

maar in plaats dat haar dit zoude weerhouden, deeden zy hem aan en

hielden hem staande, zeggende dat zy hem niet los zoude laten of

hy zoude met haar mede gaan. Thomas had een goede rotting by zig en

wilde haar daarmede van het lyf weeren; maar in plaats dat zy daar

door zoude zyn verschrikt geworden, begosten zy een leven te maaken

en om hulp te schreeuwen; als of 'er iemand was geweest die haar

eenig leed wilde doen.

De Ratelwagt quam op dit geschreeuw terstont toeschieten; die de

Vrouwlieden daar op die wyze met Thomas bezig vindende, deeze tegen

haar zeide, dat hy haarlieden gewelt wilde doen, zy vielen hem ten

eersten op het lyf, pakte hem aan, en zeiden; dat hy zig aan haar

over moest geven of dat zy anders gewelt zouden gebruiken. Wat zoude

Thomas doen? Zig te verweeren was voor hem niet raatzaam, ook waren

zy gewapent en met haar beiden. Die deed hem de zagtste weg verkiezen

en haar verzoeken dat zy hem zyn weg zouden laten vervolgen; want dat

hy in het geheel niet van zin geweest was die Vrouwlieden eenig kwaat

te doen: maar dat zy hem in tegendeel aangedaan hadden. Dit mogt niet

helpen: zy namen hem tusschen beide in en sleepte hem tegens zyn wil

en dank mede: terwyl de Vrouwlieden het hazepad kozen.

Thomas was in de grootste vrees des werelts; dewyl hy niet wist wat een

uiteinde dit spel zoude nemen: hy borst daarom in dier benaauwtheid al

gaande in deze droevige klagten uit: ô gelukkig Eiland! Was ik heden

in u; zoo zoude my dit kwaad niet overkomen en ik zoude bevryd zyn

van een overlast daar ik my thans in bevinde. Gelukkig Eiland! Daar

het bederf en de zeden van een ander, de onschuldige niet in verwert

en de goede voor de kwade niet behoeven te lyden.

De Ratelwagts hem zoo over dit Eiland hoorende roepen, vroegen

hem wat of hy daar mede meende en wat dat voor een Eiland was;

wy zyn hier in Amsterdam zeide zy, wat hebben wy met de Eilanden

te doen? Maar vervolgden zy wyder, wy zien dat gy zoo bevreest zyt;

hebt gy ook geld by u? Om wat reden vraagt gy dat? zeide Thomas. Om

als gy ons van het zelve wat wilt geven, wy u los zullen laten. Hoe

veel moet gy wel hebben? vroeg Thomas. Als gy een Ducaat wilt geeven,

zullen wy u laten gaan antwoorde zy. Thomas een klein Goudbeursje,

't geen hy by zig had, uit den zak halende, nam daar een Ducaat uit en

gaf ze haar. Zy lieten hem daar op heen gaan, terwyl hy haar hoorde

zeggen, dat zoo zy geweten hadden dat hy zoo veel Geld by zig gehad

had, hy daar zoo gemakkelijk niet zoude afgekomen zyn.

Thomas was verblyd dat hy vry was, en daar zoo goetkoop was afgekomen,

en spoede zig zoo haastig als hy konde om t'huis te zyn. Als hy daar

gekomen was, was de Heer N.... nog niet te bed gegaan en vond dat die

met ongelegentheid hem zat te wagten. Hoe blyft gy zoo lang uit Thomas,

vroeg hy hem, waar zyt gy zoo lang geweest? of is u iets ontmoet dat

u zoo lang opgehouden heeft? Want ik ben zulks van u niet gewent.

Al weder een staaltje van de Eerlijkheid en het goed gedrag dat men

hier ontmoet; antwoorde Thomas, en daar op de Heer N.... verhalende

't geen hem ontmoet was; verwonderde die zig zeer.

Gy zyt daar gelukkig afgekomen zeide de Heer N.... gy zoud 'er

door in hegtenis hebben kunnen raken, en dan zoud gy 'er mogelijk

zonder klederen te scheuren niet zyn afgekomen; want wie zou hebben

kunnen getuigen of gy onschuldig was of niet? Als het daar al op

aangekomen was zeide Thomas, zou myn goed geweten wel voor my gepleit

hebben, waar door ik my vrymoedig by den Rechter zou hebben kunnen

verantwoorden. Ja maar die vrymoedigheid voldoet by den Rechter niet;

zeide de Heer N.... daar moeten goede bewyzen en getuigen zyn, of het

zoude weinig baten; want de grootste schurk heeft dikwils de grootste

vrypostigheid; daar een eerlijk man al is hy onschuldig, zulks niet

heeft. Dan is zoo een onschuldige wel te beklagen hervatte Thomas,

die in diergelyke omstandigheden is als ik ben geweest. Dit is zoo

zeide de Heer N.... en ik rade u daarom voorzigtiger te weezen en

vroeger t' huis te komen. ô Gelukkig Eiland! Riep Thomas uit; daar

men des nachts zoo veilig is als by den dag, en daar men in geen

omstandigheden word ingewikkeld, die zoo gevaarlijk in haar gevolgen

zyn. Daar op ging de Heer N.... en Thomas zig ter rust te begeven.

Hy had die nagt het zeer ongerust: zodanig lag hem dit geval nog in

zyn hoofd te malen. Wat zekerheid kan men hier hebben zeide hy in zig

zelven om gerust te leven, na dien men zelfs bloot staat van misdaden

betigt, en daar om gestraft te worden, daar men nooyt om gedagt

heeft. Ach! Zeide hy; waar staat een mensch niet al voor bloot en wat

heeft hy dog in zyn leven te wagten? Dewyl het goed en kwaad zodanig

onder malkanderen vermengt is. Dus mymerende viel hy eindelyk in slaap

dog in plaats van hem te verkwikken, maakte die hem eer nog ongeruster.

Hy droomde dat hy overstraat gaande, twee vegtende persoonen ontmoete,

die malkanderen met groote messen te keer gingen. Hy verbeelde zig

'er in aller haast na toe te spoeden om dezelve te schyden; maar

wanneer hy daar digt by was gekomen, scheen een van de twee een

steek te krygen die doodelyk was: waar op den anderen het mes latende

vallen, de vlugt nam. Hy verbeelde zig daar op na den gekwetsten toe

te schieten, om hem in zyn armen te ondersteunen, die daar in den

geest gaf, juist als daar eenige lieden die op zyn kermen uit haar

huisen kwamen lopen, hem in die toestand vonden; in de armen van

Thomas den geest gevende. Thomas verbeelde zig dat zy hem voor den

dader van het feit aanziende, hem voor een moordenaar uitscholden

dat hy zyn onschuld te kennen gaf en terwyl hy hier mede bezig was,

kwamen de dienaren van het geregt aan en bragte hem in hegtenis.

Hy droomde vervolgens dat hy voor den Regter moest verschynen, daar hy

zyn onschuld aan te kennen gaf; maar dat hy geen bewyzen by kunnende

brengen van zyn onschult, op de getuigenissen die de luiden van hem

gaven, van den zelven veroordeelt wierd om onthoofd te worden. Hy

verbeelde zig na dat hy eerst eenige Jammerklagten uitgeboezemd had,

op een schavot te verschynen; maar hy wierd op het ogenblik wakker van

schrik, als hy zig verbeelde dat de scherpregter toe zoude slaan. Hy

sprong zelfs van schrik overeinde, en kon in langen tyd zig niet tot

bedaren brengen; tot dat den dag aankomende, hy opstond om zig door

het leezen in een goed boek een wynig te veranderen; dewyl de Heer

N.... nog geen een van het huisgezin was opgestaan.

Het eerste dat hy by de hand vond, was een bybel dewelke hy opslaande,

de Prediker van salomon in het oog kreeg, en dewyl dit een boek is

t' welk de ydelheden van den Mensch, zyn handel en wandel op een

levendige wyze voorsteld; zoo kon hy dit op zig zelven zeer wel

toepassen, wegens het geval dat hy des nagts gehad had, en de droom

die daar op gevolgt was. Het vyftiende vers van het zevende hoofdstuk

gaf voornamelijk een groote indruk op zyn gemoed, als hy las "Dit al

hebbe ik gezien in de dagen myner ydelheyd: daar is een rechtvaerdige,

die in zyne gerechtigheyt omme komt: daar en tegen is 'er een godloze

die in zyne boosheit (zyne dagen) verlengt." Ach! Riep hy uit; hier

leer ik uit dat zelfs de Deugd niet vry is van vervolgingen en dat

de godloosheid in tegendeel ongestraft blyft.

Onder het lezen was de Heer N.... en zyn huisgezin opgestaan. Hy

ging dezelve goede morgen zeggen: maar deeze vond zyn weezen zodanig

betrokken en onsteld dat hy wel kon merken wat 'er in zyn hart

omging. Hoe ziet gy 'er zoo uit Thomas zyde hy; zyt gy niet wel,

of heeft de schrik van de voornagt u nog bevangen? Daar op verhaalde

Thomas hem de ongeruste nagt, die hy gehad had, en zyne droom, dat

hy was opgestaan en de prediker opslaande eenige spreuken daar in

had gevonden, die hem zeer aangedaan hadden. Onder andere bragt hy

het zoo evengemelde vers by, 't geen hem het meest getroffen had.

Wat wil dit nu alles zeggen? vroeg hem de Heer N.... Thomas antwoorde;

dat dit zoo zynde, men in het geheel nergens meer staat op kan

maken; dewyl Deugd en ondeugd even gelijk bloot staan voor goed en

kwaad. Wel is u dan de wyze onderrigting van de Heer le Sage zoo

vergeeten? Vroeg hem de Heer N.... dat men hier op deze weereld op

de uitkomsten der menschelijke verrigtingen niet moest zien; maar dat

men een ander en beter leven te verwagten had, waar Deugd en ondeugd

op een regtmatige wyze zullen beloond en gestraft worden. Salomon,

vervolgde hy wyders, zegt immers zelfs op het einde van zyn Prediker,

"van alles dat gehoord is, is het einde van de zaak; Vreest God, ende

houd zyne geboden; want dit (betaamt) alle menschen. Want God zal ieder

werk in het Gerigte brengen, met al dat verborgen is, 't zy goed, of

't zy kwaad," wat wil hy hier anders mede te kennen geeven als dit:

Stoor u niet aan de verborge wegen die God in zyn voorzienigheid in

dit leven houd: het moet u in tegendeel aanleiding geeven, om aan een

ander als dit is te geloven; want God kan dog niet anders als een God

van order wezen. 'T is derhalven billijk dat men hem vreest en ontziet,

dewyl hy te zyner tyd een iegelijk; na het gene hy verdient heeft,

vergelden zal.

Hier mede Thomas een weinig tevreden gestelt hebbende, gingen de

Heer N.... en hy te samen ontbyten. Maar de liefde die tot nog toe

dit huisgezin met vrede had gelaten, kost eindelijk niet nalaten het

zelve een weinig te verstooren, en hy daar toe bekwame voorwerpen

vindende om zyn rol te speelen, stelde hy het dus te werk.

De Dogter van de Heer N.... die Agnes genaamt was, had al voor eenige

tyd de ouderdom bereikt, dat de Liefde bekwaam was haar hart in te

nemen; zy was al negentien jaren; Maar eer wy iets verder van haar

melden, zullen wy eerst haar gedaante en hoedanigheden beschryven.

Zy was middelmatig van postuur, blank van vel, een weinig aan de geele

kant, door dien zy onder een warm Climaat geboren was: had levendige

blaauwe oogen, een gelaat dat zeer regelmatig was, blond hair en

was tanger van lighaam, behalven een minnelijke goedaardigheid en

openhartigheid, bezat zy ook een goed oordeel, een levendigheid van

geest; maar het geen wel het voornaamste was, een liefde tot de Deugd

en tot het eerlijke.

Al deze schoone hoedanigheden, gevoegt by een lichaam 't welk fraai

was, waren wel waardig bemind te worden; maar dewijl 'er geen zyn

geweest die de zelve gewaar wierden, was zy tot nog toe zonder

aanzoek gebleven, en het scheen dat de liefde haar hart zelfs

eerst vermeesteren wilde, eer dat hy dat van een ander over haar

beminnelijkheden innam.

Zy had al overlang de goede hoedanigheden, die Thomas bezat in

aanmerking genomen; maar her was tot nog toe niets meer als een

bloote beschouwing geweest die haare agting voor hem ingeboezemt

had: thans wilde haar noodlot het anders en veranderde dezelve in

een liefde, die om haare byzonderheid veelen wonderlijk voor zal

komen; maar die nogtans wegens haar oorzaak zeer regtschapen was;

dewyl haar beider harten met liefde tot de Deugd bezield wezende,

niet anders als overeenstemmende gevoelens kost veroorzaken.

Haar Liefde was van een andere natuur als dezelve gemeenlijk is, die

maar op de uiterlijke schoonheid en gestalte der voorwerpen ziet; de

haare was verhevener en betragte meer de schoonheid en hoedanigheid

der Ziel, waar meede haar gelieft voorwerp bezield was.

De zwartheid van Thomas belette niet, dat hy van Mejuffrouw Agnes

bemind wierd; Maar op wat voor een wyze hem dit bekent gemaakt? Dit

was voor haar een groote zwarigheid en scheen tegen de eerbaarheid

van een Jonge Dogter te stryden: wat weg dan te verkiezen om tot haar

oogmerk te komen? Hier mede zig eenige tyd ophoudende om te denken,

vorderde zy daar weinig mede. De wonde die zy overal met haar omvoerde,

diende genezen te worden! De Liefde eindelijk op de maagdelijke

schaamte 't winnende, besloot zy hem haar hart te openbaren en hem

haar genegentheid bekent te maken.

Geschiedenis van een Neger Zyn Reize met de Heer N.... van Surinamen naar Holland.... enz. · 第 5 / 6 段